Het Groene Scapulier

I. Zijn ontstaan

Het groene scapulier, of scapulier van het Onbevlekt Hart van Maria wordt zeer ten onrechte “scapulier” genoemd; want het gaat hier niet over het kleed van één of ander Broederschap, maar wel doodeenvoudig over twee heiligenprentjes, vastgemaakt op een groen stuk stof, dat op zijn beurt bevestigd is aan één enkele koord van dezelfde kleur.

Zijn ontstaan draagt een bovennatuurlijk karakter. Op 28 januari 1840 werd een jonge zuster van het Seminarie (of novicaat) van de Dochters van Liefde van de H. Vincentius (140, rue du Bac, Parijs) met name Zuster Justine Bisqueyburu (gestorven in 1903 in de hoedanigheid van Overste van het hoofdziekenhuis van Carcassonne) een eerste maal met een hemels visioen begenadigd. Het gebeurde tijdens een retraite. Op het ogenblik dat de zuster in gebed was, verscheen haar plots de H. Maagd. Ze was gehuld in een lang wit kleed dat tot op haar blote voeten neerhing en in een zeer helder blauwe mantel. Een sluier droeg ze niet en de hoofdharen hingen los over de schouders. Haar hart, waaruit langs boven de vlammen tegelijk uitsloegen, hielde ze in haar handen. Aan haar majestatische houding paarde ze de glans van een hemelse schoonheid. Door bewondering geslagen en aangegrepen door een ondoordachte vrees bij dit gezicht, kon de zuster nauwelijks een kreet onderdrukken. De verschijning die zich in de loop van het jaar nog herhaalde malen voordeed, scheen op het eerste zicht geen ander doel te hebben dan de godsvrucht van de zuster tot het Onbevlekt Hart van Maria wat meer vuur bij te zetten.

Op 8 september verscheen haar de H. Maagd tijdens de meditatie. Maria hield in haar rechterhand haar Hart, met vlammen gekroond. In de andere hand hield ze een soort scapulier uit groene stof waarvan slechts één kant vasthing aan één enkele groene koord, en gesloten aan de bovenkant. Op de ene zijde van dit scapulier zag men de beeltenis van Maria zoals ze zich in de vorige verschijningen had getoond. Op de andere zijde “een hart in een gloed van stralen schitterender dan de zon en doorschijnend als kristal.” Dat zijn de woorden van de zuster zelf. Een ovaalvormig opschrift met een gouden kruisje erbovenop liep rond dit met een zwaard doorstoken hart en luidde: “Onbevlekt Hart van Maria, bid voor ons nu en in het uur van onze dood.”

Op datzelfde ogenblik zei haar een inwendige stem dat ze die afbeelding bij haar moest dragen tot de bekering en de goede dood van zondaars, en dat dit scapulier zohaast mogelijk moest vervaardigd en met vertrouwen verspreid worden.

II. – Zijn kenmerk

Daar dit scapulier geen kledingstuk is van een broederschap, zoals de andere scapuliers, maar eenvoudigweg een dubbele heilige beeltenis, aangebracht op één enkel stukje stof dat aan een koordje hangt zoals een medaille (om rede van dit alles dus) is er geen bijzondere formule voorzien om dit te zegenen; en er mag dan ook geen sprake zijn van “opleggen”.

Het volstaat dat het gezegend is door een priester en dat het gedragen wordt door de persoon die men onder de heilzame invloed wil brengen. Men mag het zelfs tussen de klederen steken, in het bed of in de kamer van de persoon leggen zonder dat deze er iets van weet. Wat de op te zeggen gebeden betreft, er is slechts één dat dagelijks dient gezegd te worden, dit namelijk dat op het scapulier zelf geschreven staat: “Onbevlekt Hart van Maria, bid voor ons, nu en in het uur van onze dood.” Als de persoon in kwestie het niet zegt, dan moet men het zelf zeggen voor hem. Onnodig te zeggen natuurlijk dat dit gebedje moet gebeden worden met geloof en vertrouwen in de oneindige barmhartigheid van God voor de afgedwaalde schapen waarvan Hij de terugkeer toch zo wenst.

III. – Zijn doeltreffendheid

Het was nog maar nauwelijks gekend of dit scapulier verspreidde zich overal en bewerkte wonderbaarlijke bekeringen, tot zelfs lichamelijke genezingen. Die wonderen vermenigvuldigen zich en worden werkelijk ontelbaar. Bestendig worden er bekeringen gemeld van ongelovigen of van zondaars, die eerst weerbarstig waren voor alle uitvindingen van de apostolische ijver, maar die zich gewonnen gaven zodra het groene scapulier er werd bijgehaald.

In het boek “Het groene scapulier” uitgegeven in het Frans door de Dochters der Liefde staan er enkele van die wonderbare feiten opgetekend. Het groene scapulier zelf is verkrijgbaar in de “Permance Mariale” (140, Rue du Bac).

IV.  – Kerkelijke goedkeuring

De Dochters der Liefde hadden aan Paus Pius IX de toelating gevraagd om dit scapulier te mogen maken en verspreiden. De Procureur Generaal der Missie trad daarvoor als bemiddelaar op. De H. Vader bekeek het scapulier eens aandachtig en zei dan tot de Procureur Generaal: “Ik geef daarvoor alle toelating. Schrijf aan die goede zusters dat ik haar toesta het scapulier te maken en te verspreiden.”

Uit: Groene Scapulier (foldertje) – Impr. Leodii, 30-6-51, L. Creusen, Vic. Gen.


Voor het bekomen van groene scapulieren kunt u zich wenden tot de Society of the Green Scapular. (ze vragen $1 per scapulier). 

Hier kunt u hem in het Frans vinden.

Een andere website waar ze ook worden verkocht.

Nog een website.

Men kan ze ook zelf maken, door de afbeelding af te printen en dat de plastificeren en te kleven op een groen stuk stof.

Onderstaande afbeeldingen zijn in hoge resolutie.

Het Scapulier van Onze Lieve Vrouw van de Karmel

Het scapulier van Onze Lieve Vrouw van de Karmel vindt zijn oorsprong bij de paters Karmelieten. Deze leefden aanvankelijk op de berg Karmel in Palestina. Toen ze overkwamen naar Europa maakten ze een grote crisistijd door. Volgens de overleveirng nam daarom de toenmalige overste van de Karmelorde, de heilige Simon Stock, zijn toevlucht tot Onze Lieve Vrouw, die hem te Aylesford in 1251 verscheen. Ze wees hem op zijn scapulier en beduidde dat dit voortaan een teken zou zijn van haar moederlijke bescherming. Wie het karmelietenscapulier draagt zal ze met bijzondere genaden helpen ter zaligheid, spoedig verlossen uit het vagevuur en vrijwaren van de Hel.

Naderhand werd het karmelietenscapulier aangepast voor leken, in verkleind model, zoals het thans door een priester, meestal bij het doopsel, wordt opgelegd. In 1910 liet Pius X toe dat het stoffen scapulier vervangen wordt door een scapuliermedaille waarop de afbeeldingen van Jezus en Maria gegrift staan. Het scapulier is niet enkel het “kleed van Maria”, teken van haar moederlijke bescherming, het is ook een livrei, of uniform, teken van onze toewijding aan haar. Is het stoffen scapulier een mini-uniform, de scapuliermedaille is ons mini-schild. Dragen we het scapulier daarom met godsvrucht, als blijvend teken van onze verbondenheid met Maria en haar goddelijke Zoon Jezus.

Antifoon: Verheven Moeder van God, luister van de Karmel, bekleed met uw deugden het volk dat U is toegewijd; bewaar het altijd voor alle gevaren.

Bron: Prentje uitgeven door de Zusters Karmelietessen, Kortrijk

De verschijning van O.L.V. van Guadalupe op de heuvel van Tepeyac, Mexico, 1531

colombus-ships

In 1492 landde Christoffel Colombus met drie schepen, de Pinta, de Niña en de Santa Maria, op het Caribische eiland San Salvador, en in de loop der maanden en jaren ontdekte hij andere delen van Amerika. 39 jaar later, in 1531, verscheen de H. Maagd aan een inheemse bewoner van het huidige Mexico, waar zij haar beeltenis naliet op een mantel gemaakt van cactusbladeren. Deze bovennatuurlijke mantel is tot op heden nog steeds te bewonderen. De expeditie van Colombus kan men profetisch noemen, want vertaald klinken de namen van de drie schepen: Schildert – Jonge Vrouw – Heilige Maria. Colombus was overigens een diepgelovige Katholiek, die in zijn leven verschillende ‘religieuze’ ervaringen had waarbij hij een hemelse stem hoorde, o.a. toen hij bijna verging in een orkaan op zee in februari 1493.

Pas in 1521 werd Mexico door de Spanjaarden ingenomen. De veroveraars regeerden met ijzeren hand en veel indianen werden verplicht tot slavenarbeid in de mijnen. De bekering van het volk liep niet van een leien dak, want de indianen hadden het moeilijk om hun polygamie los te laten. In 1527 trok de prior van een Spaanse Franciscaanse abdij, Juan de Zumarraga, naar Mexico-stad om daar zijn verblijf te houden. Elke dag bad de plaatselijke bisschop dat de situatie zou verbeteren en dat er vrede en rechtvaardigheid in zijn bisdom zou heersen. Aan de Moeder van God vroeg hij een teken als zijn gebeden verhoord zouden worden, namelijk om hem een boeket Castiliaanse rozen te zenden.

Het relaas van de Verschijningen

ourlady-guadalupe

Juan Diego, een landbouwer die zich rond 1525 samen met zijn vrouw tot het christendom had bekeerd, maar wiens vrouw nu gestorven was, ging terug bij zijn oom wonen in Tolpetlac. Op 9 december 1531 vertrekt hij ’s morgens vroeg naar de paters Franciscanen om de Mis te gaan bijwonen, in de buurt van Mexico-stad. Hij komt langs de voet van de heuvel van Tepeyac. Niet zo lang geleden stond hier nog een tempel van een bloeddorstige godin van de Azteken. Plots hoort hij een zacht en welluidend gezang, dat afkomstig lijkt te zijn van vogels. Wanneer hij opkijkt, ziet hij op de top van de heuvel een stralend witte wolk. Het gezang houdt op en een fijngevoelige vrouwenstem roept hem op de meest liefelijke wijze: “Juanito!”. Het is de stem als die van een lieve mama die naar haar veelgeliefd kind verlangt en het lokt met een koosnaampje. Snel loopt hij de heuvel op en ziet daar een buitengewone mooie vrouw, nog zeer jong, en haar kleren schitteren als de zon en heel haar glorie weerspiegelt zich op de omgeving. De Verschijning spreekt Juan Diego aan in zijn moedertaal. Hij zinkt op zijn knieën. Ze stelt zich voor als de Maagd Maria, de Moeder van de ware God. Ze vraagt dat op deze plaats een kerk zou worden gebouwd, opdat allen die bedroefd en bedrukt zijn op deze plaats troost en verlichting van de hemelse Moeder zouden verkrijgen. Juan Diego moet hiervoor naar de bisschop gaan om zijn toestemming te verkrijgen.

Juan gaat als een zeer gehoorzame zoon onmiddellijk naar de bisschop. Die reageert voorzichtig en zelfs wat sceptisch als hij het verhaal van de oude nederige indiaan hoort. Teleurgesteld gaat hij heen. Als hij weer bij de heuvel van Tepeyac komt, vindt hij daar opnieuw de mooie Vrouw, die op hem wacht. Knielend bekent hij zijn onmacht en hij vraagt Haar om iemand met meer aanzien en invloed te kiezen, om deze opdracht te volbrengen. Maar Maria draagt hem op om de volgende morgen opnieuw naar de bisschop te gaan. Zondag na de H. Mis, na veel moeite en lang wachten, is hij tot bij de bisschop geraakt. Hij valt op zijn knieën en smeekt onder tranen de bisschop geloof te hechten aan zijn verhaal. De bisschop is ontroerd en onder de indruk, en hij stelt hem een aantal vragen en vraagt hem dat de Vrouw hem een teken zou geven. Juan gaat dit alles aan Maria vertellen, op de heuvel van Tepeyac. Ze antwoordt: “Kom morgenvroeg terug om het teken te halen waar hij om vraagt.”

Bij zijn thuiskomst treft Juan Diego zijn oom doodziek aan. Niemand kan de zieke helpen. Juan waakt de hele dag en nacht aan zijn ziekbed. Hij dacht dat de H. Maagd wel zou begrijpen waarom hij niet op de afspraak kon zijn. De stervende verlangt een priester om te biechten en de ziekenzalving te ontvangen. Voor zonsopgang haast Juan zich naar de stad om een priester te halen. Als hij Tepeyac nadert, denkt hij eraan om een omweg te maken, om een ontmoeting met O.L. Vrouw te voorkomen. Maar de Maagd snijdt hem als het ware de pas af. In een gloed van licht komt ze hem tegemoet, langs de heuvel naar beneden. Juan Diego belooft in al zijn eenvoud dat hij morgen zal terugkomen, maar dat hij zich nu moet haasten om een priester te zoeken.

Daarop zegt de Moeder Gods: “Luister goed naar mij, mijn dierbare kleine zoon, en bewaar wat ik zeg diep in je hart. Wees niet verontrust, laat je verdriet je niet overmannen. Vrees geen ziekte of beproeving, angst of pijn. Ben ik niet hier, ik die je Moeder ben? Sta je niet in mijn schaduw, onder mijn bescherming? Ben ik niet je Bron van leven. Lig je niet in de plooien van mijn mantel, in de vouw van mijn armen? Wat heb je nog meer nodig? Laat de ziekte van je oom je niet verontrusten. Hij zal er niet van sterven. op dit moment is hij genezen.

Die roerende woorden die Maria aan haar bescheiden boodschapper geeft zijn in feite bestemd voor alle kinderen van God. Is de tedere barmhartigheid van de God die voor zijn kinderen een Mama in de Hemel wilde ooit zo helder verwoord geweest? Na deze zoete woorden geeft Maria aan Juan de opdracht om naar de top van de heuvel te klimmen. Stomverbaasd ziet hij daar, midden in de winter, op bevroren grond, een uitgelezen verzameling bloemen liggen. Nu zou de bisschop hem zeker geloven. Hij raapt ze op en verzamelt ze in zijn tilma, of mantel, een rechthoekig stuk weefsel waarvan men twee uiteinden vastknoopt rond de hals en de rest liet hangen als een voorschoot.

Toen de bisschop Juan Diego opnieuw ontving, was hij in gezelschap. Nadat Juan zijn verhaal gedaan had, zegt hij: “Excellentie, hier is het teken waarnaar u gevraagd hebt”, en hij laat de hoeken van zijn tilma los en het hemelse boeket rolt zachtjes op de grond. De bisschop kijkt geroerd naar de ruiker met de bloemen, waaronder de rozen uit Castilië. Zijn bede om vrede is verhoord! En als hij opkijkt ziet hij dat als uit het niets de beeltenis van de Maagd Maria op de tilma is verschenen. Allen vallen neer in aanbidding. Ze zijn sprakeloos, en hevig ontroerd. Juan kijkt verbaasd neer, en ziet inderdaad op zijn mantel de Vrouw, zoals hij ze op de heuvel gezien heeft.

Zij die de slang verplettert

Maria had zich aan Juan bekendgemaakt als O.L.Vrouw van Guadalupe. De etymologie van het woord “Guadalupe” is onzeker. Het is volgens Mariano Jacobo Rojas van Tepoztlán in de jaren 1890, en zijn leerling Ignacio Davila Gáribi, mogelijk een verbastering van het Nahuatl “Coatlaxopeuh”, dat wordt uitgesproken als “quatlasupe”, wat lijkt op Guadalupe. Dit woord betekent “degene die de slang vernietigt”, waarbij “Coa” staat voor slang, “tla” voor die, en “xopeuh” voor vertrappen. De slang zou dan slaan op Azteekse goden als de slangengod Quetzalcóat en de uit slangen bestaande godin Tonantzin, die door de christelijke religie verslagen zouden worden. Uiteraard is de verwijzing ook naar Genesis 3,15, waarin de slang voor de satan staat.

De uitwerking van deze miraculeuze gebeurtenis is wonderbaar. Tegen het jaar 1541 hadden reeds 10 miljoen indianen zich bekeerd. Ze smeekten letterlijk om gedoopt te worden. En zo verspreidde het Katholicisme zich razendsnel in Mexico en omstreken.

Bijzonderheden aan de mantel

In beide ogen van de afbeelding van Onze Lieve Vrouw van Guadalupe zijn afbeeldingen van mensen gevonden. De eerste die dit opviel was de fotograaf Alfonso Marcué in 1926, die er in 1929 een notitie over schreef. Op 29 mei 1951 herontdekte Jose Carlos Salinas Chavez het beeld van een bebaarde man. Op 27 Maart 1956 bekeek Dr. Javier Torroella Bueno en iets later in dat jaar ook dr. Rafael Torrija Lavoignet de ogen met een ophthalmoscoop. Zij observeerden een duidelijke menselijke figuur in beide ogen, waarbij de locaties en vervormingen van de drie reflecties precies overeenkwamen met die van een levend oog (de zgn. Purkinje-Sanson beelden). In 1979 ontdekte Jose Aste Tonsmann op hogeresolutieafbeeldingen van de ogen (2500x vergroot) nog meer mensen, wel 13 totaal. Dezelfde mensen zijn in beide ogen present, maar onder verschillende hoeken, volgens de verhoudingen van echte ogen. Ze laten de mensen zien die op het moment van het openen van de tilma in de kamer waren, zoals Juan Diego, de bisschop en de dienaren. Recentelijk zijn in beide pupillen ook afbeeldingen van gezinnen gevonden.

Het ontstaan van de essentie van de afbeelding blijft voor alle onderzoekers onverklaarbaar. Infraroodonderzoek heeft nl. aangetoond dat er geen voorschets voor de afbeelding is gemaakt. Maar, belangrijker nog, ook de kleurstoffen zijn niet bekend, en de manier waarop de kleuren op de ongeprepareerde ruwe stof van cactusplanten zijn aangebracht blijft een raadsel. De afbeelding brokkelt na al die eeuwen nog steeds niet af. Bovendien is de levensduur van een normale tilma zo rond de 20 jaar (zoals bleek uit kopieën die van de afbeelding werden gemaakt op tilma’s), terwijl de vereerde mantel nu, na bijna 500 jaar, nog geen tekenen van verval vertoont. Een ander interessant feit is dat Father Mario Sanchez en Dr. Juan Hernandez Illescas in 1981 ontdekt hebben dat de plaats van de sterren op de mantel precies overeenkomt met de constellaties ten tijde van de verschijningen in de morgen van 12 december 1531, de dag van het wintersolstitium, de dag waarop de overwinnnig van de zon op de duisternis gevierd werd door de indianen.

Bron: Wikipedia ; O.L.V. van Guadalupe – ProVita -Gezin & Leven (brochure) – bijgewerkt

De geschiedenis van O.L.V. van Boulogne

nd-boulogne

De devotie tot Onze Lieve Vrouw van Boulogne, Noord-Frankrijk, is wellicht één van de oudste bekende Mariale devoties in heel Europa. Het begon allemaal in het jaar 633, toen de kerstening van Europa volop aan de gang was. Op een morgen kwam in de baai van Boulogne een bootje aandrijven, zonder roeispanen, zonder masten, volledig door de hand van God bestuurd, met daarin een beeltenis van de Allerheiligste Maagd. Op hetzelfde ogenblik verscheen de H. Maagd in een kapel in de hoger gelegen stad. Ze openbaarde aan de gelovigen de aanwezigheid van het beeld in het bootje, en vroeg om op deze plaats een nieuwe kerk te bouwen ter ere van haar. De inwoners vonden inderdaad in het bootje een houten standbeeld van de H. Maagd met het kindje Jezus. Zo ontstond een bedevaartsoord in Europa, belangrijker dan dat van Compostella.

nd-boulogne6

Schilderij dat het aandrijven van het bootje met het beeld van de H. Maagd weergeeft.

Rond 1100 werd een nieuwe kerk opgetrokken op intiatief van de H. Ide, gravin van Boulogne, moeder van Godfried van Bouillon. Deze kerk was in kalksteen uit Honvoult en Marquise. Ze bestond uit een Romaanse hoofdbeuk, zeven inhammen, en twee torens zoals in Gent of Doornik.

In 1264 kwam de H. Louis naar Boulogne met een gezant van de paus. In januari 1308 kwam Filips IV (bijgenaamd de Schone) met zijn drie zonen naar Boulogne voor het huwelijk van zijn dochter, Isabella van Fankrijk, met Edouard II van Engeland. De ceremonie werd gevierd in het heiligdom die het miraculeus beeld huisvestte. Alle notabelen van Frankrijk waren aanwezig, waaronder 4 koningen, 14 koningszonen en prinsen.

In 1309 gaf Filips IV opdracht tot het bouwen van een kerk met een kopie van het beeld van Boulogne. In 1427 bezocht Filips de Goede voor het eerst het heiligdom in Boulogne. Onder zijn heerschappij werd de devotie tot O.L.V. van Boulogne en de pelgrimstochten ernaar toe nog belangrijker. In 1550, na een lange oorlog tegen de Engelsen, erkende koning Henri II de H. Maagd van Boulogne, zoals Louis XI hem voordeed. Ook andere hooggeplaatsten brachten haar eer (Catherine de Médicis, Louis XVI, Jacques van Engeland,…). Alle notabelen gaven O.L.V. vele geschenken, geld, kostbaarheden… De schat was nergens mee te vergelijken. In 1544 bevatte de kathedraal honderd relikwieën in goud of zilver, 18 zilveren standbeelden, versieringen van kostbare gesteenten,… Het wonderbare beeld droeg een kroon en jurken en mantels in zeldzame stoffen, met diamanten, robijnen, enz…

In 1789 begon de Franse Revolutie. In 1792 begonnen de vernielingen in de kathedraal. De meubels, de stoffen, de schilderijen werden verkocht of verbrand. De kathedraal werd afgebroken en de stenen verkocht om andere gebouwen te construeren. En het beeld van de H. Maagd werd in brand gestoken, drie dagen na Kerstmis in 1793. Enkel de rechterhand kon nog gered worden door mr. Cazin de Coumartin.

In 1827 begon men met de opbouw van een basiliek, die in 1866 voltooid werd, en die tot op heden te bezoeken is.

Een bedevaartsoord met een rijke geschiedenis. De moeite waard om te bezoeken!

nd-boulogne4

Fragment van de hand van het oorspronkelijke beeld, dat wordt bewaard in een tabernakel in de basiliek.

nd-boulogne2

Kopie van het beeld, dat wordt gebruik voor processies.

 

Bron: http://www.notre-dame-de-boulogne.fr/histoire/

http://www.minboulogne62.fr/archives/2012/01/18/23274090.html

Verschijning van O.L.V. te Pontmain, Frankrijk, 1871

pontmain4

Basiliek van O.L.V van Pontmain.

Frankrijk was in oorlog met Duitsland. Napoleon III had in zelfoverschatting op 19 juli 1870 aan Pruisen een ultimatum gesteld, en zijn land werd onder de voet gelopen, in een minimum van tijd. Op 2 september reeds werd zelfs de keizer met 100.000 man gevangen genomen. De schuld van alle ellende werd gezocht, waar ze niet te vinden was. Onschuldigen moesten het gelag betalen. Ze werden naar het forum gesleept en berecht, tot slachtoffers gemaakt, die door hun offer ten minste voorkwamen, dat het land geheel ten onder zou gaan. In de Hemel zouden ze schadeloos gesteld worden voor hun miskenning in een wereld van ongerechtigheid.

Midden in die verschrikking, in de dagen van 10 tot 12 januari 1871, verscheen er een teken aan de hemel, te Pontmain waargenomen, een plaatsje gelegen in het departement van de Mayenne, een gebied dat zowel aan Normandië als Bretagne grenst, niet het slechtste deel van Frankrijk. Dat teken geleek op noorderlicht, oprijzend in de richting van Bretagne en zich uitstrekkend hoog tot in het zenit, een geweldige gloed, met uitschietende stralen onder een aangrijpende stilte. Een grote wolk dreef langzaam over dit licht, glanzend wit als de sterren, doorschijnend en met goud omrand. Het dorp liep uit, om dit vreemde verschijnsel te zien, verbaasd, zich afvragend wat dit te beduiden had, niet begrijpend dat het de prelude betekende van de komst der Koningin des Hemels, de Toevlucht van die bedrukt zijn en beproefd worden. De verschrikkingen duurden intussen voort, en het is opvallend dat deze merendeels vielen op zondagen, de dagen des Heren, zozeer miskend door het Franse volk, hoewel dit reeds in 1846 door O.L.V. onder tranen was gelaakt (La Salette). Op zondag 29 januari 1871 vallen alle forten van Parijs in Duitse handen.

Intussen sturen Normandië en Bretagne hun smekingen ten Hemel. In de Vendée wordt een kruistocht georganiseerd, opdat Onze Lieve Vrouw de straffende hand van haar Zoon tot bedaren zou brengen. Op 17 januari vragen enkele bewoners van Saint-Brieuc aan de bisschop een gelofte te doen aan het Hart van God, maar Mgr. David stelt voor deze uit te spreken voor O.L.Vrouw-der-Hoop, zozeer in de stad vereerd.

pontmain3

Postkaart met voorstelling van de verschijning van de H. Maagd in Pontmain.

Op de avond van 17 januari had het gesneeuwd; de lucht was nu openen helder, en de sterren stonden te tintelen aan het firmament. Bitter koud was het, vriesweer. Eugène Barbedette, een jongen van 12 jaar, en zijn broertje Joseph, van 10, waren na schooltijd in de schuur met hun vader bezig met het voer voor de beesten, die op stal stonden. Het werk wordt even onderbroken door de komst van Jeanette Detais, de buurvrouw, die het nieuws rondbrengt van de gemobiliseerden aan de Loire, dus ook de peter van Eugène. Vreemd, maar deze voelt zich gedwongen om naar buiten te gaan. Hij ziet het witte landschap, de fonkelende sterrenhemel, en dan, op enkele meters boven het dak van de schuur naast de woning van de overbuurman Guidecoq,… een Verschijning… Eugène blijft als aan de grond genageld, onbeweeglijk staan, volkomen geboeid door de aanblik van dit ongewone beeld, verrukt… Een kwartier staat hij daar in de open deur, zonder iets te voelen pontmain2van de ijzige kou. Dan wil de buurvrouw, die nog altijd met vader Barbedette staat te praten, vertrekken. “Zie Jeanette,” zegt Eugène, “daar boven het huis.” – “Maar jongen, ik zie niets.” – “Ze glimlacht naar me.” Nu komen de vader en het broertje, op die woorden naar buiten. De vader ziet niets. “Zie jij ook niets, Joseph?” – “Ja, ja!, ik zie een schone grote dame in een blauwe jurk, donker blauw, en het blinkt, net als de indigo-ballen van de was.” Het gewaad is een eenvoudige recht afhangende en ruime tuniek bezaaid met gouden sterretjes, de hals omsluitend en reikend tot aan de voeten, zonder plooien, alleen met de natuurlijke golving van de stof. De mouwen zijn ruim en vallen tot aan de handen. In de duistere avond licht de Figuur, als een geheimzinnig licht, onbeweeglijk, fonkelend tegen de fluweel-donkere achtergrond.

Op het hoofd draagt ze een rouwsluier, vastgehouden door een gouden diadeem met een rode band in het midden, afhangend over haar schouders naar achter toe, tot aan haar ceintuur. Aan de voeten draagt ze schoentjes van dezelfde blauwe kleur als het gewaad en versierd met een gouden band. Ze is niet groot, eerder klein; het gelaat van een onvergelijkelijke blanke tint, houdt ze gekeerd naar het oosten, naar de Elzas misschien… Steeds zwijgend houdt ze de armen naar beneden uitgestrekt, een weinig van elkaar, met de palmen open en naar onderen gekeerd, zoals op de wonderdadige medaille. De kinderen, steeds geestdriftig, zeggen nooit zo iets gezien te hebben, zelfs niet op een prentje. “Maar kinderen toch,” zei de vader, “als jullie wat zagen, zouden wij het ook zien. Ga gauw aan het werk, want het avondeten is al klaar.” De kinderen stribbelen niet tegen en gaan naar binnen. Maar de voorzichtige boer zegt nog op de drempel tegen Jeanette: “Zeg er niets van. Niemand zal het geloven en het zou maar opspraak verwekken.” Hiermee schijnt dan de zaak te zijn besloten. Maar na een ogenblik zegt vader Barbedette toch aan Eugène: “Ga eens kijken of het er nog is.” De jongen doet de deur open, kijkt naar buiten en zegt: “Ja, ja, het is er nog precies zoals daarnet.” – “Ga je moeder halen, misschien ziet zij wat.” De moeder komt, maar ziet evenmin wat. Maar Joseph, die meegekomen is, klapt van blijdschap in de handen en roept: “O, wat is dat mooi, mooi!” De moeder geeft de jongen een tik op de arm en zegt wat ruw: “Wil je wel je mond houden. Moet je zien hoe de mensen nu al naar ons kijken!” Maar beide kinderen houden vol: “Ziet u geen mooie grote dame met een blauwe japon?” – “Neen, neen, ik zie helemaal niets.” Toch enigszins ontroerd door de ernst van de kinderen, voegt ze er onmiddellijk aan toe: “Het is misschien de H. Maagd die verschenen is!… Omdat jullie zeggen dat je haar ziet, laten we dan ter harer ere vijf Onze Vaders en vijf Weesgegroeten bidden.”

In en buiten de boerderij werden al direct allerhande vragen gesteld: “Wat is er toch?” – “Wel, niets,” aldus de boer. “Ach, de kinderen… maar wij zagen niets,” zegt de boerin. De kinderen komen binnen en heel de familie bidt nu vijf Onze Vaders en vijf Weesgegroeten. Dan zegt de moeder: “Ga eens kijken of je het nog ziet.” – “Ja, ja,” zeggen de kinderen. “’t Is nog altijd hetzelfde.” Moeder neemt haar bril, veegt die eens goed af en kijkt. Niets te zien. Dan is het voor haar afgelopen en ze zegt ruw: “Hoor je, ’t is voorgoed afgelopen. Jullie zien niets, jullie zijn leugenaars, jullie zien spoken.” – “Kom eten,” zegt vader Barbedette. De kinderen moeten weer naar binnen komen, wat ze ook doen, maar ze lopen achterwaarts om maar niets te missen: “O wat mooi, o wat mooi!” Het is kwart over zes. “Vlug eten,” zegt Eugène, “dan gaan we weer kijken.” – “Moeder, vraag Joseph, “mogen we weer naar de schuur als we gegeten hebben?” – “Welja. Maar je moet toch eerst weer vijf Onze Vaders en vijf Weesgegroeten bidden, als je de Dame ziet, maar niet knielen want ’t is koud, en kom gauw terug.”

Binnen vijf minuten zijn ze terug. “Is de Dame groot,” vraagt de moeder. “Zo groot als zuster Vitaline.” – Ah zuster Vitaline; een idee. “Die zusters zijn heiliger dan wij, zij zullen dus wel wat zien,” zegt de moeder. Zuster Vitaline wordt gehaald… ze ziet niets. Eugène wordt ongeduldig: “Kijk dan toch. Ziet u niets? Daar die drie sterren, net een driehoek?” – “Ja, die zie ik.” – “Nu het hoofd van de Dame is juist in het midden.” Vitaline zegt niets meer en gaat naar huis. Ze ziet daar drie kinderen die zich bij het vuur zitten te warmen, Françoise Richer, 11 jaar, Jeanne Marie Lebossé, 9 en nog één en beveelt hen naar de Victoire – zo wordt vrouw Barbedette genoemd – te gaan, want die zou iets laten zien. Ze lopen naar de schuur en onmiddellijk zeggen die twee: “O, wat een mooie Dame! Ze heeft een blauwe japon aan met gouden sterretjes.” Het derde kind ziet niets. Intussen is zuster Marie-Edouard aangekomen. Ze komt op het idee, nog meer kinderen te gaan halen, en gaat naar moeder Friteau, die een kleinkind verzorgt, en dat inderdaad naar de schuur wordt gebracht. Dan gaat ze ook bij de pastorie aanbellen: “Pastoor, kom toch, er is een wonder… een verschijning… de kinderen zien de H. Maagd.” – “Wat zeg je? Een wonder, een verschijning van de H. Maagd? Maar zusterlief, je doet me schrikken!”

Onbeweeglijk en zonder een besluit te kunnen nemen blijft de pastoor staan, maar de oude huishoudster is kwieker, steekt vlug een lantaarn aan en zegt: “We moeten gaan kijken.” Intussen heeft zuster Vitaline een gebedsactie opgezet voor de menigte die steeds aangroeit. Ze laat de rozenkrans ter ere van de 26 Japanse kinderen bidden – martelaren in 1582 gekruisigd en 8 juni door Pius IX heilig verklaard- een devotie die in heel West-Frankrijk verspreid is. Moeder Friteau komt aan met haar kleinzoon, van 6,5 jaar, goed in een mantel gewikkeld, want het wordt steeds kouder, en ook dat kind ziet de H. Maagd. Dan komt ook de vrouw van de klompenmaker Boitin met haar dochtertje dat nog maar 2,5 jaar is en dat onmiddellijk de handjes naar de hemel uitstrekt en in haar brabbeltaaltje uitroept: “Jezus, Jezus…”, waarmee al van te voren de opwerping, als zou er van een suggestie sprake zijn, is verworpen. De pastoor komt aan en ziet niets. Maar de kinderen geven aan dat er verandering plaatsvindt in de Verschijning.

pontmain

Op het hart verschijnt een rood kruis en rond de Verschijning vormt zich een ovale band van een handbreedte, van hetzelfde blauw als het kleed, op een afstand van zowat een halve meter. Vier kandelaarshoofdjes hechten zich vast aan die band, waarin vier kaarsen steken, die niet zijn aangestoken. Ondertussen bidden de aanwezigen op hun knieën in de sneeuw, de martelaren-rozenkrans. De kinderen zien de gestalte groter worden; het is of de Verschijning nadert, maar de voeten blijven op dezelfde plaats. Als de rozenkrans is afgebeden, is ze tweemaal zo groot geworden. De ster op de top van de driehoek is geleidelijk meer naar boven gegaan. Het ovaal is ook gegroeid en de sterren op het gewaad zijn talrijker geworden. De sterren van de hemel die door de groeiende gestalte worden bedekt, dalen af langs haar lichaam en groeperen zich aan haar voeten, buiten de blauwe cirkel: er zijn er zowat 40. Mgr. Even dacht dat die sterren symbool betekenden voor de Weesgegroeten die door de menigte werden gebeden. Dan heffen allen het Magnificat aan. Nauwelijks is de eerste vers gezongen of de kinderen roepen allen tegelijk: “Kijk eens, kijk eens!” In de lucht ontrolt zich een band zo lang als het dak van het huis, boven het hoofd van de Dame, in de vorm van een rechthoek. Eén voor één verschijnen daarop vergulde letters, om aan de kinderen tijd te gunnen de woorden te spellen: MAIS PRIEZ MES ENFENTS – bidt toch mijn kinderen. De pastoor vraagt om de litanie van Maria te bidden: “We moeten bidden tot Maria, dat zij haar wil aan ons openbaart.” Bijna onmiddellijk daarop kwamen weer letter voor letter: “DIEU VOUS EXAUCERA EN PEU DE TEMPS – God zal u in korte tijd verhoren. Dan verscheen een punt, zoals een zon. De mensen riepen: “Het is voorbij, het is voorbij! De oorlog zal ophouden, we zullen vrede hebben!” – “Ja, zeker,” antwoordde Eugène ernstig, “ja zeker, maar bidden!” De pastoor laat het schone “Inviolata” zingen, en zie, bij de woorden “o zeer geliefde en zeer roemruchte Moeder van Christus” verschijnen er op de band de woorden: MON FILS. Dan zet de menigte het “Salve Regina” in, en verschijnen de woorden: MON FILS SE LAISSE TOUCHER – Mijn Zoon laat zich vermurwen. Een grote gouden streep onderlijnt deze woorden. Dan verdwijnt het opschrift en verandert het gelaat van Maria; een smartelijke trek komt rond haar lippen en een kruis in levendige rode kleuren vertoont zich, een weinig vóór de Verschijning. In donkerder rood verschijnt het Lichaam van haar Zoon, met daarboven: Jezus Christus. Maria heeft het kruis vastgenomen en terwijl ze het kruis lichtjes naar de aarde buigt, laat een ster los van de voetbank en steekt die vier kaarsen binnen het ovaal aan. Een geweldige ontroering grijpt de kinderen en heel de omgeving aan. Dan laat de pastoor de hymne aanheffen: “Ave Maria Stella Maris”, waarop onmiddellijk het kruis verdwijnt en de handen van de Maagd weer de positie innemen zoals op de Wonderdadige Medaille. Ze glimlachte weer, en toen scheen het alsof twee witte kruisjes op de schouders van Maria werden geplaatst. De pastoor nodigt de menigte uit voor het avondgebed waarop een wit doek verschijnt, als afbeelding van het zuivere geweten. Het wordt langzaam omhoog getrokken, maar blijft driemaal stilstaan. Met de sluiting van het avondgebed verdwijnt de Verschijning. “Het is afgelopen,” zeggen de kinderen. De klok slaat negen uur, en allen gaan naar huis.

Pontmain is toen bewaard gebleven voor het krijsgeweld, en op 28 januari werd de wapenstilstand getekend. Ook in de tweede Wereldoorlog werd het stadje op bijzondere wijze gespaard van bombardementen.

In 1872 verklaarde de bisschop van Lavert, Mgr. Wicart, dat “Maria Onbevlekt Ontvangen, op 17 januari werkelijk was verschenen aan Eugène en Joseph Barbedette, Françoise Richer en Jeanne-Marie Lebossé, en gaf toestemming tot de verering van Onze Lieve Vrouw der Hoop, waarmee de grondslag was gelegd voor bedevaarten naar Pontmain, die nog altijd voortduren.

Uit: Verschijningen van Maria in West-Europa 1491-1953 Door Dom. A. Beekman O.S.B.; Stichting Recht zonder onderscheid – Pater Koopman – Nijmegen

De verschijningen te Garabandal: video

garabandal1

Van 1961 tot 1965, niet geheel toevallig tijdens de jaren van het 2de Vaticaans Concilie, verscheen de H. Maagd in een dorpje in het noorden van Spanje: Garabandal. Ook verscheen de H. Aartsengel Michaël enkele malen aan de zieners. De boodschap luidde zoals steeds: gebed, boete en eerherstel.

Moeder Nieves Garcia onthulde eind oktober 2015 welke bijzonderheden de H. Maagd in 1961 in Garabandal had gezegd omtrent de Waarschuwing. Maria vertelde Conchita dat na een belangrijke Synode spoedig de Waarschuwing zou komen. Toen Conchita dit aan haar tante vertelde vroeg ze of ze het had over het Vaticaans Concilie (dat toen bezig was). Ze zei: “Nee, de Maagd sprak niet van een Concilie, maar van een Synode en ik denk dat de Synode een klein concilie is.” Het is onmogelijk voor een 12-jarig meisje om zomaar zonder kennis over een Synode te spreken, dat toen niet bestond (er was geen Synode bezig noch gepland). Moeder Garcia voegde eraan toe dat ze deze informatie verkreeg van vader Rafinel die het hoorde van vader Pesquera die de sommige van de eerste boeken over Garabandal schreef.

Een belangrijke synode kan de Synode over de Familie geweest zijn in 2014 en 2015. Dit zou er dus wel eens op kunnen wijzen dat deze gebeurtenissen niet meer zo veraf zijn.