De H. Vincentius a Paulo

In 1885, op aanvraag van 400 bisschoppen, prelaten en algemene oversten van congregaties werd Sint Vincentius a Paulo door Paus Leo XIII uitgeroepen tot patroon van alle werken van liefdadigheid die in de wereld bestaan en op welke wijze ook aan hem zijn ontsproten. Een juichkreet van geestdriftige instemming ging alom in de harten omhoog, nu de titel van Vader der Armen aan Vincentius door de volksmond toegekend, door het hoogste geestelijk gezag werd bekrachtigd.

Vincentius werd in 1581 geboren uit een Franse boerenfamilie, te Pouy bij Dax (Landes). Zijn uitermate levendige geest trok spoedig de aandacht. De vader had dan ook grootse plannen: de jongen zou priester worden. Ofschoon zeer godsdienstig was vader toch niet vrij van deze menselijke berekening: eenmaal priester en met een beneficie begiftigd, kan Vincent een steun worden voor het gezin. De jongen studeerde, werd priester inderdaad (1600), was vroom, doch ging in zijn streven niet uit boven het middelmatige: een eervolle positie is zijn doelwit. Zijn eerste priesterjaren zijn een tijd van tasten en zoeken, in werkelijkheid een providentiële voorbereiding op zijn grootse zending. Op een zeereis door zeerovers als slaaf naar Tunis weggevoerd, ontsnapt hij na twee jaren met zijn bekende meester (1607), studeert nog enige tijd te Rome en wordt in 1610 aalmoezenier aan het Hof van ex-koningin Margaretha te Parijs. Hier is het vooral dat Vincentius de prikkel der genade voelt: een soort bekering voltrekt zich, zoals men in het leven der heiligen die algehele overgave aan Gods wil pleegt te noemen. Vernederd door laster en pijnlijke bekoringen tegen het geloof, wordt Vincentius door de Voorzienigheid in zijn ware richting geworpen: een leven van onthechting en in dienst der armen, onverdeeld en voor immer. De Bérulle, de latere kardinaal en met Franciscus van Sales de vertegenwoordiger van het zich hernieuwend geestelijk leven in die dagen, man van onweerstaanbare invloed door zijn kennis en deugd, speelt daarbij ook onmiskenbaar een gewichtige rol. In zijn school van totale zelfverloochening legt Vincentius voor goed het “burgerlijke” af om tot in het heldhaftige volop priester te zijn.

Dit blijkt reeds in zijn kort pastoorschap te Clichy (1612), dat blijkt hoe langer hoe mer tijdens zijn twaalfjarig verblijf bij de adellijke familie de Gondi, waar hij eerst als huisleermeester voor de kinderen optreedt, maar al spoedig, en later hoofdzakelijk, wordt hij herder over de 8000 zielen van een arme boerenbevolking die in 40 kleinere en grotere dorpen over de landgoederen van Gondis verspreid zijn; dat blijkt tijdens zijn “vlucht” naar de parochie van Châtilon-les-Dombes, bij Lyon (1617) waar hij de eerste Broederschap van Liefdadigheid opricht. Zeven jaar oefent hij zich dan in het geven van volksmissies (hij had er in januari 1617 de dringende noodzaak van ontdekt te Folleville, bij Amiëns) en in het alom oprichten en steeds doelmatiger organiseren van de Broederschap der Liefdadigheid, twee werken waaruit ongemerkt hoofdstichtingen ontkiemen: De Congregatie der Missie (Lazaristen) in 1625 en in samenwerking met Louise de Marillac, weduwe Le Gras, het gezelschap van de Dochters van Liefde in 1633, stichtingen die hij beide nog meer dan een kwart eeuw leidt en degelijk grondvest, altijd in dezelfde richting: het bevorderen van het geestelijk en tijdelijk welzijn van de naaste. Met zijn priesters wil hij de zielen op het platteland bewerken en om de verkregen resultaten niet te laten verloren gaan, helpt hij gestadig mee aan de vorming van een goede seculiere clerus in seminaries; de opgewekte ijver onderhoudt hij dor het populariseren van de Ignatiaanse geestelijke oefeningen (in verkorte vorm) voor geestelijken en leken, door de dinsdagse, dus wekelijkse conferenties voor geestelijken, en alhoewel met tegenzin voor de hoogste post, doch met alle toewijding voor het welzijn van de kerk, neemt hij zelf plaats in de koninklijke Raad voor de benoeming van Bisschoppen (1642-52). Met zijn Zusters ook in samenwerking met zijn priesters, en met de Dames der Liefdadigheid, ontfermt hij zich over zieken, galeislaven, bedelaars, vondelingen; geen werk van naastenliefde of zijn raad en zijn steun wordt ingeroepen. En in de jaren 1639-40 en 1650-52 reikt hij de helpende hand aan de talloze slachtoffers van de oorlog in Lotharingen, in Picardië, in Champagne, te Parijs. Vanaf 1646 verrichten zijn missionarissen ook echt “buitenlands missiewerk” in Algiers en Tunis, op het eiland Madagascar, in het vervolgde Ierland en Schotland. Bij het opkomend Jansenisme (soort ketterij) staat hij pal op de bres… en er zou nog zoveel kunnen worden opgesomd. Hoe is dit wonderbaar leven te verklaren? Door Vincentius’ geloof dat heel zijn wezen doordringt en dat hem God in de mens en de mens in God doet zien. Geloof van huis uit zo eenvoudig en steeds eenvoudig en nederig gebleven.

Voorzeker beschikt de heilige over veel natuurlijke gaven, hem door de Voorzienigheid geschonken met het oog op zijn zending. De genade immers verwoest niet, bouwt niet naast of tegen het oorspronkelijk gegevene. Vincentius is een schrandere geest, heeft de werkelijkheidszin en het kloek oordeel van de leider. En Richelieu aarzelt niet hem te raadplegen. Wat heeft Vincentius een medelijdend hart! Het menselijk leed ontroert hem tot in het diepst van zijn ziel. Werkelijk een Paulus-hart! En helaas, de tijdsomstandigheden, een bijna onafgebroken oorlog met zijn nasleep van onbeschrijfelijke lichamelijke en geestelijke ellende, waren er wel naar om dat hart te doen bloeden. Niemand ook slaagt er in zoals hij – het is een gave- de zo vruchtbare medewerking van de vrouw te winnen en te bestendigen voor zijn arbeid, en dat in de meest invloedrijke kringen. Denk hier aan hertogin d’ Aiguillon, nicht van de minister en kardinaal Richelieu, meer verheven nog door haar zielenadel, aan Presidente de Goussault, eerste voorzitster der Dames van Liefdadigheid, aan Louse de Marillac vooral. Bij de eerste ontmoeting ziet Vincentius reeds dat zij tot grote dingen in staat is. Zij werd op 11 maart 1934 heilig verklaard.

Maar die rijke natuur brengt geen volledige verklaring. Vincentius’ geloof is het juist dat deze natuurlijke gaven vruchtbaar heeft gemaakt, zijn geloof dat hem onwankelbaar vertrouwen inboezemt in de goddelijke voorzienigheid. In het licht van zijn geloof ziet hij, hoe goed doen een element moet zijn van de godsdienst zowel als de geloofswaarheden die moeten worden voorgehouden. Zijn geloof baart hem het mensgeworden Woord als de onuitsprekelijke uiting van Gods liefde. Zijn levend geloof dat liefde wordt, boeit hem aan de Gekruisigde en aan diens lijdende ledematen – de armen, de misdeelden. Schakel Christus uit dat leven en we houden een Vincentius over die nimmer bestond. Niet de beeltenis, hoe populair ook een aantrekkelijk, van Vincentius met een kind op de armen en een ander naast zich, half weggedoken in de plooien van zijn mantel, is de juiste weergave van de hele Vincentius, maar wel deze minder bekende: de eenvoudige priester met de breedgerande hoed onder de arm, als iemand die steeds bereid is te gaan, en in de hand een kruisbeeld waarop hij liefdevol zijn ogen laat rusten. Ziedaar de diepste, ware Vincentius! Want op Christus blijven zijn ogen en geest onafwendbaar gericht in al zijn doen en laten, als op de Meester van wiens geest hij zich moet doordringen. Daarom zijn de uitspraken van het Evangelie lichtbakens op zijn levensweg. Men heeft opgemerkt, hoe hij bij het lezen van het Evangelie onder de H. Mis, Jezus’ eigen woorden beginnend met “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u”, spatieerde als om ze vollediger te maken. “De leerstellingen van het Evangelie, zo schrijft hij, bedriegen nooit; zij werpen te gelegener tijd haar vruchten af; wat niet volgens die leerstellingen is, is ijdel; mislukking oogst al wie handelt volgens de tegenovergestelde beginselen. Ziedaar mijn geloof, ziedaar mijn ervaring.”

Zeer terecht is van hem getuigd: “Men zou uit Vincentius’ brieven en toespraken een reeks van pittige en soms verrassende uitlatingen kunnen verzamelen tot een boekje dat de titel draagt “Navolging van Christus volgens Sint Vincentius a Paulo”. Aan de horizont van Vincentius rijst immer de goddelijke figuur van Christus. Tijdstip voor tijdstip, men zou haast kunnen zeggen, minuut voor minuut doorvorste hij Jezus’ leven om er de gedragslijnen uit op te diepen.”

Werker en leider blijft hij tot aan zijn laatste ademtocht. Zijn dadendrang schijnt ontheven geweest aan de uitwendige omstandigheden van ziekte en pijn, die over het algemeen op de kloekste karakters zoveel invloed hebben. Hij, Vincentius, die eens schreef: “de dood die ons aantreft met de wapenen in de hand, is de roemrijkste en begerenswaardigste,” wenst tot in het aangezicht van de dood op de hoogte te worden gehouden van de lopende bestuurszaken, oordeelt en beslist… In het stervensuur (27 september 1660) fluistert hem een priester de woorden toe: “Ik geloof in God de Vader.” – Hij antwoordt: “Ik geloof.” “Ik geloof in Jezus Christus.” – “Ik geloof.” – “Ik geloof in de H. Geest.” – “Ik geloof.” Na ieder “Ik geloof” drukt de stervende de lippen op het kruisbeeld dat zijn handen omklemmen. Is er een ontroerender tafereel, waardiger bekroning, treffender samenvatting an dat zo vruchtbaar leven: een wonder van geloof en van liefde.

 

Bron: Met de heiligen het jaar rond, deel III, Uitgeverij Paul Brandt, Bussum, 1949

23 september: Sterfdag en Feest van de H. Pater Pio

Pater Pio van Pietrelcina, geboren Francesco Forgione, spirituele erfgenaam van Sint‑Franciscus van Assisi, was de eerste priester die op zijn lichaam de stigmata van de kruisiging vertoonde. Reeds bij leven gekend als “gestigmatiseerde broeder” zette pater Pio, aan wie de Heer bijzondere bovennatuurlijke gaven had geschonken, zich totaal in voor het heil van de zielen. Tot op de dag van vandaag bereiken ons zeer talrijke getuigenissen van de “heiligheid” van de kloosterling, vergezeld van dankbetuigingen. Zijn providentiële voorspraak bij God bewerkte voor velen genezing van lichaam en geest.

Pater Pio van Pietrelcina, alias Francesco Forgione, werd op 25 mei 1887 geboren in Pietrelcina, een dorpje in de streek van Benevento. Hij kwam ter wereld in een huis van arme mensen waar vader Grazio Forgione en moeder Maria Giuseppa Di Nunzio reeds andere kinderen hadden verwelkomd.

Vanaf zijn prilste jeugd voelde Francesco het verlangen om zich totaal aan God te wijden en dit verlangen maakte hem verschillend van zijn leeftijdgenoten. Dit “verschil” was voorwerp van opmerkingen vanwege familieleden en vrienden. Moeder Peppa vertelde:

“Hij beging geen enkele nalatigheid, geen enkel vergrijp, was niet lastig, gehoorzaamde altijd aan mij en aan zijn vader, elke morgen en elke avond ging hij naar de kerk om Jezus en Maria te bezoeken. Van de ganse dag ging hij nooit naar buiten met kameraden. Ik zei hem eens: ‘Francì, ga eens wat buiten spelen.’ Hij weigerde door te zeggen: ‘Ik wil er niet naartoe gaan omdat ze vloeken.'”

Uit het dagboek van pater Agostino van San Marco in Lamis, een van de geestelijke leiders van pater Pio, kwam men te weten dat pater Pio vanaf 1892, toen hij nog maar vijf jaar was, reeds zijn eerste mystieke ervaringen had. Extases en verschijningen waren zó talrijk dat het kind ze volkomen normaal vond.

Mettertijd kon Francesco’s grootste droom verwezenlijkt worden, nl. zijn leven totaal aan de Heer wijden. Op 6 januari 1903, toen hij zestien jaar was, trad hij als postulant binnen in de orde van de kapucijnen en werd priester gewijd in de kathedraal van Benevento op 10 augustus 1910. Wegens zijn precaire gezondheidstoestand begon zijn priesterleven aanvankelijk in verschillende kloosters van de streek van Benevento waar Pio door zijn oversten naartoe gestuurd werd om er zijn genezing te bevorderen. Vanaf 4 september 1916 tot aan zijn dood op 23 september 1968 verbleef hij, behalve tijdens een paar kleine onderbrekingen, altijd in het klooster van San Giovanni Rotondo aan de Gargano.

In deze lange periode waarin geen belangrijke gebeurtenissen de kloosterstilte verstoorden, begon pater Pio heel vroeg aan zijn dag. Vóór dag en dauw begon hij met het gebed ter voorbereiding van de eucharistieviering. Daarna ging hij naar de kerk voor deze eucharistieviering waarna een lange dankzegging volgde, een gebed op de galerij vóór het Heilig Sacrament en tenslotte een langdurige belijdenis.

Een van de gebeurtenissen die het leven van de pater grondig tekenden deed zich voor in de ochtend van 20 september 1918, toen hij biddend vóór het kruisbeeld in het koor van het oude kerkje de gave van de zichtbare stigmata ontving die open, vers en bloedend bleven gedurende een halve eeuw. Dit uitzonderlijke fenomeen wekte de aandacht van artsen, geleerden en journalisten maar vooral van het gewone volk dat in de loop van zoveel decennia zich naar San Giovanni Rotonde begaf om er de “heilige” kloosterling te ontmoeten.

In een brief van 22 oktober 1918 aan pater Benedetto vertelt pater Pio over zijn “kruisiging” het volgende:

“… wat zal ik jullie vertellen over wat jullie me vragen, nl. hoe mijn kruisiging zich heeft voorgedaan? Mijn God, wat een verwarring en wat een vernedering voel ik als ik moet duidelijk maken wat U in mij, uw zielig schepsel hebt verricht! Het was de ochtend van de twintigste van vorige maand (september) in het koor, na de eucharistieviering, toen ik overvallen werd door een gevoel van rust, net zoals een vredige slaap. Alle inwendige en uitwendige zintuigen en ook mijn geestelijke vermogens bevonden zich in een onbeschrijflijke toestand van rust. Rond mij en binnenin mij was er totale stilte; er volgde op het gevoel van gemis aan alles plots een grote vrede en overgave en dan een terugkomen in dezelfde chaos; dit alles gebeurde in een flits. En terwijl dit alles gebeurde zag ik vóór mij een raadselachtig personage zoals dat wat ik gezien had op de avond van de 5e augustus en dat er enkel van verschilde doordat de handen, de voeten en de borst druipten van het bloed. Zijn gezicht joeg me de stuipen op het lijf; wat ik op dat ogenblik in mij voelde zou ik jullie niet kunnen zeggen. Ik voelde me sterven en ik zou inderdaad gestorven zijn indien de Heer niet had ingegrepen om mijn hart te ondersteunen: zó voelde ik het uit mijn borst springen. Het personage trok zich terug en ik stelde vast dat mijn handen, mijn voeten en mijn borstkas doorboord waren en bloedden. Stel jullie de kwelling voor die ik toen ervoer en die ik bijna alle dagen zal ervaren. Uit de wonde van het hart spuit er constant bloed vooral van donderdagavond tot zaterdag. Vader, ik sterf van de pijn, door de kwelling en de daarop volgende verwarring die ik voel in het binnenste van mijn ziel. Ik vrees dat ik ga doodbloeden indien de Heer niet naar het gekreun van mijn arm hart luistert en deze verschijnselen niet van mij wegneemt…”

Doorheen de jaren komen de gelovigen dus vanuit alle delen van de wereld naar deze gestigmatiseerde priester om zijn machtige voorspraak bij God te verkrijgen.

Na vijftig jaar leven in gebed, nederigheid, lijden en opoffering om zijn liefde te verwerkelijken, realiseerde pater Pio twee initiatieven in twee richtingen: een verticale naar God met de oprichting van “gebedsgroepen” en een horizontale naar de broeders met de bouw van een modern ziekenhuis: “Casa Sollievo della Sofferenza” (Huis “Verlichting van het lijden”).

In september van het jaar 1968 kwamen duizenden vromen en geesteskinderen van de pater naar het trefpunt in San Giovanni Rotondo om samen de 50e verjaardag van de stigmata te herdenken en het vierde internationaal congres van de gebedsgroepen bij te wonen.

Niemand kon echter vermoeden dat op 23 september 1968 om 2.30 u het aardse leven van pater Pio van Pietrelcina een einde zou nemen.

Pater Pio had verschillende gaven: zo kreeg hij bijna dagelijks verschijningen van Jezus en de H. Maagd, was hij voortdurend bezig met de engelbewaarders van zijn geestelijke kinderen en had hij de gave van bilocatie. Een greep uit de verhalen:

Bilocatie

Mevrouw Maria was een geesteskind van pater Pio. Op een avond sluimert Maria’s broer in, terwijl hij aan het bidden is. Plots voelt hij een klap op zijn rechterwang. Volgens het geluid dat de klap maakte, had hij de indruk dat de hand die hem geslagen had, gehandschoend was. Hij dacht onmiddellijk aan pater Pio. ’s Anderendaags vroeg hij aan pater Pio of hij hem geslagen had. Die antwoordde: “Slaap je terwijl je bidt?”. Het was dus pater Pio, die de aandacht van de man wou trekken onder een vorm van bilocatie.

Een gepensioneerde legerofficier kwam op een dag de sacristie binnen. Hij ziet pater Pio en zegt: “U bent het werkelijk, alle twijfel is uitgesloten”. Hij kwam dichter, knielde voor pater Pio en weende, terwijl hij zei: “Dank U pater omdat U mijn leven heeft gered”. Daarna vertelde de man aan de aanwezigen: “Ik was infanteriekapitein. Op een dag zag ik midden op het slagveld in volle strijd een monnik met een bleek gezicht en expressieve ogen, die me zei: ‘Mijnheer de kapitein, ga weg van hier!’. Ik ging op hem af en alvorens ik bij hem was, ontplofte een granaat vlak op de plek waar ik tevoren stond en liet een gapende afgrond achter. Ik keerde me naar de monnik, maar hij was verdwenen”. Pater Pio had hem in bilocatie het leven gered.

Priester Alberto, die pater Pio in 1917 leerde kennen, vertelde: “Ik zag pater Pio onbeweeglijk aan het venster zitten, terwijl hij naar de bergen keek. Ik kwam nader om hem de hand te kussen, maar hij deed alsof hij me niet zag en zijn hand leek me verstijfd. Dan hoorde ik hem duidelijk de absolutieformule uitspreken. Even later leek hij te ontwaken uit een slaap, zag me en zei: “Bent u hier? Ik had u niet gezien”. Enkele dagen later kwam een telegram uit Torino aan voor onze overste. Daarin werd hij bedankt om pater Pio naar het sterfbed te zenden. Toen begrepen we dat de zieke gestorven was op hetzelfde moment dat pater Pio de absolutiewoorden te San Giovanni Rotondo had uitgesproken. Onze overste had hem natuurlijk niet naar de stervende gestuurd, maar pater Pio was er in bilocatie.

In 1946 kwam er een Amerikaanse familie uit Philadelphia naar San Giovanni Rotondo om pater Pio te bedanken. Hun zoon was immers tijdens de Tweede Wereldoorlog piloot van bommenwerpers en hij was gespaard gebleven boven de Stille Oceaan dank zij pater Pio. Toen hij zich klaarmaakte om na een bombardement terug te keren naar het eilandje waar hij was gevestigd, werd hij geraakt door Japanse jachtvliegtuigen. De piloot vertelde: “Het vliegtuig stortte neer en ontplofte nog voor dat mijn bemanning de tijd had om met hun parachute te springen. Ik kon wel springen, ook al herinner ik me niet hoe. Ik probeerde mijn parachute te openen zonder succes. Ik zou dodelijk zijn neergestort, als ik geen gebaarde monnik had gezien, die me zachtjes neer plaatste bij de ingang van mijn commandopost. U kunt zich de verwondering indenken toen ik mijn relaas deed, maar precies het feit dat ik gezond en gered was bracht iedereen tot geloof. Enkele dagen later was ik met verlof en keerde naar huis terug. Toen toonde mijn moeder mij een foto van pater Pio, aan wie ze mijn bescherming had toevertrouwd. Ik herkende onmiddellijk de monnik die mij het leven had gered”.

Engelbewaarder

Een Italiaanse Amerikaan die in Californië woonde gaf aan zijn engelbewaarder dikwijls de opdracht allerlei boodschappen over te brengen aan Pater Pio. Op een dag, na de biecht, vroeg hij aan Pater Pio of hij echt hoorde wat zijn engel hem zie. “Wat, antwoordde Pater Pio, meen je dat ik doof ben?” Pater Pio zei dat hij de laatste dagen zijn engelbewaarder had leren kennen.

Pater Lin vertelde dat hij zijn engelbewaarder bad, om met de tussenkomst van Pater Pio een gunst te bekomen voor een dame die zeer ziek was. Daar het de priester Lin voor kwam dat de zieke niet beter werd, zei hij aan Pater Pio: “Ik heb tot mijn engelbewaarder gebeden, zoals deze dame mij gevraagd heeft te doen; is het mogelijk dat de engel niets gedaan heeft?” Pater Pio antwoordde: “Geloof je dat de engel even ongehoorzaam is als jij en ik?”

Op zijn beurt vertelde pater Eusebio dat hij naar Londen gevlogen was tegen de zin van Pater Pio. Welnu, het ogenblik dat het vliegtuig het Kanaal overvloog brak een hevig onweer los. Doodsbang sprak pater Eusebio een akte van berouw uit, en totaal ontdaan, zond hij zijn engelbewaarder naar Pater Pio. Van zodra pater Eusebio terug thuiskwam in San Giovanni Rotondo, ging hij bij Pater Pio, die hem vroeg of hij een goede reis had gehad. Pater Eusebio antwoordde hem: “Vader, Ik ben aan de dood ontsnapt.” – “Wel, waarom gehoorzaamt u niet?” – “Maar ik heb u mijn engelbewaarder toegestuurd…” – “Gelukkig is hij op tijd gekomen!”, gaf Pater Pio hierop ten antwoord.

Een advocaat uit Fano (Italië) keerde naar Boulogne terug aan het stuur van zijn Fiat 1100, in het gezelschap van zijn vrouw en twee zonen. Erg vermoeid, had hij zich liever ontheven gezien van zijn taak als bestuurder, maar zijn oudste zoon sliep. Enkele kilometers verder, in de buurt van de afrit van Saint-Lazare, viel de advocaat in slaap. Op twee kilometers van Imola, schrok hij wakker en riep uit: “Wie heeft het stuur overgenomen? Wat gebeurt er?”FOTO10.jpg (4634 byte) Zij antwoorden in koor: “.”Niets” Zijn zoon die het dichtst bij hem zat werd wakker en verklaarde geslapen te hebben. Zijn echtgenote en zijn jongste zoon verklaarden verbijsterd dat hij een eigenaardige manier van rijden aan de dag legde en rakelings andere auto’s kruiste maar op het laatste moment hen ontweekt door volmaakte stuurbewegingen. De manier waarmee hij bochten nam scheen hen ook verschillend te zijn geweest. Zijn echtgenote zei hem: “Wat ons vooral opviel is dat je lang onbeweeglijk bleef en je geen antwoord gaf op onze vragen.” De man verklaarde: “Ik kon jullie vragen niet beantwoorden: ik was in slaap gevallen. Ik heb gedurende vijftien kilometers geslapen. Ik heb niets gezien, niets gehoord… Maar wie heeft dan de auto in handen genomen? Wie heeft ons voor een ongeval behoed?” Twee maanden later ging de advocaat naar San Giovanni Rotondo. Toen Pater Pio hem zag, legde hij zijn hand op de schouder en zei: “Je sliep en het is je engelbewaarder die het stuur in handen heeft genomen.”

***

Hieronder nog het laatste stuk van de zeer mooie film over Pater Pio (de scène waarin hij sterft):

Film over het leven van de Heilige Augustinus

Deze film toont het verhaal van de bekering van Augustinus. Hij was door de Romeinen naar Carthago gezonden en leidde een losbandig en goddeloos leven en twijfelde over het ware geloof, totdat hij op een gegeven moment een kinderlijke stem hoort die hem zegt de H. Schrift te lezen. De Bijbel opent bij de brief van de H. Paulus aan de Romeinen, hoofdstuk 13, vers 13-14:

Laten wij ons behoorlijk gedragen, als op klaarlichte dag, en ons onthouden van braspartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd. Bekleedt u met de Heer Jezus Christus, en koestert geen zondige begeerten meer.

Augustinus wordt hierdoor zo geraakt dat hij zich volledig bekeert. Hij laat in de paasnacht van het jaar 387 zich dopen en vier jaar later wordt hij priester gewijd. Nog eens vier jaar later wordt hij bisschop. Hij heeft tijdens zijn ambt als bisschop vele boeken geschreven en is uitgeroepen tot Kerkleraar.

De H. Juliana van Cornillon en het ontstaan van Sacramentsdag

Vandaag, donderdag 15 juni, is het Sacramentsdag. Deze feestdag valt steeds op de 2de donderdag na het hoogfeest van Pinksteren. Het ontstaan van deze feestdag is terug te brengen naar Luik, in het jaar 1246, toen Juliana van Cornillon er met Gods hulp in sloeg om de bisschop te overtuigen dit feest in te stellen in zijn bisdom.

De geschiedenis begint als volgt. Henricus en Frescendis van Retinne, Luik, waren kinderloos. Ze baden en lieten bidden; zij deelden aalmoezen uit; zij steunden de godgewijde maagden, die zich in het bisdom zeer talrijk toelegden op een leven van evangelische volmaaktheid en die “begijnen” werden genoemd. En God verhoorde hen. Hij schonk hun twee dochtertjes, Agnes, en in 1193 Juliana. Vijf jaar later waren de ouders reeds overleden en de kinderen werden toevertrouwd aan de zusters van Berg Cornillon; hier hadden kort tevoren de Luikenaars een huis gesticht voor de verpleging van melaatsen, met een afdeling en een klooster voor mannen en een ander voor vrouwen, onder de hogere leiding van de prior der mannen. Op een nabijgelegen hoeve leidde zuster Sapientia met vaste hand de eerste schreden van beide kinderen in de dienst des Heren. Zij onderrichtte ze ook in het lezen en in de eerste beginselen van de taal der Kerk. Zij was een strenge meesteres, die de minste ook godvruchtige grillen van haar leerlingen streng beteugelde.

In haar drang naar nederigheid wilde Juliana in de laagste werken aan de hoeve delen. Zo melkte zij zelfs de koeien, die haar wel eens tegen de grond stieten of op een mesthoop slingerden. Van de handenarbeid rustte zij uit in het gebed en de lezing van de H. Schrift. Zij vond een bijzonder behagen in de werken van de H. Augustinus en van de H. Bernardus: want wie had ooit zo heerlijk gezongen van de liefde van de Bruidegom voor zijn Bruid, de ziel? Reeds toen was haar grootste vreugde de H. Mis te mogen bijwonen en haar grootste droefheid dit niet dagelijks te kunnen. Om haar vurig verlangen naar het Lichaam en Bloed van Christus enigszins tegemoet te komen, had Sapientia aan de hoeve een kapel laten oprichten, waar Juliana haar Beminde vrij bezoeken en vereren kon. Maar op de dagen dat zij Hem ontvangen mocht in de H. Communie – en die waren toch zo zeldzaam! – bleef ze als buiten zichzelf in de aanbidding van de Bruidegom. Dan zou zij een week lang hebben gewalgd van alle nutteloze omgang met de mensen; dan zou zij een maand hebben gevast in de sterkte van dit Brood; en zij verwonderde zich erover, dat niet allen deden zoals zij. Dan werd ze overstroomd met Gods zegeningen en genadegaven.

Eens- ze kon toen ongeveer zestien jaar geweest zijn – had zij een wonderbaar visioen: zij zag de helder schijnende maan, met een keep in de rand. Waar zij zich voortaan ook wendde, het visioen vergezelde haar. Begaf zij zich tot het gebed of de heilige lezing, dan stond het vóór haar, als een altijddurende obsessie. En zij smeekte Christus dat Hij er haar van zou verlossen, of haar verklaren wat het betekende. Na twee jaren openbaarde de Heer haar zijn bedoeling: de helder schijnende maan was het beeld van de Kerk; de keep betekende dat er in de liturgische kringloop nog één feest ontbrak, ter ere van het Allerheiligste Sacrament van zijn Lichaam en Bloed. En gaf haar de opdracht de instelling van zulk een feest over de Kerk te bevorderen. Hoogst verbaasd en zich haar onmacht bewust, antwoordde Juliana: “Heer, laat mij, en vertrouw zulk een taak aan heilige en geleerde priesters!” Maar Hij antwoordde: “Door u en door eenvoudigen en zwakken als gij wil Ik dit werk voltooien.” Lang nog twijfelde Juliana. Hoe zou zij die verheven zending ooit tot een goed einde voeren? Wie kon zij het geheim van haar hart toevertrouwen? Waar zou zij steun vinden?

De H. Juliana van Cornillon, bijgenaamd “Juliana van Luik”, wordt net zoals de H. Clara van Assisi, steeds afgebeeld met een monstrans.

Intussen had zij zich bij de zusters van het klooster aangesloten. In die maagdelijke tuin bloeide nu Juliana op: daar spreidde zij de weelderige bloesems van haar rijke deugden uit; de geur van haar heiligheid vervulde weldra de ganse omgeving. Haar vrienden en vriendinnen uit de mystieke beweging bewaarden als een blijde herinnering of tekenden voor het nageslacht op wat zij van haar zagen of vernamen: van haar strenge boet boetplegingen, van haar eenvoud en nederigheid, van haar onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, van haar zo gezellige en beminnelijke omgang, van haar wonderbaar geduld en haar grote liefde in de verpleging van de walgelijkste ziekten; hoe ze steeds als in beschouwing verzonken scheen, en hoe ze Gods heiligen vereerde, de vrienden van haar Bruidegom, maar boven al zijn heilige Moeder Maria. Om het mysterie der Menswording bewoog zich geheel haar geestelijk leven, in de kringloop van het kerkelijk jaar. Bij het Ave, dat ze herhaaldelijk in de loop van de dag te bidden placht, voegde zij de woorden van Maria: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord”, omdat daardoor, zegde zij, de Menswording voltrokken werd. Negenmaal zong zij met Maria het lied van haar dank: het Magnificat. Voornamelijk de herinnering aan het lijden van haar Beminde vervulde haar hart met liefde, bewoog haar tot tranen en deed haar vallen in bezwijming. Drie dingen hadden de krachten van haar lichaam ondermijnd: het werk te Bovaria, meer nog de gestadige beschouwing van het lijden van haar Bruidegom, maar vooral de drang van haar liefde.

De bestendige en voortdurende vertegenwoordiging van de Menswording en van het lijden was het H. Misoffer en de H. Eucharistie. En nu was zij uitverkozen, om een feest ter verheerlijking van dit Allerheiligste Sacrament in de Kerk in te voeren. Twintig jaar reeds droeg zij het geheim van haar zending, tot ze er eens toe kwam het aan haar meest vertrouwde vriendin, de kluizenares Eva, te openbaren. Eindelijk bezweken de laatste opwerpingen van Juliana’s nederigheid. Zij deelde de wens van Christus mee aan een geleerde en heilige kanunnik van St. Maarten, Joannes van Lausenne, en verzocht hem er over met andere geleerde en heilige priesters te beraadslagen, zonder haar naam te vermelden. Joannes van Lausenne sprak er over met de aartsbisschop van het bisdom, Jacobus Pantaleon. En nu begon het onderzoek. Hugo de St. Caro, Provinciaal Overste der Dominicanen, Guiardus, Bisschop van Kamerijk, allerlei theologen, tot de faculteit van Parijs toe, werden geraadpleegd. Juliana bidt en laat bidden; ze gaat op bedevaart naar Keulen om er de apostelen Petrus en Andreis met de heilige maagden te vereren; naar O.L.Vrouw van Tongeren en naar de H. Servatius. Tot eindelijk bisschop Robertus in 1246 het feest voor zijn bisdom invoert en Hugo de St. Caro, nu kardinaal geworden, op een visitatiereis, het bevestigde.

Maar tot het welslagen van zulk een onderneming, zou Juliana ook door zware beproevingen moeten bijdragen. De laatste jaren van haar leven waren jaren van harde strijd en veel lijden. Na Sapientia was zij, ondanks haar jeugdige leeftijd, omstreeks 1230 tot priorin verkozen. En jaren reeds stichtte zij de zusters door haar heiligheid, tot een nieuwe prior van de mannenafdeling tegen haar optrad. Zij was een droomster, een schijnheilige! Gesteund door de geheime oppositie tegen het feest, maakte hij het verblijf van Juliana in haar klooster onmogelijk. Zij vluchtte en haar zusters met haar. Een tijd lang boden Eva in haar kluis en Joannes van Lausenne haar een onderkomen in de stad. De bisschop sloeg de prior in de ban en richtte zelf voor Juliana een nieuw bidhuis in. Doch na de dood van Robertus, onder zijn onwaardige opvolger, ontbrandde de tegenstand in openlijke vijandschap. Juliana moest omzwerven van klooster tot klooster, tot ze eindelijk te Namen aankwam, waar de arme begijnen haar eerst opnamen en waar ze tenslotte in de abdij van Salzinnes voor enige tijd een veilig onderkomen vond. Maar ook hier duurde de rust niet lang. De burgers van Namen, tegen hun gravin in woede ontvlamd, omdat zij zich door de abdis liet leiden, bestookte de abdij en zetten haar in brand. En weer moest Juliana vluchten. Te Fosse werd haar en haar trouwe zusters een kluis ter beschikking gesteld. Maar zó uitgeput waren nu al haar krachten, dat ze nog nauwelijks van het bed kon opstaan. Haar ziekte was één vervoering van gebed. Op de hoogdag van Pasen liet ze zich nog naar de kerk brengen, ontving er een laatste maal de H. Communie, woonde er de kerkelijke diensten bij, tot de avond. Op de volgende vrijdag, om negen uur, ontsliep zij in de armen van haar Bruidegom: de 5de april 1257 in het 66ste levensjaar. De volgende zondag werd zij, volgens haar verlangen, in de abdij van Villers, in Zuid-Brabant, bijgezet.

In 1264 werd door de vroeger aartsdiaken, nu paus geworden als Urbanus IV, het feest van het Allerheiligste Lichaam van Christus voor geheel de Kerk ingesteld.

Een Sacramentsprocessie in Frankrijk.

Bron: Met de heiligen het jaar rond, deel II, Uitgeverij Paul Brandt, Bussum, 1949

Uit het leven van de Zalige Pater Valentinus Paquay (het heilig paterke van Hasselt)

20031109_paquay

Zijn godsvrucht tot Maria

Men kan niet berekenen hoe dikwijls pater Valentinus in een uur of op een dag de woorden “Ave Maria” uitsprak. Het miraculeuze beeld van de H. Maagd, Virga Jesse, dagtekent uit de veertiende eeuw. De Minderbroeders verrichtten de heilige diensten in de kapel waar dit wonderbeeld berustte. In die kapel heeft pater Valentinus meer dan veertig jaar gebeden en gewerkt. Menigmaal heeft broeder koster hem achter het hoogaltaar, waar de Virga Jesse geplaatst is, op zijn knieën heen en weer zien kruipen. Op een avond trof men de heilige kloosterling neergeknield voor het beeld. Hij verkeerde in de waan, dat hij alleen was, en men hoorde hem steeds halfluid herhalen: “Maria, gij zijt mijn Moeder. Gij moet mij die genade verlenen. Gij kunt ze mij niet weigeren.”

Wanneer hij door de Kapelstraat trok, ging hij zeker de oude paterskerk binnen, om er te bidden voor het zo vertrouwde beeld. Hij ging voorbij geen beeld van Maria of hij groette eerbiedig met het hoofd en sprak: “Ave Maria”. Bij het bezoek aan zijn geboortestad ging hij altijd in de hoofdkerk neerknielen voor het Onze-Lieve-Vrouwebeeld. In Mechelen begaf hij zich steeds naar Onze Lieve Vrouw van Hanswijk. Tijdens zijn verblijf in het ooglijdersgesticht van Gent ondernam hij dikwijls vroeg in de ochtend een bedevaart naar Oostakker. Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel genoot nochtans zijn voorkeur. Tijdens een reis met de trein keek hij, zolang het kon, naar de toren van de kerk. Hij vereerde Zijn Hemelse Moeder met een titel die men bij uitnemendheid franciscaans kan noemen: Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Steeds droeg hij een medaille van O.L.V. Onbevlekt. Hij had eigenhandig zijn naam opgeschreven in het broederschap van O.L.Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Tijdens de laatste jaren van zijn leven sprak men soms over zijn aanstaande gouden jubileum als priester. Dan antwoordde hij: “Och kindje, daar is voor mij maar één jubelfeest meer, namelijk dat van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Als ik dat kan meevieren, ben ik gelukkig genoeg.”

Op zekere dag was de vrome kloosterling bij een priester geherbergd. ’s Avonds bemerkte hij een beeldje van Onze Lieve Vrouw op de schouw en vroeg hij of hij het mee naar boven mocht nemen. De priester stemde ermee in, maar vroeg: “Ja, pater, maar wees voorzichtig, want het is niet van mij.” Zoals een kind een kostbare pop zou dragen, zo nam hij het beeld in zijn handen, hief het tot aan zijn ogen, bad en sprak met het beeld en ’s morgens bracht hij het op dezelfde wijze naar beneden.

Toen iemand hem eens vroeg wat het beste rustende gebed is zei hij: “Het rustende gebed? Het beste rustende gebed is nog dit”, en hij wees naar zijn rozenkrans.

Het lezen van zielen en voorspellen van de levensstaat

Een heer uit Luik die sinds enkele tijd de sacramenten verwaarloosde, was in betrekking met een familie die vaak over het heilig Paterke sprak. Vaak weerklonk de stem van de genade, maar menselijk opzicht of één of andere reden weerhield hem van zijn plan. Zo verliepen 14 jaren. De man was van plan om te huwen: dat was een geschikte gelegenheid om zich naar Hasselt te begeven. Zo gezegd, zo gedaan. Pater Valentinus schoof het deurtje open en vroeg zonder enige andere inleiding: “Waarom zijt ge niet eerder gekomen, kindje? Gij hebt reeds 14 jaar lang willen komen en hebt het altijd uitgesteld.” Getroffen door zulke onverwachte woorden sprak de man een rouwmoedige biecht en vroeg het nodige biechtbriefje. Zonder op de vraag te antwoorden of inlichting te vragen (naar zijn naam) verliet de pater de biechtstoel en begaf zich naar de sacristie. Na enkele ogenblikken keerde hij terug, begeleidde de penitent tot aan de kerkdeur, omhelsde hem, reikte hem het briefje met de woorden: “Nu zijt gij een heilige. Ga maar voort met uw rozenhoedje in uw zak te bidden.” Werkelijk, de man durfde zijn overtuiging niet openlijk tonen en bad daarom zijn rozenhoedje in zijn zak. Het biechtbriefje bevatte duidelijk de voornaam en familienamen.

Een juffrouw uit de Limburgse Kempen was van plan in het huwelijk te treden, maar de plannen waren verbroken. Op de dag voor het feest van Onze Lieve Vrouw ging ze naar de kerk van de paters Minderbroeders, zonder het voornemen om te biechten. Pater Valentinus ging naar zijn biechtstoel en gaf haar een wenk hem te volgen. Daar er op dat ogenblik geen mensen waren, besloot ze aan zijn teken gevolg te geven. “Kindje,” sprak hij, “gij waart niet voornemens in de biechtstoel te komen, maar Onze Lieve Vrouw verlangt dat ge morgen ter harer eer zoudt communiceren. En ge moet u niet kwellen met gedachten aan die jonge heer; die wordt toch nooit uw man. Het meisje was enigszins gestoord en ontevreden en besloot nooit meer bij pater Valentinus terug te keren. Enkele tijd nadien werd ze op een middagmaal uitgenodigd waar ze haar toekomstige echtgenoot voor de eerste maal ontmoette. In de volgende biecht verklaarde pater Valentinus: “Kindje, gij hebt diegene gezien die eens uw man zal worden.” – “Maar, pater, hij bevalt me helemaal niet.” – “Gij zult dat niet blijven zeggen!” Er verstreken niet vele weken toen de pater haar opnieuw aansprak: “Kindje, één van deze dagen is uw huwelijk beslist.” En inderdaad, in de loop van dezelfde week deed haar toekomstige man zijn huwelijksaanzoek.

Een juffrouw uit Sint-Niklaas trad vreselijk bedroefd in zijn biechtstoel. “Eerwaarde pater, ik lijd toch zoveel…” Pater Valentinus liet haar niet uitspreken en vroeg niet naar de oorzaak van haar leed: “Dat is niets kindje. Ik heb voor uw vader gebeden. Hij is nu reeds in de Hemel.” – “Ik heb reeds 300 Missen voor zijn zielenrust laten opdragen en ben bereid er nog evenveel te laten opdragen…” – “Kindje,” hernam de pater, “uw vader is in de Hemel; voor hém hoeft ge geen enkele Mis meer te laten lezen!”

Uit: Het Heilig Paterke van Hasselt – Pater Valentinus Paquay ; P. Remaclus Moonen O.F.M., Vice-Postulaat, Minderbroederklooster 12de herziene druk 1991