Missiën van Scheut in de Filipijnen, 1932: een relaas van Pater Van Overbergh

P1200886

Om de lezer wat variatie te bieden in leesvoer, wordt u deze keer een iets luchtiger artikel aangeboden, genomen uit de tijdschriftjes van de Missiën van Scheut uit het jaar 1932.

(Om de authenticiteit van het oorspronkelijk artikel wat intact te houden werd de tekst grotendeels behouden zoals het op papier staat)

Filipijnen

Wie God bewaart is wel bewaard

Wat mij voorviel op mijn laatste reis naar Dibagat, moet ik u toch vertellen. Ik vertrok naar dat fameus dorp van uit Namaltugan, één onzer bijposten, en ik was vergezeld van mijn catechist en een “cargador” of drager, die ons de weg wijzen moest. Ik noemde daar juist die reis de laatste; nu was het ook de eerste want anders zou ik wel de weg geweten hebben.

Dat vakantiereiske werd natuurlijk te voet gedaan, want als een mens al moeilijk langs de rotsen klefferen kan met hulp van vingers en tenen, wat zou een peerd daar ooit meedoen, ik wil zeggen met zijn hoeven zonder tenen! Alle ogenblikken moesten we uitzien waar er ergens een stuk rots uitstak om met de groten teen erop te steunen. Na een uurken of twee aldus gegaan te hebben, kwamen we eindelijk aan in een gehuchtje, genoemd Bayugaw. Jamaar, onze aankomst bracht heel dat gedoe lelijk in opschudding, en de reden daarvan had onze neus ons reeds kond gedaan. Voor enige dagen, was daar iemand gestorven, en de wet verbiedt de oude gewoonten, die bestaan in de dode vele dagen over aarde te bewaren en ondertussen maar te wenen en te feesten (zaken die hier goed te gare gaan!). Bij ’t zien van mijn catechist, was een grappenmaker aan de belanghebbenden gaan vertellen dat de opziener der openbare gezondheid daar was, met boeten en dergelijke dingen. Daarom al dat lawaai en rumoer. De hoofdman kwam aanstonds uitleggen dat het graf al gereed was, en men juist wachtte op de komst van ik weet niet wien, om het lijk te begraven. Daarop raadde ik hem natuurlijk aan van daar maar zoveel spoed mogelijk bij te zetten, voor het goed van bezoekers en anderen. Ik moest er natuurlijk toch een glaasje suikerriet-bier drinken, maar om rechtuit te zeggen, ’t smaakte niet bijzonder lekker… we waren te dicht bij ’t venster van het sterfhuis.

Maar nu begon het ernstig te worden met ons reisje. We klauterden zo maar een halfuur de heuvel recht op, en dan idem naar beneden. Opgaan is lastig, doch met nu en dan eens adem te halen, kan ’t nog zijn; maar naar beneden, dat is erger: ge hebt zo’n vreselijke put voor uw neus, op uw hoofd krijgt ge een deel keien van hen die achter u komen, en wanneer ge eens uitglijdt, gaat ge natuurlijk rapper, dan ge begeert, maar ge laat er ook al een deel van uw vel bij!

Eindelijk kwamen we aan een beek, die recht uitliep op Dibagat, en onze gids die zijn “carga” wat moest arrangeren, zei ons maar van voorop te gaan; hij zou ons inhalen zohaast we wat verder waren, in ’t zicht van dat fameus Dibagat. ’t Ging allemaal zo gemakkelijk niet! Die gids dacht zeker dat hij met zijns gelijke te doen had, en hij was lelijk mis. Inderdaad, we hadden nauwelijks een halve kilometer afgelegd, toen mijn catechist, die voorging, stil bleef staan, en me toeriep dat hij dacht de weg verloren te hebben. De weg verliezen, dacht ik, en we hebben nog nergens een weg tegengekomen, en de beek is maar altijd dezelfde beek gebleven, zonder vertakkingen; dus, moesten we toch op de weg naar Dibagat zijn, alhoewel het niet een echte weg mocht genoemd worden. Als ik bij hem kwam, vond ik ook dat het nogal vreemd scheen. Stel u een soort grote vergaarbak voor, en één van rotsen, en beeld u in dat ge op de grond ervan staat, en dat die beek in een watervalletje in die vergaarbak valt, recht naar beneden, zes of zeven meter diep. Ja, er was niets anders te doen dan te wachten tot dat onze leidsman tevoorschijn kwam, hetgeen hij ook weldra deed.

Toen we hem vroegen waar de weg was, bezag hij ons met zo’n medelijdend gezicht, alsof hij wilde zeggen: “Een weg? Ligt die dan niet klaar genoeg voor u?” En rapper dan mijn vingers schrijven kunnen, was hij naar beneden; we zagen hem verdwijnen langs een hoek in een draai van de beek, ginder verre beneden.

“Jongen, zeg ik tegen mijn kameraad, hebt ge gezien waar die kerel zijn tenen gezet heeft om naar beneden te sassen?”

“Neen ik, was het antwoord, we zullen moeten zoeken.”

Zo ik stelde voor van eerst te gaan, dan kon hij mij komen oprapen of samenrapen als er soms een ongeluk zou gebeuren. En ik begon met mij te laten hangen aan de rand van de “vergaarbak”; maar daarmee kreeg ik natuurlijk heel de straal van die waterval in ’t aangezicht en op mijn bril, en ik zag haast niet meer waar ik de voet zetten moest; daarbij hing ik natuurlijk met mijn rug gekeerd naar de richting die ik hebben moest. Met veel tasten vond ik toch hier en daar een uitsprong van de rots, en ik geraakte halfweg. Daar hing ik tussen hemel en aarde, met een deugdelijk teugje water over mijn gezicht, borst en benen; de steen was glad en ik vond welhaast geen steun meer, aangezien mijn vingernagels amper wat kraakskes vonden om zich vast te klampen. Ik moest haastig zijn om naar beneden te geraken. En ik was haastig! Waar ik dacht nog enige minuten te vertoeven, legde ik de afstand af in een ogenblik! Terwijl ik mijn rechterbeen uitstak om een steun te vinden, schoof het linkerbeen uit en pardaf, “plomp” zei de waterpoel beneden, en ik was er. Ik keek eens op en ik zag mijn catechist die ook juist aan het dalen ging, met zijn rug naar mij gekeerd. Gezien had hij niets; en gehoord ook niets, want het water maakte teveel gerucht. God zij gedankt, ik was nog heel, en ben tot nu toe nog geheel gebleven, anders zou ik het allemaal zo niet hebben kunnen vertellen.

Ge ziet, dat we hier een aardig missietje vast hebben; en waarom ze hier toch op zulke onmogelijke plaatsen gaan wonen, niet waar? Maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat het tekort aan onze kant ligt. Die mensen passeren daarover gelijk over een “camino real”, een koninklijke weg; wij echter hebben nog te weinig praktijk! Maar Gods Voorzienigheid moet wel enige supplementaire engelbewaarders gereed hebben denk ik, om ons gedurende al die gevaren te beschutten.

P.M. VAN OVERBERGH

Uit: October 1932 Missiën van Scheut 40ste jaar, nr. 10.