De H. Vincentius a Paulo

In 1885, op aanvraag van 400 bisschoppen, prelaten en algemene oversten van congregaties werd Sint Vincentius a Paulo door Paus Leo XIII uitgeroepen tot patroon van alle werken van liefdadigheid die in de wereld bestaan en op welke wijze ook aan hem zijn ontsproten. Een juichkreet van geestdriftige instemming ging alom in de harten omhoog, nu de titel van Vader der Armen aan Vincentius door de volksmond toegekend, door het hoogste geestelijk gezag werd bekrachtigd.

Vincentius werd in 1581 geboren uit een Franse boerenfamilie, te Pouy bij Dax (Landes). Zijn uitermate levendige geest trok spoedig de aandacht. De vader had dan ook grootse plannen: de jongen zou priester worden. Ofschoon zeer godsdienstig was vader toch niet vrij van deze menselijke berekening: eenmaal priester en met een beneficie begiftigd, kan Vincent een steun worden voor het gezin. De jongen studeerde, werd priester inderdaad (1600), was vroom, doch ging in zijn streven niet uit boven het middelmatige: een eervolle positie is zijn doelwit. Zijn eerste priesterjaren zijn een tijd van tasten en zoeken, in werkelijkheid een providentiële voorbereiding op zijn grootse zending. Op een zeereis door zeerovers als slaaf naar Tunis weggevoerd, ontsnapt hij na twee jaren met zijn bekende meester (1607), studeert nog enige tijd te Rome en wordt in 1610 aalmoezenier aan het Hof van ex-koningin Margaretha te Parijs. Hier is het vooral dat Vincentius de prikkel der genade voelt: een soort bekering voltrekt zich, zoals men in het leven der heiligen die algehele overgave aan Gods wil pleegt te noemen. Vernederd door laster en pijnlijke bekoringen tegen het geloof, wordt Vincentius door de Voorzienigheid in zijn ware richting geworpen: een leven van onthechting en in dienst der armen, onverdeeld en voor immer. De Bérulle, de latere kardinaal en met Franciscus van Sales de vertegenwoordiger van het zich hernieuwend geestelijk leven in die dagen, man van onweerstaanbare invloed door zijn kennis en deugd, speelt daarbij ook onmiskenbaar een gewichtige rol. In zijn school van totale zelfverloochening legt Vincentius voor goed het “burgerlijke” af om tot in het heldhaftige volop priester te zijn.

Dit blijkt reeds in zijn kort pastoorschap te Clichy (1612), dat blijkt hoe langer hoe mer tijdens zijn twaalfjarig verblijf bij de adellijke familie de Gondi, waar hij eerst als huisleermeester voor de kinderen optreedt, maar al spoedig, en later hoofdzakelijk, wordt hij herder over de 8000 zielen van een arme boerenbevolking die in 40 kleinere en grotere dorpen over de landgoederen van Gondis verspreid zijn; dat blijkt tijdens zijn “vlucht” naar de parochie van Châtilon-les-Dombes, bij Lyon (1617) waar hij de eerste Broederschap van Liefdadigheid opricht. Zeven jaar oefent hij zich dan in het geven van volksmissies (hij had er in januari 1617 de dringende noodzaak van ontdekt te Folleville, bij Amiëns) en in het alom oprichten en steeds doelmatiger organiseren van de Broederschap der Liefdadigheid, twee werken waaruit ongemerkt hoofdstichtingen ontkiemen: De Congregatie der Missie (Lazaristen) in 1625 en in samenwerking met Louise de Marillac, weduwe Le Gras, het gezelschap van de Dochters van Liefde in 1633, stichtingen die hij beide nog meer dan een kwart eeuw leidt en degelijk grondvest, altijd in dezelfde richting: het bevorderen van het geestelijk en tijdelijk welzijn van de naaste. Met zijn priesters wil hij de zielen op het platteland bewerken en om de verkregen resultaten niet te laten verloren gaan, helpt hij gestadig mee aan de vorming van een goede seculiere clerus in seminaries; de opgewekte ijver onderhoudt hij dor het populariseren van de Ignatiaanse geestelijke oefeningen (in verkorte vorm) voor geestelijken en leken, door de dinsdagse, dus wekelijkse conferenties voor geestelijken, en alhoewel met tegenzin voor de hoogste post, doch met alle toewijding voor het welzijn van de kerk, neemt hij zelf plaats in de koninklijke Raad voor de benoeming van Bisschoppen (1642-52). Met zijn Zusters ook in samenwerking met zijn priesters, en met de Dames der Liefdadigheid, ontfermt hij zich over zieken, galeislaven, bedelaars, vondelingen; geen werk van naastenliefde of zijn raad en zijn steun wordt ingeroepen. En in de jaren 1639-40 en 1650-52 reikt hij de helpende hand aan de talloze slachtoffers van de oorlog in Lotharingen, in Picardië, in Champagne, te Parijs. Vanaf 1646 verrichten zijn missionarissen ook echt “buitenlands missiewerk” in Algiers en Tunis, op het eiland Madagascar, in het vervolgde Ierland en Schotland. Bij het opkomend Jansenisme (soort ketterij) staat hij pal op de bres… en er zou nog zoveel kunnen worden opgesomd. Hoe is dit wonderbaar leven te verklaren? Door Vincentius’ geloof dat heel zijn wezen doordringt en dat hem God in de mens en de mens in God doet zien. Geloof van huis uit zo eenvoudig en steeds eenvoudig en nederig gebleven.

Voorzeker beschikt de heilige over veel natuurlijke gaven, hem door de Voorzienigheid geschonken met het oog op zijn zending. De genade immers verwoest niet, bouwt niet naast of tegen het oorspronkelijk gegevene. Vincentius is een schrandere geest, heeft de werkelijkheidszin en het kloek oordeel van de leider. En Richelieu aarzelt niet hem te raadplegen. Wat heeft Vincentius een medelijdend hart! Het menselijk leed ontroert hem tot in het diepst van zijn ziel. Werkelijk een Paulus-hart! En helaas, de tijdsomstandigheden, een bijna onafgebroken oorlog met zijn nasleep van onbeschrijfelijke lichamelijke en geestelijke ellende, waren er wel naar om dat hart te doen bloeden. Niemand ook slaagt er in zoals hij – het is een gave- de zo vruchtbare medewerking van de vrouw te winnen en te bestendigen voor zijn arbeid, en dat in de meest invloedrijke kringen. Denk hier aan hertogin d’ Aiguillon, nicht van de minister en kardinaal Richelieu, meer verheven nog door haar zielenadel, aan Presidente de Goussault, eerste voorzitster der Dames van Liefdadigheid, aan Louse de Marillac vooral. Bij de eerste ontmoeting ziet Vincentius reeds dat zij tot grote dingen in staat is. Zij werd op 11 maart 1934 heilig verklaard.

Maar die rijke natuur brengt geen volledige verklaring. Vincentius’ geloof is het juist dat deze natuurlijke gaven vruchtbaar heeft gemaakt, zijn geloof dat hem onwankelbaar vertrouwen inboezemt in de goddelijke voorzienigheid. In het licht van zijn geloof ziet hij, hoe goed doen een element moet zijn van de godsdienst zowel als de geloofswaarheden die moeten worden voorgehouden. Zijn geloof baart hem het mensgeworden Woord als de onuitsprekelijke uiting van Gods liefde. Zijn levend geloof dat liefde wordt, boeit hem aan de Gekruisigde en aan diens lijdende ledematen – de armen, de misdeelden. Schakel Christus uit dat leven en we houden een Vincentius over die nimmer bestond. Niet de beeltenis, hoe populair ook een aantrekkelijk, van Vincentius met een kind op de armen en een ander naast zich, half weggedoken in de plooien van zijn mantel, is de juiste weergave van de hele Vincentius, maar wel deze minder bekende: de eenvoudige priester met de breedgerande hoed onder de arm, als iemand die steeds bereid is te gaan, en in de hand een kruisbeeld waarop hij liefdevol zijn ogen laat rusten. Ziedaar de diepste, ware Vincentius! Want op Christus blijven zijn ogen en geest onafwendbaar gericht in al zijn doen en laten, als op de Meester van wiens geest hij zich moet doordringen. Daarom zijn de uitspraken van het Evangelie lichtbakens op zijn levensweg. Men heeft opgemerkt, hoe hij bij het lezen van het Evangelie onder de H. Mis, Jezus’ eigen woorden beginnend met “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u”, spatieerde als om ze vollediger te maken. “De leerstellingen van het Evangelie, zo schrijft hij, bedriegen nooit; zij werpen te gelegener tijd haar vruchten af; wat niet volgens die leerstellingen is, is ijdel; mislukking oogst al wie handelt volgens de tegenovergestelde beginselen. Ziedaar mijn geloof, ziedaar mijn ervaring.”

Zeer terecht is van hem getuigd: “Men zou uit Vincentius’ brieven en toespraken een reeks van pittige en soms verrassende uitlatingen kunnen verzamelen tot een boekje dat de titel draagt “Navolging van Christus volgens Sint Vincentius a Paulo”. Aan de horizont van Vincentius rijst immer de goddelijke figuur van Christus. Tijdstip voor tijdstip, men zou haast kunnen zeggen, minuut voor minuut doorvorste hij Jezus’ leven om er de gedragslijnen uit op te diepen.”

Werker en leider blijft hij tot aan zijn laatste ademtocht. Zijn dadendrang schijnt ontheven geweest aan de uitwendige omstandigheden van ziekte en pijn, die over het algemeen op de kloekste karakters zoveel invloed hebben. Hij, Vincentius, die eens schreef: “de dood die ons aantreft met de wapenen in de hand, is de roemrijkste en begerenswaardigste,” wenst tot in het aangezicht van de dood op de hoogte te worden gehouden van de lopende bestuurszaken, oordeelt en beslist… In het stervensuur (27 september 1660) fluistert hem een priester de woorden toe: “Ik geloof in God de Vader.” – Hij antwoordt: “Ik geloof.” “Ik geloof in Jezus Christus.” – “Ik geloof.” – “Ik geloof in de H. Geest.” – “Ik geloof.” Na ieder “Ik geloof” drukt de stervende de lippen op het kruisbeeld dat zijn handen omklemmen. Is er een ontroerender tafereel, waardiger bekroning, treffender samenvatting an dat zo vruchtbaar leven: een wonder van geloof en van liefde.

 

Bron: Met de heiligen het jaar rond, deel III, Uitgeverij Paul Brandt, Bussum, 1949

Feest van de H. Kruisverheffing: Waardigheid van het Kruis

Kruisrelikwie met opschrift op het voetstuk waarnaar de website werd genoemd: O Crux Ave Spes Unica – O Kruis Gegroet, Onze Enige Hoop.

Vandaag willen we een preek geven van Eerwaarde Kannunik D’Hoop ter gelegenheid van deze feestdag.

Ter gelegenheid van het feest der Kruisverheffing, beminde parochianen, zullen wij u verhalen hoe het H. Kruis, waarop de Zaligmaker het zoenoffer heeft opgedragen, eerst wedergevonden, en nadien in eer hersteld en verheven is geweest. Ziehier dan wat wij daarover in het Kerkelijk Officie lezen: de Heidenen, om de gedachtenis van Jezus’ lijden en dood uit te doven, hadden het Kruis van Jezus in de grond gedolven, en daarop marmeren standbeelden en een tempel ter ere van een afgod en een afgodin geplaatst. Helena, de moeder van Constantijn de Grote, kwam in het jaar 326 naar Jeruzalem, om aldaar de HH. Plaatsen te vereren, en het H. Kruis, dat het voornaamste werktuig was van onze verlossing, weder te vinden. De afgodentempels waren weliswaar afgebroken, doch overgrote puinhopen bedekten de Calvarieberg. Helena deed dezelve wegruimen, en beval diepe opdelvingen te doen. Na langen arbeid, ontdekte men eindelijk drie kruisen van gelijke grootte, en niet ver vandaar het opschrift, dat Pilatus aan het Kruis van Christus had doen hechten. Daar men nu niet wist welke dezer drie het ware Kruis van de Zaligmaker was, had de H. Macarius, toen bisschop van Jeruzalem, vurig de Heer gebeden om het ware te mogen kennen. Hij deed de kruisen tot een vrouw brengen die zeer ziek lag, en haar, terwijl hij bad, met elk der drie kruisen aanraken. Bij het opleggen van het eerste en van het tweede, bekwam men geen beterschap. Doch, bij het aanraken van het derde gebeurde er een mirakel! De vrouw, die bijna zieltogend was, opende hare ogen, voelde zich gans genezen, stond op en dankte de Heer. Om aan gans de bevolking van Jeruzalem te bewijzen dat men het ware Kruis ontdekt had, nam men nog een andere proef. Men raakte er een dode mee aan, die zich aanstond oprichtte, en van zijn lijkdoeken ontbonden, onder de verbazende volksmenigte rondwandelde. Het ware Kruis was gevonden, werd met veel geestdrift vereerd en de H. Kerk stelde het feest der “H. Kruisvinding” in.

Omtrent driehonderd jaar later (in 614 of 615), onder de Griekse keizer Heraclius, vielen de Perzen in Palestina, veroverden Jeruzalem en sleepten duizenden Christenen, en met hen de Patriarch Zacharias, in de gevangenis. Het H. Kruis door de Patriarch, bij het naderen van de vijand, in een kist gesloten en met veel zorg verzegeld, werd ook door die barbaren weggevoerd. Na veertien jaar gelukte het keizer Heraclius over de Perzen te zegepralen en volgens het vredesverbond, moest benevens de overlevende gevangenen ook het H. Kruis teruggeschonken worden. Zacharias, die dan ook zijn vrijheid bekwam, onderzocht de kist en zag tot zijn grote verwondering dat de zegels van de Kerk, die hij er veertien jaar eerder had opgedrukt, onverbroken gebleven waren. De keizer wilde zelf de eer hebben het H. Kruis op zijn voormalige plaats terug te dragen. Daartoe legde hij zijn kroon en zijn purperen mantel af, ontschoeide zijn voeten en verwisselde zijn kleren die van juwelen en edelstenen glinsterden, tegen een grof pelgrimsgewaad, en processiegewijs droeg hij barvoets het H. Kruis naar de Calvarieberg, bracht het in de kerk en reikte het over aan de Patriarch, die het na een plechtige dienst het op de daartoe bestemde plaats terug stelde. De Kerk heeft de gedachtenis van dit feest onder de naam “H. Kruisverheffing” tot hedendaags toe gevierd.

Kruisrelikwie in de Kapel van de Passierelieken van de “Basiliek van het H. Kruis in Jeruzalem” te Rome.

 

Kruisreliekwie in de schatkamer van de H. Grafkerk te Jeruzalem

Ziedaar de geschiedenis van het H. Kruis, dat vroeger een teken was van schande en van oneer, en nu een teken geworden is van eer en van glorie, dewijl het door het Bloed van een God, van onze Zaligmaker, is geverfd geweest. Laat de heidenen dan het Kruis aanschouwen als een dwaasheid, de Joden als een ergernis, wij Christenen, de discipels van de gekruisten Jezus, zullen met fierheid, zoals de H. Paulus, uitroepen (Gal. VI, 14): Mihi absit gloriari nisi in cruce Domini nostri Jezus Christi! – Van mij zij het verre te roemen dan op het Kruis van onze Heer Jezus Christus! En waarom zijn wij fier en gelukkig over het kruisteken?

I. Omdat het het kenmerk is van onze waardigheid;

II. Het werktuig van onze verlossing;

III. Het onderpand van onze zegepraal.

I. Het kruisteken is het kenmerk onzer waardigheid.

Wanneer een aardse koning oorlog voert, heeft hij altijd als kenteken een vaandel, rond hetwelk de krijgsbenden zich scharen om tegen de vijand op te trekken, en dat hen tevens ook in de slag zal aanvuren om met kloeken moed tegen den vijand de strijden. Zo ook heeft de Christen een teken waaraan men hem onder andere mensen zal erkennen, namelijk het teken van het H. Kruis. Dit teken wordt hem gegeven op het voorhoofd van zohaast hij geboren is, bij zijn H. Doopsel; dit teken omringt hem van alle kanten en ontmoet hij alle stappen; van als hij nog in de wieg lag heeft hij dit teken zien hangen aan de muur van het vaderlijk huis; hij ziet het verheven op de toren en op de altaren van onze kerken. Onder de zegen van dit teken doet hij de eerste stap in het leven, gelijk hij onder de schaduw van dit teken op het kerkhof rust, waar hij met vast betrouwen en gerust gemoed zijn glorieuze verrijzenis afwacht. Dit eken dus is waarlijk het teken van onze waardigheid.

Welk gebruik echter, maken wij van dit teken, dat ons van onze Zaligmaker zelf komt? Vooreerst, maken wij het met een godsdienstige eerbiedigheid en spreken wij klaar en duidelijk de woorden uit? Kan men zeggen dat wij door hetzelve de voornaamste mysteriën belijden van onzen Godsdienst, namelijk de H. Drievuldigheid – en de menswording van Christus? Ten andere, hoe dikwijls maken wij het teken van het H. Kruis? Hebben wij dit zalig gebruik aangenomen het kruisteken te maken vóór al de voornaamste werken die wij verrichten, zoals de eerste Christenen deden, die volgens het getuigenis van Tertullianus, door het dikwijls maken hun voorhoofden sleten? Verre dus van ons te schamen over het Kruis van Christus, wezen wij fier over dit teken, zoals een edelman fier is op zijn blazoen; en evenals deze, om zijn blazoen niet te onteren, de leus die er onder staat zal trachten na te leven, zo ook moet een Christen zijn woorden en werken schikken volgens deze Christelijke kenspreuk: “In de Naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes.” Laat ons dus voortaan onze roem dragen op dit eervol teken, en met den H. Paulus zeggen (Gal. VI, 14): Van mij zij het verre te roemen dan op het Kruis van Onze Heer Jezus Christus! Des te meer dat het kruisteken een teken is van vergiffenis en van onze verlossing, en derhalve, een teken waarop wij alle onze hoop mogen stellen.

II. Het Kruis is ook het werktuig onzer verlossing.

Wonderschoon toont ons de H. Kerk, in de prefatie der Mis van deze dag, dat het Kruis waarlijk voor ons een werktuig van zaligheid is geworden. “Het was door het hout van een Boom,” zoals hij zingt, “dat de duivel het menselijk geslacht had overwonnen en in de slavernij gebracht, en het is door het hout van een andere Boom, namelijk door het H. Kruis, dat hij moest overwonnen worden: – ‘Qui in ligno vincebad, in ligno quoque vinceretur‘. Ja, God heeft de zaligheid van het mensdom in het hout des kruises gesteld, opdat het leven zou ontspruiten vanwaar de dood haar oorsprong had.”

Onbegrijpelijk mysterie! De mens zondigt en God slachtoffert zijn enige Zoon! God spreekt één woord, en de Zoon vernedert zichzelf daar Hij gehoorzaam is aan zijn Vader tot de dood, en wel tot de dood des kruises (Fil. II,8). Hij kon ons verlossen, weliswaar, met een enkele traan, dewijl deze van oneindige waarde was; doch zijn liefde praamt hem om te lijden, en niet alleen om te lijden, maar om te sterven voor ons; ja niet alleen om te sterven, maar om de schandigste en schrikkelijkste dood te ondergaan, namelijk de dood der slaven op de galgenboom van het kruis! Ook van dan af is de macht van de Prins der duisternis ten einde, het hoofd van het hels serpent verpletterd! En zo heeft Christus als het ware het handschrift van ons eeuwig vonnis uit het bezit van de duivel getrokken: Hij heeft hetzelve te niet gedaan met het aan het kruis te nagelen (Kol. II, 14). Dat het Kruis het merkteken is van onze verlossing werd zo treffend afgebeeld in het Oud Testament, nu eens door die kruisletter T, met de welke de uitverkorenen getekend werden door de Engel in het Visioen van de profeet Ezechiël (Ezech. IX, 4), dan ook door Mozes, die zolang hij bad met zijn armen kruisgewijze ten Hemel geheven, van de Heer de verlossing en de zegepraal van zijn volk bekwam (Ez. XVII, 11).

Ten andere, wie van u, beminde parochianen, kent de geschiedenis niet van het koperen serpent, waarvan Jezus zegt: (Joan. III, 14): Gelijk Mozes in de woestijn de slang verhief, alzo moet de Zoon des mensen op het Kruis verheven worden, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar het eeuwig leven hebbe. God zond onder de Israëlieten, zoals gij weet, tot straf een soort van slangen, door wier giftige beten velen stierven.  En zij kwamen tot Mozes en zeiden (Num. XVI, 5-9): Wij hebben gezondigd, omdat wij gesproken hebben tegen de Heer en tegen u, bid de Heer dat Hij de slangen van ons zou wegnemen. En Mozes bad voor het volk. God, aan wie het eigen is vergiffenis te schenken als de zondaar met een rouwend hart zich tot Hem keert, zei tot Mozes: Maak een koperen slang, en stel haar op een staak: al wie gebeten is en haar aanziet, zal in leven blijven.”

Welnu, beminde parochianen, wie ziet in dat koperen serpent, dat de zieken genas en dezelve van de dood bevrijdde, niet het levend afbeeldsel van de Zaligmaker, die aan het kruishout gehangen, daarop gestorven is om het mensdom van de eeuwige dood te verlossen? Gij allen die dus gebeten zijt van het hels serpent en in de zonde zijt gevallen, heft uw ogen naar het teken van onze verlossing! Heeft het serpent van eerzucht en hovaardigheid u gebeten, beziet dan de gekruisigde Zaligmaker, en Hij die zich vernederd heeft tot de dood toe, ja tot de schandelijke dood des kruises, zal u van uwe dodelijke ziekte genezen! Heeft het serpent van haat tegen uw broeder, of van wraaklust op hem u gebeten, de gekruisigde Zaligmaker die in de hevigste pijnen aan zijn vijandige beulen vergiffenis schonk en zei (Luk. XXIII, 34): Vader! Vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!, zal u ongetwijfeld genezen, uw wraaklust koelen en een gevoel van verzoening in uw hart leggen. Heeft het serpent van de onzuiverheid uw gebeten, de zuivere Jezus, die aan handen en voeten doornageld, op het Kruis gemarteld hangt, zal zijn zuiver Bloed vergieten om het onzuiver vuur van uw driften uit te blussen. Heeft het hels serpent van welkdanige zonde in u gebeten, heft uw ogen naar het H. Kruis! “In Cruce salus!” Want aan het Kruis hangt onze hoop, onze verlossing, ja, onze zaligheid!

III. Het kruis is het onderpand van onze zaligheid.

Tot aan de komst van de Zaligmaker was het Kruis als een schandhout aangezien, uitsluitend bestemd om de gemeenste misdadigers ter dood te brengen. Reeds in de Wet van Mozes (Deut. XXI, 23) werd diegene die aan de houtpaal hing een vervloekte genoemd, en volgens joods gebruik, was het verboden voor de zielen van dusdanigen te bidden. Tot zulke dood werden bij de Romeinen alleen de slaven veroordeeld, die een grote euveldaad bedreven hadden. Het was dus om Jezus te vernederen dat de Joden Hem tot deze schandelijke doodstraf veroordeelden. Maar na de komst van de Zaligmaker, heeft het Kruis, waarop Jezus gestorven is, over de wereld gezegevierd, en na drie eeuwen van smaad en vervolging, heeft het zijn plaats ingenomen tussen de meest geëerde zinnebeelden, bij zover dat wij het nu zien prijken zowel op de kroon van keizers en koningen als op de borst der dapperen en helden: en wij mogen hier de woorden van Paulus toepassen (Gal. V, 14): Thans is de ergernis van het kruis vernietigd. En zo ook, beminde parochianen, is het Kruis voor een Christen het onderpand van glorie! Doch het zal nog meer verheven zijn in de Hemel: Hoc signum crucis erit in coelo – Het teken van het kruis zal in de hemel verschijnen, wanneer Christus ten oordeel zal komen. Jezus, die eens aan de wereld verschenen is, dragende zijn kruis in de schande, zal op het einde der wereld voor geheel de wereld tevoorschijn komen met hetzelfde kruis als teken van glorie en zegepraal. Dan zullen zij beschaamd worden en van schrik beven, dezen die hier gewandeld hebben als vijanden van het kruis van Christus, dezen wier einde verderf, wier God hun buik en wier eer hun schande is (Fil. III, 18). Dan zullen zij uit de mond van de Rechter deze woorden van de profeet Jesaja moeten horen: Tota die expandi manus meas (Jes. LXVI, 2) – Ach! Zondaars, alle dagen van uw leven strekte Ik van op het kruis mijn handen tot u uit; en gij hebt in Mij niet geloofd en gij hebt Mij tegengesproken! Ellendigen, nu is de tijd der barmhartigheid voorbij! Mijn kruis zal uw veroordeling wezen!

Wat valt er ons dan te doen, beminde parochianen? Jezus zal het ons zelf leren wanneer Hij zegt: Qui vult venire post me, tollat crucem suam; Die na Mij wil komen, neme zijn kruis op (Matt. XVI, 24). Welnu, welk is ons kruis? Is het nodig dat ik het zeg? Laat mij u hier het gedacht meedelen van de H. Franciscus van Sales. Deze godvruchtige en minzame bisschop zegt ons in één zijner werken dat hij zich inbeeldt de jonge Jezus in het werkhuis van zijn voedstervader, die het ambacht van timmerman oefende, kruisen te zien timmeren voor alle slag van personen. “En ik durf”, voegt hij er bij, “vanwege de Zaligmaker, aan eenieder zijn kruis opofferen: aan de oversten, zoals bisschoppen, priesters, koningen of magistraten, bied ik het kruis van de zielenlast hunner ondergeschikten, kruis waarvan de last verre klein schijnt, maar en kloeke en beproefde deugd eist, om er niet onder te bezwijken. Aan de onderdanen van alle slag bied ik het kruis aan van de gehoorzaamheid, de onderwerping aan een ander z’n wil, zelfs als het tegen eigen dank is. Aan de werklieden, het kruis der ootmoedigheid en der verduldigheid in de last, de pijnen en de arbeid, het kruis dat Jezus zelf in zijn dertigjarig leven geheiligd heeft. Aan de jonkheden het kruis van het beteugelen hunner kwade driften, het kruis der versterving aan de vermaken van de wereld, het kruis van de voorzichtigheid en waakzaamheid tot het bewaren der zuiverheid. Aan de ouderlingen het kruis der krankheden en ziekten, pijnen en kwellingen van den ouderdom. Aan de vaders en moeders de ontelbare kruisen van de huwelijke staat, de last der kinderen, het verdragen elkanders gebreken, het verlies van hetgeen men bemint. Met één woord”, zegt hij, “klimt met uw kruis zoals Jezus op de Calvarieberg, en gij zult met Hem in glorie blijven op den Taborberg.”

Licht om te dragen en kort van duur zullen u die pijnen toeschijnen die gij met Jezus onder het kruis zult gedragen hebben, als gij uwe lieve Zaligmaker u zult horen toespreken: “Vos estis qui permansistis mecum in tentationibus – Gij zijt het die Mij zijt bijgebleven in mijn beproevingen, en Ik beschik u, gelijk mijn Vader Mij het Rijk beschikt heeft, dat gij in mijn Rijk eet en drinkt aan mijn tafel, en op tronen zit voor alle eeuwigheid (Luk. XXII, 20-30). Amen.

***

 

Uit: Sermoenen van Kannunik d’Hoop, Pastoor-Deken van O.L.V. (St-Pieters) Gent; Verzameld en bewerkt door R. De Steur, onderpastoor van O.L.Vrouw (St. Pieters), Gent, A. Siffer, Drukker, 1900


Imprimatuur:

Wij geven volgaarn onze goedkeuring aan de grondige en stichtende sermoenen van wijlen de ieverigen en geleerden heer Deken Kannunik V. d’Hoop, en wij bevelen ze der geestelijkheid van ons bisdom ten zeerste aan.

Gent, 4 april 1900.

+ Antonius, Bisschop van Gent

 

Detail van het relikwie. De bruine splinters zijn afkomstig van het originele Kruis van Jezus Christus.

De H. Juliana van Cornillon en het ontstaan van Sacramentsdag

Vandaag, donderdag 15 juni, is het Sacramentsdag. Deze feestdag valt steeds op de 2de donderdag na het hoogfeest van Pinksteren. Het ontstaan van deze feestdag is terug te brengen naar Luik, in het jaar 1246, toen Juliana van Cornillon er met Gods hulp in sloeg om de bisschop te overtuigen dit feest in te stellen in zijn bisdom.

De geschiedenis begint als volgt. Henricus en Frescendis van Retinne, Luik, waren kinderloos. Ze baden en lieten bidden; zij deelden aalmoezen uit; zij steunden de godgewijde maagden, die zich in het bisdom zeer talrijk toelegden op een leven van evangelische volmaaktheid en die “begijnen” werden genoemd. En God verhoorde hen. Hij schonk hun twee dochtertjes, Agnes, en in 1193 Juliana. Vijf jaar later waren de ouders reeds overleden en de kinderen werden toevertrouwd aan de zusters van Berg Cornillon; hier hadden kort tevoren de Luikenaars een huis gesticht voor de verpleging van melaatsen, met een afdeling en een klooster voor mannen en een ander voor vrouwen, onder de hogere leiding van de prior der mannen. Op een nabijgelegen hoeve leidde zuster Sapientia met vaste hand de eerste schreden van beide kinderen in de dienst des Heren. Zij onderrichtte ze ook in het lezen en in de eerste beginselen van de taal der Kerk. Zij was een strenge meesteres, die de minste ook godvruchtige grillen van haar leerlingen streng beteugelde.

In haar drang naar nederigheid wilde Juliana in de laagste werken aan de hoeve delen. Zo melkte zij zelfs de koeien, die haar wel eens tegen de grond stieten of op een mesthoop slingerden. Van de handenarbeid rustte zij uit in het gebed en de lezing van de H. Schrift. Zij vond een bijzonder behagen in de werken van de H. Augustinus en van de H. Bernardus: want wie had ooit zo heerlijk gezongen van de liefde van de Bruidegom voor zijn Bruid, de ziel? Reeds toen was haar grootste vreugde de H. Mis te mogen bijwonen en haar grootste droefheid dit niet dagelijks te kunnen. Om haar vurig verlangen naar het Lichaam en Bloed van Christus enigszins tegemoet te komen, had Sapientia aan de hoeve een kapel laten oprichten, waar Juliana haar Beminde vrij bezoeken en vereren kon. Maar op de dagen dat zij Hem ontvangen mocht in de H. Communie – en die waren toch zo zeldzaam! – bleef ze als buiten zichzelf in de aanbidding van de Bruidegom. Dan zou zij een week lang hebben gewalgd van alle nutteloze omgang met de mensen; dan zou zij een maand hebben gevast in de sterkte van dit Brood; en zij verwonderde zich erover, dat niet allen deden zoals zij. Dan werd ze overstroomd met Gods zegeningen en genadegaven.

Eens- ze kon toen ongeveer zestien jaar geweest zijn – had zij een wonderbaar visioen: zij zag de helder schijnende maan, met een keep in de rand. Waar zij zich voortaan ook wendde, het visioen vergezelde haar. Begaf zij zich tot het gebed of de heilige lezing, dan stond het vóór haar, als een altijddurende obsessie. En zij smeekte Christus dat Hij er haar van zou verlossen, of haar verklaren wat het betekende. Na twee jaren openbaarde de Heer haar zijn bedoeling: de helder schijnende maan was het beeld van de Kerk; de keep betekende dat er in de liturgische kringloop nog één feest ontbrak, ter ere van het Allerheiligste Sacrament van zijn Lichaam en Bloed. En gaf haar de opdracht de instelling van zulk een feest over de Kerk te bevorderen. Hoogst verbaasd en zich haar onmacht bewust, antwoordde Juliana: “Heer, laat mij, en vertrouw zulk een taak aan heilige en geleerde priesters!” Maar Hij antwoordde: “Door u en door eenvoudigen en zwakken als gij wil Ik dit werk voltooien.” Lang nog twijfelde Juliana. Hoe zou zij die verheven zending ooit tot een goed einde voeren? Wie kon zij het geheim van haar hart toevertrouwen? Waar zou zij steun vinden?

De H. Juliana van Cornillon, bijgenaamd “Juliana van Luik”, wordt net zoals de H. Clara van Assisi, steeds afgebeeld met een monstrans.

Intussen had zij zich bij de zusters van het klooster aangesloten. In die maagdelijke tuin bloeide nu Juliana op: daar spreidde zij de weelderige bloesems van haar rijke deugden uit; de geur van haar heiligheid vervulde weldra de ganse omgeving. Haar vrienden en vriendinnen uit de mystieke beweging bewaarden als een blijde herinnering of tekenden voor het nageslacht op wat zij van haar zagen of vernamen: van haar strenge boet boetplegingen, van haar eenvoud en nederigheid, van haar onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, van haar zo gezellige en beminnelijke omgang, van haar wonderbaar geduld en haar grote liefde in de verpleging van de walgelijkste ziekten; hoe ze steeds als in beschouwing verzonken scheen, en hoe ze Gods heiligen vereerde, de vrienden van haar Bruidegom, maar boven al zijn heilige Moeder Maria. Om het mysterie der Menswording bewoog zich geheel haar geestelijk leven, in de kringloop van het kerkelijk jaar. Bij het Ave, dat ze herhaaldelijk in de loop van de dag te bidden placht, voegde zij de woorden van Maria: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord”, omdat daardoor, zegde zij, de Menswording voltrokken werd. Negenmaal zong zij met Maria het lied van haar dank: het Magnificat. Voornamelijk de herinnering aan het lijden van haar Beminde vervulde haar hart met liefde, bewoog haar tot tranen en deed haar vallen in bezwijming. Drie dingen hadden de krachten van haar lichaam ondermijnd: het werk te Bovaria, meer nog de gestadige beschouwing van het lijden van haar Bruidegom, maar vooral de drang van haar liefde.

De bestendige en voortdurende vertegenwoordiging van de Menswording en van het lijden was het H. Misoffer en de H. Eucharistie. En nu was zij uitverkozen, om een feest ter verheerlijking van dit Allerheiligste Sacrament in de Kerk in te voeren. Twintig jaar reeds droeg zij het geheim van haar zending, tot ze er eens toe kwam het aan haar meest vertrouwde vriendin, de kluizenares Eva, te openbaren. Eindelijk bezweken de laatste opwerpingen van Juliana’s nederigheid. Zij deelde de wens van Christus mee aan een geleerde en heilige kanunnik van St. Maarten, Joannes van Lausenne, en verzocht hem er over met andere geleerde en heilige priesters te beraadslagen, zonder haar naam te vermelden. Joannes van Lausenne sprak er over met de aartsbisschop van het bisdom, Jacobus Pantaleon. En nu begon het onderzoek. Hugo de St. Caro, Provinciaal Overste der Dominicanen, Guiardus, Bisschop van Kamerijk, allerlei theologen, tot de faculteit van Parijs toe, werden geraadpleegd. Juliana bidt en laat bidden; ze gaat op bedevaart naar Keulen om er de apostelen Petrus en Andreis met de heilige maagden te vereren; naar O.L.Vrouw van Tongeren en naar de H. Servatius. Tot eindelijk bisschop Robertus in 1246 het feest voor zijn bisdom invoert en Hugo de St. Caro, nu kardinaal geworden, op een visitatiereis, het bevestigde.

Maar tot het welslagen van zulk een onderneming, zou Juliana ook door zware beproevingen moeten bijdragen. De laatste jaren van haar leven waren jaren van harde strijd en veel lijden. Na Sapientia was zij, ondanks haar jeugdige leeftijd, omstreeks 1230 tot priorin verkozen. En jaren reeds stichtte zij de zusters door haar heiligheid, tot een nieuwe prior van de mannenafdeling tegen haar optrad. Zij was een droomster, een schijnheilige! Gesteund door de geheime oppositie tegen het feest, maakte hij het verblijf van Juliana in haar klooster onmogelijk. Zij vluchtte en haar zusters met haar. Een tijd lang boden Eva in haar kluis en Joannes van Lausenne haar een onderkomen in de stad. De bisschop sloeg de prior in de ban en richtte zelf voor Juliana een nieuw bidhuis in. Doch na de dood van Robertus, onder zijn onwaardige opvolger, ontbrandde de tegenstand in openlijke vijandschap. Juliana moest omzwerven van klooster tot klooster, tot ze eindelijk te Namen aankwam, waar de arme begijnen haar eerst opnamen en waar ze tenslotte in de abdij van Salzinnes voor enige tijd een veilig onderkomen vond. Maar ook hier duurde de rust niet lang. De burgers van Namen, tegen hun gravin in woede ontvlamd, omdat zij zich door de abdis liet leiden, bestookte de abdij en zetten haar in brand. En weer moest Juliana vluchten. Te Fosse werd haar en haar trouwe zusters een kluis ter beschikking gesteld. Maar zó uitgeput waren nu al haar krachten, dat ze nog nauwelijks van het bed kon opstaan. Haar ziekte was één vervoering van gebed. Op de hoogdag van Pasen liet ze zich nog naar de kerk brengen, ontving er een laatste maal de H. Communie, woonde er de kerkelijke diensten bij, tot de avond. Op de volgende vrijdag, om negen uur, ontsliep zij in de armen van haar Bruidegom: de 5de april 1257 in het 66ste levensjaar. De volgende zondag werd zij, volgens haar verlangen, in de abdij van Villers, in Zuid-Brabant, bijgezet.

In 1264 werd door de vroeger aartsdiaken, nu paus geworden als Urbanus IV, het feest van het Allerheiligste Lichaam van Christus voor geheel de Kerk ingesteld.

Een Sacramentsprocessie in Frankrijk.

Bron: Met de heiligen het jaar rond, deel II, Uitgeverij Paul Brandt, Bussum, 1949

De boodschap van de Engel aan Maria

Op 25 maart 1821 sprak A.K. Emmerick:

Ik heb in de afgelopen nacht de boodschap als kerkelijk feest gezien en ontving nogmaals met beslistheid de verklaring dat de H. Maagd nu reeds vier weken in gezegende staat was (de werkelijke geboorte van Jezus was 25 november, de aankondiging dus 25 februari).  Dit werd mij uitdrukkelijk gezegd, omdat ik reeds op 25 februari de boodschap ziende, dat beeld niet geloofde en het daarom niet verteld heb. Ik had vervolgens de gehele gebeurtenis weder voor ogen, zoals zij zich uiterlijk heeft toegedragen.

Kort na het huwelijk zag ik de H. Maagd in Jozefs huis te Nazareth, waarheen ik door mijn geleigeest gevoerd werd. Jozef was met twee ezels op reis gegaan; ik meen om een erfenis of handwerkgereedschappen te gaan halen. Hij scheen op weg naar huis te zijn. ’s Morgens waren Anna’s tweede echtgenoot en enige andere mannen in Jozefs woning geweest, doch weer vertrokken. Behalve de H. Maagd en twee jonge meisjes van haar leeftijd, ik denk, medescholieren uit de tempel, zag ik de H. Anna en een verwante weduwe in huis, welke als dienstmaagd bij haar was en later na de geboorte van de Zaligmaker mee naar Bethlehem reisde. Alles was door Anna in het huis geheel nieuw ingericht. Ik zag deze vrouwen bedrijvig de woning op en neer gaan en later samen in de tuin wandelen. Tegen de avond zag ik ze weer in huis terugkeren, waar zij staande om een tafeltje luid baden en zich vervolgens met kruiden voedden, welke opgediend waren. Later gingen zij uiteen. Anna liep als een bedrijvige huismoeder nog lang in huis op en neer, terwijl de beide jonge meisjes zich naar afzonderlijke betrekken begaven. Ook Maria trok zich in haar slaapkamer terug. De kamer van de H. Maagd lag dicht bij de stookplaats in het achterste deel van het huis. De stookplaats bevond zich niet, gelijk in Anna’s huis, in het midden, maar opzij van het huis. De ingang was op zij van de keuken. Men bereikte Maria’s kamer langs drie treden, die nogal schuin liepen; immers dit vertrek bevond zich op de hoger gelegen rotsgrond. Tegenover de deur had de kamer een ronde vorm en in dit gedeelte, dat door een tot meer dan manshoogte reikend scherm was afgescheiden, bevond zich de opgerolde legerstede van de H. maagd. De wanden van het vertrek waren tot op zekere hoogte bekleed met vlechtwerk, dat iets grover was dan de verplaatsbare lichte schermen. Door aanwending van verschillend gekleurd hout was er een geruit patroon in gewerkt. De zoldering van het vertrek was door enige evenwijdig geplaatste balken gevormd, waartussen stervormig vlechtwerk was aangebracht.

Ik werd door de lichtende jongensgestalte, die mij altijd vergezelt, deze kamer binnengeleid en zag er wat ik zo goed ik hiertoe in staat ben, ga meedelen.

Toen de H. maagd het slaapvertrek was binnengetreden, hulde zij zich achter het scherm in een lang, witwollen bidgewaad met brede gordel en sloeg een geelachtig-witte sluier over het hoofd. Ondertussen verscheen een dienstmaagd met licht en ontstak een lamp met verschillende armen, die van de zoldering van de kamer omlaag hing; daarna verwijderde zij zich. De H. Maagd nam nu een laag tafeltje dat ineengeschoven tegen de muur stond en plaatste het in het midden van de kamer. Tegen de muur geplaatst, bestond het uit een beweegbaar blad met twee poten. Maria stelde het blad in horizontale richting en schoof de helft van de ene tafelpoot, die gespleten was, naar voor, zodat het tafeltje nu op drie poten stond. De kant van het blad, waaronder deze derde poot stond, was afgerond. het tafeltje was met blauw en rood doek overtrokken, dat aan de niet afgeronde zijde van het blad was ingehaald en van franjes voorzien neerhing. In het midden van het doek was een patroon geborduurd; ik weet niet meer of het een letter, dan wel een versiering moest voorstellen. op de afgeronde zijde lag een wit kleed opgevouwen. Een schriftrol lag op het tafeltje.

Toen de H. Maagd dit tafeltje tussen haar legerstede en de deur, die in het midden van het vertrek was, geplaatst had, iets meer naar links waar een tapijt de vloer bedekte, nam zij een klein kussen, dat zij ervoor neerlegde en met de beide handen op het tafeltje steunend, knielde zij neer. De deur van de kamer was rechts voor haar, en zij had de rug gekeerd naar haar legerstede.

Maria trok de sluier over haar gelaat en hield de handen kruiselings voor de borst; zij vouwde de handen echter niet. Zo zag ik haar lange tijd met ten hemel geheven blikken vurig bidden. Zij smeekte om de verlossing, om de beloofde Koning en dat haar gebed iets tot zijn komst zou mogen bijdragen. Lang bleef zij, aldus biddend, neergeknield en liet vervolgens het hoofd op de borst zinken. Op dat ogenblik viel ter rechterzijde zulk een schitterende lichtgloed van de zoldering van de kamer schuin op haar neer, dat ik erdoor tegen de muur gedrongen werd; en in dat licht zag ik een schitterende jongeling in het wit met golvende haren, die voor haar neerdaalde. Het was de engel Gabriël. Terwijl hij tot haar sprak, bewoog hij even de armen. Ik zag de woorden als schitterende letters uit zijn mond komen; ik las en hoorde ze. Maria wendde het gelaat een weinig naar rechts, maar schuchter als zij was, hief ze de blikken niet omhoog. De engel sprak verder en als op zijn bevel keerde Maria zich nu een weinig naar hem toe, hief de sluier een weinig op en antwoordde. De engel sprak weer en nu hief Maria de sluier op, zag de engel aan en antwoordde met de heilige woorden: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.” De H. Maagd was geheel in vervoering. De kamer was in een zee van licht gehuld; ik zag het schijnsel der brandende lamp niet meer en kon de zoldering van het vertrek niet meer onderscheiden. De Hemel scheen geopend: een lichtstroom liet mij over de engel heen zien en aan het einde ervan zag ik de voorstelling van de H. Drievuldigheid in de gedaante van een driehoekig doorschijnend licht, waarin ik datgene erkende wat men slechts aanbidden en niet begrijpen kan, God de Almachtige, de Vader en de Zoon en de H. Geest en toch slechts de ene Almachtige God.

Toen de H. Maagd de woorden had gesproken: “Mij geschiede naar uw woord,” zag ik de gevleugelde verschijning van de H. Geest, echter niet juist zoals Hij gewoonlijk in de gedaante van een duif wordt afgebeeld. Het hoofd was als dat van een mens en evenals vleugels gingen lichtstralen van Hem uit. Uit de borst en handen van de gedaante zag ik drie schitterende lichtstromen in de rechterzijde van de H. Maagd dringen en zich midden in haar verenigen. Toen dit licht in haar zijde was doorgedrongen, zag ik de H. Maagd geheel doorschijnend, als de nacht verdween. Maria was op dit ogenblik zo van licht doordrongen, dat niets donkers, niets verborgen meer in haar bleef; zij was lichtend en doorzichtig in haar gehele gestalte. Dan verdween de engel weer; de lichtgloed waaruit hij tevoorschijn was gekomen, loste zich op; het was alsof de hemel het licht weer had ingeademd en als vielen uit die wegdrijvende gloed talloze witte rozenknoppen, elk met een groen blaadje, op de H. Maagd neer.

Toen de engel verdwenen was, zag ik de H. Maagd geheel in geestvervoering in zichzelf verzonken, en ik zag dat zij de menswording van de beloofde Verlosser als een kleine menselijke lichtgestalte, waaraan alle ledematen, zelfs de vingertjes, aanwezig waren, in haar lichaam zag een aanbad. Hoe geheel anders is het hier te Nazareth dan in Jeruzalem! Daar moeten de vrouwen in het voorhof van de Tempel blijven, terwijl alleen de priesters tot het heiligdom toegang hebben – hier echter te Nazareth, hier in deze kerk is een maagd de tempel zelf, en het Allerheiligste is in haar en de Hogepriester is in haar, en zij alleen is bij Hem. O hoe schoon en wondervol, hoe eenvoudig en natuurlijk is dit! De woorden van David uit de 45ste Psalm waren in vervulling getreden: “De Allerhoogste heeft zijn woontent geheiligd, God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen.” Het was omstreeks middernacht, toen ik dit geheim aanschouwde. Niet lang daarna trad Anna met de andere vrouwen bij Maria binnen. Een wonderbare beweging in de natuur had haar uit de slaap gewekt. Een lichtwolk was boven het huis verschenen. Toen zij de H. Maagd in gebed verzonken onder de lamp zagen knielen, verwijderden zij zich vol eerbied.

Uit: Het leven der H. Maagd Maria, beschreven naar de visioenen van A. C. Emmerick, J.J. Romen & Zonen, uitgevers, Roermond, 1924