De priesters moeten hun boord weer dragen en de gelovigen moeten weer knielen tijdens de consecratie

Dat was de boodschap die ik korte tijde geleden in een droom aan een priester vertelde. De priester in kwestie bestaat wellicht niet, maar dat doet niet terzake. In die droom die ik had was ik vurig aan het pleiten voor de terugkeer naar de traditie. Ik voelde een bovennatuurlijke gewaarwording, alsof het de H. Geest zelf was die mij op dat moment bezielde. Ik voelde dat God mij ertoe dreef deze dingen te zeggen tegen die priester. De priester droeg zijn boord niet en had enkel een hemd aan, of misschien nog een stropdas en dan een heel petieterig kruisje. In het openbaar was hij dan ook totaal niet te herkennen als priester. Ik zei dat de priesters vroeger in soutane liepen, waardoor ze door iedereen konden herkend worden. Als men toen de pastoor tegenkwam, kon men hem vragen: “Meneer pastoor, ik zou graag binnenkort eens biechten”, of “Meneer pastoor, mijn moeder is ziek, zou u kunnen langskomen om haar de sacramenten toe te dienen”,… en zo vertelde ik tal van voorbeelden waarbij het voor een leek handig is om een priester te herkennen. De priester in mijn droom pruttelde tegen, maar ik herhaalde, bijna in vervoering (door de H. Geest): “meneer pastoor, u moet uw boord terug dragen!” De herder moet door de schapen herkend kunnen worden, ook aan zijn uiterlijk. Dit is door God gewild.

Jonge gelovigen die knielen tijdens de consecratie.

Ook zei ik dat de gelovigen hun houding in de Kerk moeten veranderen: er moet terug meer eerbied komen voor Jezus in het Allerheiligste Sacrament. De H. Geest deed mij zeggen dat de gelovigen weer moeten knielen bij de consecratie. De Communie moet op de tong ontvangen worden, en met een kniebuiging of geknield.

Ik voelde dat ik deze droom niet voor mijzelf moest houden, vandaar dat ik hem op mijn blog publiceer.

Vroeger, toen ik nog tiener was, ging ik ook naar de Mis, maar redelijk lauw (mijn geloof in mijn kindertijd was wel beter). Ik herinner mij dat mijn moeder altijd knielde als ze de kerk binnenkwam. Ik vond dat in mijn tienerjaren allemaal overdreven, maar ik wist niet goed meer waarom ze eigenlijk knielde. Werkelijke Tegenwoordigheid? Ik had daar geen goed besef van. Toen ik mijn eerste Communie deed had ik niet het volle besef dat Jezus tegenwoordig was in die Hostie. Ik dacht dat het iets “gewijd” was, een gewijd stukje brood. Ik wist wel dat het specialer was. Maar we werden er nooit echt goed over onderricht.

** Ik herinner mij wel dat moeder mij daar wel over heeft verteld toen ik in het 5de leerjaar zat. Ze zei toen op een gegeven moment (omdat wij toen nog met de klas af en toe naar de Mis gingen) dat als ik zou zien dat er iemand de Hostie meeneemt, ik dat moet zeggen tegen de meester, want dat is heiligschennis omdat het een geconsacreerde hostie is, en Jezus daarin aanwezig is. En zo gebeurde het ook. God stelde mij toen op de proef. Maar ik heb het gedaan, en die heiligschennis kunnen vermijden, ondanks het gezaag achteraf dat ik een ‘klikspaan’ was. Maar helaas is in mijn latere levensjaren (toen ik in het middelbaar zat) mijn geloof beginnen tanen.

Het was pas na mijn grote bekering in 2011 dat ik dat allemaal ben beginnen (her)ontdekken. En dat de Communie op de tong moet ontvangen worden, zijn we te weten gekomen door het lezen van een boodschap van Jezus (van een zienster die ik nu niet nader vernoem). Door die boodschap ben ik de Communie op de tong gaan ontvangen. Mijn moeder was de eerste die durfde. Dan volgde de rest. Maar de (modernistische) pastoor werd daar kwaad van. Hij begon nijdig te worden. Hij had het niet zo voor “vrome en devote” mensen, die in zijn ogen “schijnheilig” waren. Uiteindelijk zijn we moeten verhuizen van parochie, maar het was beter zo. Dan door een andere boodschap (van een zienster uit Manduria, Italië) kwamen we te weten dat Jezus liefst heeft dat Hij wordt ontvangen na een kniebuiging of geknield, uit eerbied voor Hem. Dat zijn we dan ook beginnen doen. En mijn vriendin (verloofde) knielt steevast tijdens de consecratie, en die gewoonte heb ik van haar overgenomen en nu doe ik dat ook, waar ik ook naar de Mis ga. En blijkbaar is het iets wat door God gewenst wordt, zo blijkt uit mijn droom.

Ik hoop dat ik meer mensen kan aansporen om terug meer eerbied te hebben voor Jezus in het Allerheiligste.

Visioenen over de H. Mis uit de openbaringen van Pater Johannes Reus S.J. (deel 2)

johreus2

Toen Pater Reus bij het begin van de heilige Mis plechtig het kruisteken maakte en daarbij sprak: “In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest,” was dit voor hem geen loutere formaliteit. Hij wist dat met dit kruisteken de geheimenisvolle hernieuwing van het kruisoffer begint tot eer van de allerheiligste Drievuldigheid. Zo luidt zijn aantekening van 22-7-1940: “Van bij het begin zag ik de allerheiligste Drievuldigheid in mijn onmiddellijke nabijheid. Ik meen dat men de priester moet zeggen dat hij zich bij de heilige Mis in de voelbare nabijheid van de allerheiligste Drievuldigheid bevindt.”

Laten we nu Pater Reus bij zijn H. Mis volgen.

Toen Pater Reus (op 25-9-1941) bij het slot van de psalm “Judica me” volgens het voorschrift, bij het Gloria Patri zich aanbiddend neerboog, zag hij plots voor zich twee rijen engelen, opstijgend tot de troon van de allerheiligste Drievuldigheid, die allen gelijktijdig met hem in diepe eerbied neerbogen. “Een vermaning met welke eerbied we deze lofprijzing moeten bidden. Een troost voor onze armoede, dat de heilige engelen ons helpen om aan de goddelijke Majesteit de verschuldigde eerbied te bewijzen!” Op 23-9-1945 schrijft hij: “Wat een onuitputtelijke genadebron bezit de priester om zo te zeggen in ieder woord van de heilige Mis! Van wat een hemelse rijkdom berooft hij zich als hij alles gedachteloos uitspreekt!”

Terwijl hij het “Kyrie” bad, zag hij (op 26-2-1941) hoe uit het allerheiligste Hart van Jezus een stroom opwelde die zich over hem uitgoot. Dit was voor hem een teken dat hij door deze stroom gereinigd moest worden. We smeken nooit tevergeefs om Gods barmhartigheid.

Bij het “Gloria” zag Pater Reus zich door een krans van engelen omgeven, die samen met hem luid de lofzang baden. Hij merkte daarbij meermaals op, hoe de woorden uit zijn mond als vuurvlammen tot Gods aangezicht opstegen. “Deze lofprijzing”, schrijft hij, “maakt veel goed voor de voortdurende nalatigheid van de mensen.” Verder schrijft hij: “Toen ik het altaar kuste, zag ik hoe ik de kus op de heilige lippen van Jezus drukte” (14-9-1943).

“Toen ik op 14 mei 1941 bij de bereiding van de offergaven het gebed “Ontvang, Heilige Vader...” bad, zag ik me plots voor de Hemelse Vader knielen. Ik bood Hem met beide handen mijn hart aan. Hij boog zich liefdevol tot mij neer en nam mijn hart met beide handen aan. Dan legde ik de hostie op het altaar neer. Deze goedheid van de Hemelse Vader maakte zo’n indruk op mij, dat ik in tranen uitbrak en een poosje moest wachten. De Hemelse Vader heeft me zo getoond dat dit gebruik, zichzelf op te offeren samen met het brood en de wijn, Hem zeer welgevallig is.”

Na alles wat tot hiertoe vermeld werd, is het niet te verwonderen dat Pater Reus zeer dikwijls, ook bij het gebed “Kom Heiligmaker...” de Heilige Geest mystiek mocht aanschouwen. Terecht merkt de dienaar Gods op: “Men vergeet te gemakkelijk dat het allerheiligste Offer, dat de Verlosser door de handen van de priester opdraagt, ook opgedragen wordt ter ere van de Heilige Geest. Met een onbeschrijfelijke liefde en innigheid vergeldt de Heilige Geest de liefde van Zijn armzalige schepselen. Hij is immers de liefde van de Vader en de Zoon.”

Ook bij de handwassing zag Pater Reus de Heilige Geest over zich, en hoe Hij hem zijn reinheid meedeelde. Om die reinheid bidt de priester immers in deze psalm, in opdracht van de Kerk. In verband met zijn lievelingsgodsvrucht tot het H. Hart van Jezus mocht Pater Reus bij ditzelfde deel van de heilige Mis nog een andere betekenis zien: “Toen ik na de offerande de handen waste, zag ik water vloeien uit de heilige zijdewonde van Jezus, dat me de handen en de ziel reinigde en zo voor God aangenaam moest maken. Het is steeds het heilig Bloed van Jezus dat ons van onze zonden reinigt. Men vergeet te gemakkelijk dat iedere plechtige handeling niet enkel een betekenis, maar ook een hemelse kracht bezit, om de priester en het volk te heiligen.”

Toen Pater Reus op 20 september 1938 het “Sursum Corda” sprak, zag hij zijn hart letterlijk omhoogvliegen. Hij knoopte daaraan de volgende overweging vast: “Daarmede wil het allerheiligste Hart van Jezus zeker te verstaan geven dat de woorden die in de heilige Mis gesproken worden, ook hun geheimenisvolle uitwerking hebben.”

Het daaropvolgende “Sanctus” bad hij waarneembaar met het koor der engelen, die aanbiddend rond de troon stonden. Een visioen bij de woorden “Benedictus qui venit…” beschrijft Pater Reus (op 27 mei 1940) met de volgende woorden: “Ik zag plots boven mij de goddelijke Heiland. Dan zag ik engelen. Ze begeleiden hun Heer als hij op de liefdeloze wereld neerdaalt, om zich opnieuw te offeren en bij ons te blijven. In de lege, door mensen verlaten kerken aanbidden ze Hem en houden Hem gezelschap, dat Hij tevergeefs bij de mensen zoekt. Ik moet dit schrijven en tekenen.”

“Bij het gebed “Te igitur” (Neem aan o Heer) vermeldt de pater op 21 november 1943: “Ik zag opeens het allerheiligste Hart van Jezus naast het mijne, en dan het allerheiligste Hart te midden van licht, dat ook over mijn hart uitstraalde. Dit duurde tot aan de Communie. De priester en de goddelijke Verlosser zijn één in het heilig Offer, maar heel de waarde en de schoonheid komt van zijn allerheiligste Hart.”

Het eigenlijke wonder van de goddelijke liefde is bij de eucharistieviering de heilige consecratie en de Communie. Dit wonder bleef voor Pater Reus onuitsprekelijk.

Hij was er dag na dag, jaar na jaar, door de goddelijke genade zo van aangegrepen, dat hij de laatste decennia bij iedere consecratie en Communie in extase viel, zijn ziel onderbrak voor kortere of langere ogenblikken haar dienst in het lichamelijk leven en verzonk als geest helemaal in de Geest van God, dompelde zich letterlijk in Gods onbegrijpelijke, oneindige liefde, in zijn geheimenisvol licht en leven onder.

childjesus

Op 19 februari 1943 beschrijft hij vol bewogenheid zijn vervoering: “Reeds bij de consecratie van het brood zag ik uit het Hart van de Hemelse Vader het Kindje Jezus uittreden. Ik zag dit heel duidelijk toen ik de consecratiewoorden over de kelk sprak. Het is een wonderbare liefde van de Hemelse Vader, dat Hij zijn eniggeboren Zoon dag na dag door de handen van de priester laat komen naar zijn aardse kinderen. Hoe waar is het toch wat de Heiland zegt: “De Vader heeft u lief!” – De liefde van God tot de mensen is het onbegrijpelijke, grote mysterie, het grootste dat bestaat. De almacht wordt tot onmacht aan het kruis – voor ons!”

Het mysterie van de heilige consecratie werd hem nog duidelijker getoond op 22 oktober 1941: “Reeds vóór de heilige consecratie was de goede Heiland daar aan het kruis, vervolgens de Hemelse Vader en daarboven de Heilige Geest, en daarrond een krans van engelen. Bij de woorden: “Dit is de kelk van mijn Bloed” zag ik het heiige bloed van Jezus in de kelk vloeien, die ik in de hand hield.”

Op 17 februari 1940 beleefde hij bij de heilige consecratie het volgende: “Zodra ik de eerste woorden over de kelk sprak ‘Hic est…’ (dit is…) vielen druppels van het heilig Bloed uit de Zijdewonde in mijn kelk. Toen ik verder sprak ‘calix sanguinis….’ (de kelk van Mijn Bloed) vloeide het Bloed stromend in de kelk. Heilige, troostvolle waarheid! Het Bloed van Christus, de Zoon van God, vloeit werkelijk, zij het ook onder een sluier verborgen, onder mijn hand op het altaar! Wat een genade voor mij dat Hij de geheimenisvolle sluier weggetrokken heeft en zich gewaardigd heeft mij de werkelijkheid te tonen!”

“De heilige Mis is waarachtig de hernieuwing van het kruisoffer van Christus! Christus heeft zichzelf in een eenmalige goddelijke liefdedaad aan de Vader opgeofferd – in onze naam en voor ons. Hij hernieuwt deze liefde – en offerdaad in iedere heilige Mis! Gratias agamus!”

Volgende keer deel 3: de rest van de H. Mis.

Uit: De Heilige Mis, een zee van genaden – De priester, een tweede Christus – Bijlage aan het contactblad “Vlaanderen naar Maria”, zomernummer 1987. Uitgegeven door L. Van den Borre, Oostende.

Visioenen over de H. Mis uit de openbaringen van Pater Johannes Reus S.J. (deel 1)

johreus

Uit de openbaringen van de grote mystieker Pater Johannes Reus S.J. in de oorspronkelijke taal met kerkelijke goedkeuring gepubliceerd door E.H. Alfons Weigl.

Pater Reus werd waardig bevonden het genaderijkste mysterie van ons geloof ongesluierd met zijn ziel te aanschouwen – dat wil zeggen op een geestelijke niet aan de zintuigen gebonden manier – en dit gedurende vijfendertig jaar.

Hij mocht klaar inzien dat de H. Mis het hoofdbestanddeel van iedere godsverering is, de hoogste aanbididng en dankzegging en tegelijk een onuitputtelijke bron van genade. Deze mystieke belevenis heeft echter voor hemzelf het geloof niet opgeheven, maar nog meer verdiept, nog levendiger gemaakt. Hij zei herhaaldelijk: “We moeten leren geloven! Deemoedig, met overgave en vertrouwen geloven!” Op aanschouwelijke en tegelijk overweldigende manier mocht hij ervaren dat de goddelijke Hogepriester in de gewijde priester op aarde voortleeft en voortwerkt. Ja, dat Christus aan het altaar met de priester één wordt, dat Christus zelf in de priester het Heilig Offer, de onbloedige vernieuwing van zijn Kruisdood opdraagt. Zeer vaak zag Pater Reus in zijn priesterhand de stralende hand van zijn Verlosser. Zo schrijft hij op 7 augustus 1937: “Bijzonder bij de heilige consecratie zag ik weer de stralende hand van de goddelijke Verlosser, hoe die alle gebaren met mij en in mij maakte. Ik voelde het gewicht duidelijk, hoe twee stemmen dezelfde woorden spraken, namelijk mijn stem en die van de goddelijke Verlosser. Ik wil niet beweren dat ik met de lichamelijke oren de geheimenisvolle stem van de Heer vernam, daar ik tot hiertoe nooit met de lichamelijke zintuigen iets dergelijks waarnam. Maar het was alsof ik het met de lichamelijke oren ook hoorde. Bij de consecratie van de wijn hoorde ik heel duidelijk hoe de goede Heiland die consecratiewoorden in mij en met mij sprak, en hoe bij de opheffing van de kelk zijn stralende, goede handen in de mijne waren.”

“Niet enkel bij de consecratie, ook bij een ander onderdeel van de heilige Mis hoorde ik hoe de Heiland dezelfde woorden sprak. En bij de zegen, tot besluit van de Heilige Mis, zag ik hoe Hij met zijn rechterhand het kruisteken tezelfdertijd met mij maakte. Wat de priester zegent, is immers door God zelf gezegend en gewijd. Deze bekende waarheid liet de Heer mij waarneembaar zien, om in mij het vertrouwen op de zegen van de Kerk te vermeerderen.” (7-07-1946)

De Heer zelf- zo getuigt Pater Reus herhaaldelijk – vierde met mij het heilig Misoffer. Bij deze eenheid met Christus verwees Pater Reus ook op de zichtbare bijstand, die de Moeder van de Verlosser hem vaak verleende. Hij zag, hoe de lieve moeder Gods hem na de heilige consecratie de handen op de schouder legde of boven hem hield, en een andere keer vermeldt hij: “Ik zag de goede Heer aan het kruis en aan zijn rechterzijde de allerheiligste Maagd Maria, hoe ze Hem tijdens zijn bloedig Offer nabij bleef en vertrouwvol tot Hem opkeek.” Waar de goddelijke Zoon is, daar is ook zijn Moeder; waar de priester van Christus is, daar is ook Maria. Ze streeft voor hem de innigste verenging met Christus na.

Vooral bij het eucharistisch offer werd het de dienaar Gods bijzonder duidelijk, hoezeer de priester de plaatsvervanger van Christus is, hoe hij in de ware zin van het woord een “tweede Christus” is, zijn alter-ego. Omstreeks 1900 openbaarde de Heer aan één van zijn begenadigden: “De priesters zijn mijn alter-ego, mijn tweede ‘Ik’.” Paus Pius X was ontsteld toen hij deze woorden hoorde.

Volgens het conciliedecreet handelt de priester in de persoon van Christus en is door zijn leven en werken de afbeelding van Christus (constitutie over de Kerk). Samen met Christus en in eenheid met Hem biedt de priester aan de Hemelse Vader de hoogste aanbidding, eer en liefde aan.

Wat de priester echter in waarheid geheel tot priester maakt is de liefde en offervaardigheid. Daarom kon Pater Reus niet genoeg doen om de Heiland steeds opnieuw zijn liefde te betonen. Ontelbare malen sluiten zijn aantekeningen met een van harte gemeend: “Geef dat ik U waarachtig bemin!” Het grootste dat een priester kan schenken is de liefde, de onvoorwaardelijke overgave van zijn persoon aan zijn Heer en Meester, de opoffering van geheel zijn wezen. Het reine, heilige offer van Christus, schreef de pater eens, vereist lelieblanke priesters, zoals Jezus zelf is (10-7-1943). Het vereist priesters die bereid zijn met Jezus mee te offeren en mee te sterven. Pater Reus was zich op ieder ogenblik bewust: Zo hoog God de priester uit het volk omhoog heft, zo diep moet de priester zichzelf buigen.

Er ging telkens een huivering door hem als hij de hemelse Vader het kostbaar Bloed van de goddelijke Zoon in het heilig Misoffer opdroeg. Hij voelde zich daartoe steeds onwaardig. Maar als hij in de allerdiepste dankbaarheid de kelk met het H. Bloed in de handen hield, was het hem te moede alsof de hele mensheid met hem dankbaar moest knielen, omdat het grote wonder van de hernieuwing van het kruisoffer voltrokken mocht worden, niet een herinnering eraan of een symbool ervan.

“Groot is het loon van de liefde.”

De diepgelovigen, tot alle offers bereide Reus mocht bij de H. Mis niet enkel de overweldigende liefde van de Heilige Drievuldigheid ervaren, maar ook de heel persoonlijke liefde van ieder der drie goddelijke Personen, en dit vaak op een onuitsprekelijke manier. Die liefde echter, beklemtoont hij uitdrukkelijk, geldt ook voor iedere goede priester, die zich daarvoor niet onwaardig maakt. Weliswaar is die liefde niet waarneembaar, maar ze is een feit, zoals de intiemste levensgemeenschap tussen Christus en de priester Reus zich dagelijks in mystieke wijze in zijn heilige Mis hernieuwde. Pater Reus was overtuigd dat de bijzondere genadeblijken van de goddelijke liefde alle priesters en gelovigen ten deel vallen, maar dat deze wonderen van de goddelijke goedertierenheid alleen gewoonlijk niet gezien kunnen worden.

Volgende keer volgen we Pater Reus bij zijn heilige Mis.

Uit: De Heilige Mis, een zee van genaden – De priester, een tweede Christus – Bijlage aan het contactblad “Vlaanderen naar Maria”, zomernummer 1987. Uitgegeven door L. Van den Borre, Oostende.

Uit de dromen van Don Bosco: Dominiek Savio, de Godsgezant (2)

dominiek savio

Vervolg:

Het hemels gewaad

Gaandeweg was ik weer tot mijzelf gekomen en beschouwde thans vol bewondering de schoonheid van Savio en zijn gezellen. Na een ogenblik hernam ik:

-‘Waarom draagt ge zulk een witte en schitterende mantel?’

Savio antwoordde niet, maar het koor begon te zingen onder begeleiding van al die instrumenten. ‘Ipsi Habuerunt Lumbos Praecinctos Et Dealbaverunt Stolas Suas In Sanguine Angi (Dezen hebben hun lendenen omgord en hun klederen wit gewassen in het Bloed van het Lam)’. Toen het gezang ophield vroeg ik:

-‘Waarom draagt ge om uw lenden die purperen gordel?’

Savio bleef zwijgen maar Don Alossonati begon te zingen: ‘Virgines Enim Sunt Et Sequuntur Agnum Quocumque Ierit (Omdat ze maagdelijk zijn, volgen ze het Lam overal waar Het gaat).’ Toen begreep ik dat die gordel het symbool was van de offers die Dominicus had moeten brengen om de reinheid te bewaren, offers zo zwaar, dat ze het martelaarschap nabij komen. Opgetogen over hetgeen ik hoorde en over de menigte jongens, die ik zag een weinig achter Dominicus, vroeg ik:

-‘En wie zijn dit?’

Savio bleef nog zwijgen, maar allen tezamen begonnen zij te zingen: ‘Hi Sunt Sicut Angeli Dei In Coelo (Dezen zijn gelijk de Engelen Gods in de Hemel)’.

De boodschap

Echter scheen het dat Savio de voorrang had op allen, want zij bleven enige passen achter hem. Daarom sprak ik tot hem:

-‘Leg mij dit nog eens uit, Savio, waarom zijt gij de eerste, terwijl ge toch de laatste zijt van diegenen die in onze huizen gestorven zijn? Waarom spreekt ge terwijl zij allen zwijgen?’

-‘Omdat ik de oudste ben van al deze knapen.’

-‘Welnee. Velen zijn ouder dan gij.’

-‘Ik ben de oudste van diegenen die in het Oratorium gestorven zijn. Bovendien Legatione Fungor (Ik vervul een zending).

Dit antwoord verklaarde mij de reden van zijn verschijnen: hij trad hier op als afgezant van God. Daarom zei ik:

-‘Goed, laten wij dan eens praten over de dingen die voor het ogenblik van het grootste belang zijn.’

-‘Ja, maar spoedig, want de tijd gaat snel voorbij en ik heb nog slechts enkele ogenblikken om met u te verblijven.’

-‘Ik ben overtuigd dat gij mij een belangrijke boodschap hebt te brengen.’

-‘Wat kan ik, ellendig schepsel, u zeggen?’, antwoordde Savio met oprechte nederigheid. ‘Mijn zending komt van God; ja God zendt mij om met u te spreken.’

-‘Welnu, spreek mij dan over het verleden, over het heden en over de toekomst van het Oratorium. Zeg mij ook iets over mijn dierbare zonen, over mijn Congregatie.’

-‘Over dat alles zou ik u veel te zeggen hebben.’

-‘Spreek dan over het verleden, zeg mij wat gij weet.’

-‘Het verleden behoort ons niet meer.’

-‘Heb ik domheden begaan?’

-‘In het verleden heeft de congregatie zeer veel goed gedaan. Ziet gij deze eindeloze stoet van jongelingen?’

-‘Ja, ik zie ze. Wat zijn er veel en wat schijnen ze gelukkig!’

-‘Zie wat er op de ingang van deze tuin geschreven staat.’

Ik zag toe en las: Hof der Salesianen.

-‘Welnu,’ vervolgde Savio, ‘diegenen die ge daar ziet zijn allen Salesianen; ofwel zijn ze uw leerlingen geweest en hebben ze met u in betrekking gestaan; ofwel werden ze gered door uw religieuzen of door de priesters, wier roeping gij hebt aangekweekt. Probeer ze eens te tellen als gekunt. Toch zouden het er honderdduizend maal meer zijn, als ge meer geloof gehad had.’

Een diepe zucht ontsnapte mij, toen ik dit verwijt hoorde; ik nam mij voor in het vervolg met meer geest van het geloof te handelen.

-‘En het heden?’, vervolgde ik.

Savio toonde mij toen een prachtige ruiker, die hij in de hand had. Hij bestond uit viooltjes, rozen, zonnebloemen, gentianen, leliën en vergeet-mij-nietjes met hier en daar enige korenaren. Hij bood hem mij aan, zeggende:

-‘Zie wel toe!’

-‘Ik zie het, maar ik begrijp het niet.’

-‘Deze ruiker moet gij aan uw zonen schenken. Zorg dat ze hem allen hebben en dat niemand hem hun ontneme. Hij zal hun geluk uitmaken.’

-‘En wat beduidt die ruiker?’

-‘Neem uw theologie, daar zult ge het in vinden.’

-‘De theologie, zeker, die heb ik bestudeerd, maar ik zie niet hoe ik daar de oplossing kan in vinden.’

-‘En toch zijt ge streng verplicht het te weten.’

-‘Welnu dan, help mij uit de moeilijkheid en geef mij de verklaring.’

-‘Ge ziet deze bloemen. Zij verbeelden de deugden, die God het meeste behagen.’

-‘Welke zijn die deugden?’

-‘De roos is het symbool van de liefde, het viooltje van de nederigheid, de zonnebloem van de gehoorzaamheid, de gentiaan zegt boetvaardigheid en versterving, de korenaren beduiden de veelvuldige Communie, de lelie de schone deugd waarvan geschreven staat: Erunt Sicut Angeli Dei in Coelo (Zij zullen zijn gelijk de Engelen Gods in de hemel); het vergeet-mij-nietje ten slotte betekent dat deze deugden altijd moeten voortduren; dit bloempje betekent de eindvolharding.’

-‘Komaan, mijn beste Savio, zelf hebt ge al deze deugden beoefend. Zeg mij nu eens, welke heeft u de grootste troost verschaft in het ogenblik van sterven?’

-‘Wat denkt ge er zelf van?’, vroeg Savio

-‘Misschien dat gij de zuiverheid ongerept bewaard hebt?’

-‘Dat niet alleen.’

-‘Wellicht de vreugde over een gerust geweten?’

-‘Een goed geweten is veel waard, maar er is iets beters.’

-‘Was dan misschien de hoop op de hemel uw grootste troost?’

-‘Neen, ook niet.’

-‘Maar wat dan? Je overvloedige goede werken?’

-‘Neen.’

En bijna smekend hield ik aan, toen ik zag dat ik het niet raden kon.

-‘Maar wat dan?’

Eindelijk antwoordde Savio:

-‘Het was de bijstand van de lieve en machtige Moeder Gods. en dat moet ge ook aan uw zonen zeggen, opdat ze nooit ophouden haar te bidden tot aan het einde van hun leven. Maar haast u als ge nog een antwoord van mij verlangt.’

-‘Nu de toekomst.’

-‘Het volgend jaar (1877), zult ge zwaar beproefd worden. Zes en twee van uw meest geliefde zonen zullen tot het eeuwige leven worden opgeroepen. God zal ze van deze aarde wegnemen om ze over te planten in het Paradijs. Maar God zal u bijstaan en u in hun plaats anderen zenden van even gelijke deugd.’

-‘En wat de Congregatie betreft?’

-‘Wat de Congregatie betreft, het volgend jaar zal heer zulk een schone glans schenken, dat zij gelijk een zon de vier hoeken der wereld zal verlichten. Van het oosten tot het westen, van het noorden tot het zuiden wacht haar een schitterende glorie. En gij zelf, ziet wel toe dat de wagen waarin God de Heer zich bevindt, niet door de schuld van uw zonen van de rechte weg afwijkt. Als uw priesters de Congregatie weten te besturen en zich hun hoge zending waardig tonen, zal de toekomst schitterend zijn en aan een groot aantal zielen de zaligheid brengen, echter op voorwaarde dat uw zonen getrouw de godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd blijven beoefenen en de kuisheid bewaren, welke deugd aan God bijzonder dierbaar is.’

-‘Wilt gij mij thans nog iets zeggen aangaande de Kerk?’

-‘Het lot der H. Kerk is in Gods hand; hij behoudt dit geheim voor zich.’

-‘En Pius IX?’

-‘Pius IX heeft nog slechts een weinig te strijden, dan zal hij gekroond worden. Binnenkort zal hij dit leven verlaten en van God de kroon ontvangen die hij verdiend heeft. Wat de Kerk zelf aangaat, deze is onvergankelijk. Hebt ge nog iets te vragen?’

-‘En ik zelf?’

-‘O! Als ge eens wist hoeveel ge nog te strijden hebt! Maar haast u, want ik heb bijna geen tijd meer om met u te spreken.’

Zielenkennis

Toen strekte ik mijn hand uit om hem te grijpen, maar alsof zijn handen van lucht waren, voelde ik niets.

-‘Wat wilt ge?’, vroeg Savio glimlachend.

-‘Ik ben bang dat ge mij verlaat. Zij gij hier dus niet met uw lichaam? Wat is dan die gedaante? Want ik zie werkelijk het gezicht van Savio.’

-‘Gij moet weten, dat volgens Gods Wil de ziel, van het lichaam gescheiden, de uiterlijke gedaante daarvan behoudt. Daarom schijnt het dat ik handen en een hoofd heb, doch gij kunt mij niet betasten, want ik ben een geest. Door mijn uiterlijke gedaante ben ik te herkennen.’

-‘Nu begrijp ik het. Maar nog een vraag, luister. Zijn mijn jongens op de weg ter zaligheid?’

-‘Wat de jongens betreft, die de Voorzienigheid u heeft toevertrouwd, deze kan men in drie klassen verdelen. Zie gij deze briefjes?’

Hij reikte mij toen drie briefjes over.

-‘Bekijk ze aandachtig’, zei hij.

Ik opende het eerste briefje en las: Invulnerati (Ongekwetsten). Het bevatte de namen van diegenen die de duivel nooit had kunnen verwonden en die hun onschuld onbesmet bewaard hadden. Ze waren talrijk en ik zag ze allen. Velen waren mij bekend, andere kende ik in het geheel niet; dat waren waarschijnlijk diegenen die later in onze gestichten en colleges zouden komen. Zij liepen fier rechtop, niettegenstaande de pijlen die tegen hen werden afgeschoten en de sabelhouwen die zijn van alle kanten ontvingen. Toen gaf Dominiek mij het tweede briefje, waarop te lezen stond het woord: Vulnerati (Gekwetsten). Het bevatte de namen van diegenen die gewond waren door de zielenvijand, en Gods genade hadden verloren, maar genezen door berouw en een goede biecht. Dezen waren talrijker dan de eersten. Ik las het briefje en ik zag ze allen.

Savio had thans nog het derde briefje, waarop stond te lezen: Lassati in via iniquitatis (Zij die volharden in de boosheid); dat waren al diegenen die leefden in staat van doodzonde. Ik was vol ongeduld om ze te kennen, en strekte mijn hand uit om het briefje aan te nemen. Maar Savio zei enigzins geprikkeld:

‘-Neen, wacht een ogenblik. Wanneer gij dit briefje openvouwt, zal er een stank opstijgen, die gij niet zult kunnen verdragen. De engelen en de Heilige Geest zelf worden die lucht gewaar en hebben er een afschuw van.’

-‘Hoe kan dat,’ vroeg ik, ‘daar God en de engelen niet aan lijden onderhevig zijn?’

-‘Hetgeen ik zeg betekent dat God en zijn engelen gaarne met deugdzame en reine zielen verkeren, doch zich verwijderen van de bozen en onzuiveren.’

Dan gaf hij met het derde briefje en voegde er bij:

-‘Neem het en doe er voordeel mee bij uw jongens, maar vergeet de ruiker niet die ik u getoond heb. Zorg, dat allen die bewaren.’

Na dit gezegd te hebben, trok Savio zich terug te midden van zijn kameraden, als wilde hij vluchten. Dan opende ik het briefje. Er stond geen enkele naam op, maar terstond zag ik al diegenen die er in bedoeld waren, alsof zij voor mij stonden. Ik zag hen met grote droefheid in het hart, want ik herkende het grootste gedeelte ervan: het waren leerlingen van het Oratorium of van andere colleges. Velen van hen gingen door voor brave jongens, enkelen zelfs werden beschouwd als voorbeelden voor hun makkers, maar hoe vergiste men zich! Zodra ik het briefje geopend had, verspreidde het zulk een ondraaglijke stank, dat ik meende te sterven van benauwdheid. Het werd donker en het wonderbare gezicht verdween. Ik hoorde een zware donderslag en ik ontwaakte vol schrik. Deze ondraaglijke lucht drong in de muren van het vertrek en hechtte zich aan mijn kleren, zodat ik het nog lang daarna gewaar was. Zelfs heden wordt ik nog onwel als ik eraan denk.

Tijdens mijn verblijf te Lanzo onderhoorde ik dezen en genen en ontbood er zelfs enigen bij mij om die dingen te onderzoeken, en ik stel vast dat deze droom geen begoocheling geweest is. Ja, waarlijk, de Geest Gods heeft mij de staat uwer ziel geopenbaard; echter ik kan daarover niets in het openbaar zeggen. Ik heb u nog veel dingen te verklaren, maar ik houd dat voor later. Voor deze keer is het genoeg… Goede nacht!

Uit: Dromen van Don Bosco, Imprim. 1937, J.JACOB, vic. gen.; Ecole Prof. St. J-Berchmans, Luik, 1944

Uit de dromen van Don Bosco: Dominiek Savio, de Godsgezant (1)

dominiek savio

In de avond van 22 oktober 1876 riep Don Bosco de gehele communiteit bijeen in de spreekkamer der leerlingen. Eerst zei hij dat de dromen ons in de slaap overkomen en dat we er dus geen al te grote betekenis aan moeten geven, maar dat men er dikwijls iets uit leren kan. Daarna vervolgde hij: “De 6de oktober van dit jaar bevond ik mij te Lanzo en op die avond overviel mij een droom. Ik weet niet juist meer of ik aan mijn schrijftafel zat of in mijn kamer heen en weer liep; ofwel reeds in bed lag. In ieder geval staat het vast dat ik zeer merkwaardige en wonderbaarlijke dingen gezien heb.

De hemelstreek

Ik stond op een hoogte in de nabijheid van een vlakte, eindeloos als de zee, zodat ik het einde er van niet kon zien. Die vlakte was blauw gelijk een kalme waterplas. Zij was verdeeld in ruime en onuitsprekelijke schone tuinen waarin terrassen en priëlen en perken met bloemen van allerlei kleuren. Geen van de ons bekende bomen of gewassen is te vergelijken met wat ik zag. Het gras, het gebloemte en de struiken waren met geen andere te vergelijken en waren in elk opzicht bewonderenswaardig. De bladeren van de bomen waren als goud, de stam en de takken diamant. Ik zag ontelbare paleizen, die als gezaaid lagen in de uitgestrekte tuinen, maar op rechte rijen en zo ongekend schoon, dat ik bij mijzelf zei ‘als onze jongens slechts één enkel van deze paleizen hadden, wat zouden ze gelukkig zijn daarin te mogen wonen.’ Dan na de uiterlijke schoonheid ervan bewonderd te hebben, dacht ik aan de luister van de binnenkant die nog veel schitterender moest zijn.

En terwijl ik bij dit alles opgetogen stond toe te zien, hoorde ik plotseling muziek, zo zoet en zo welluidend, dat de heerlijkste stukken van Mgr. Cagliero en van Maëstro Dogliani het er niet bij kunnen halen. Er waren duizenden speeltuigen die elk een verschillende toon voortbrachten, zodat men alle denkbare tonen tegelijk hoorde en daarbij een ontelbare menigte zangstemmen. Dan zag ik veel volk dat zich ophield in de tuinen. Enigen speelden op instrumenten, anderen zongen; men hoorde gelijktijdig al de tonen van de toonladder, van de hoogste tot de laagste in volmaakte harmonie. Het is niet mogelijk iets te vinden om dit klankspel mee te vergelijken. Tevens merkte ik op dat diegenen die zongen, niet slechts genoten van het genoegen zichzelf te horen, maar dat zij ook een onuitsprekelijke vreugde smaakten bij het horen van de anderen. Het lied dat zij zongen luidde aldus: ‘Salus Honor, Gloria Deo Patri Omnipotenti, Auctori Saeculi, Qui Erat, Qui Est Et Qui Venturus Est Judicare Vivos Et Mortuos In Saecula Saeculorum (Lof, eer en glorie aan God de Almachtige Vader, de Schepper van de wereld, die was, die is en die de levenden en doden zal komen oordelen, in de eeuwen der eeuwen).

Daar is hij

Geheel buiten mijzelf luisterde ik toen ik opeens een ontelbare menigte jongens tot mij zag naderen. Ik herkende velen van hen, die in het Oratorium of andere van onze huizen bezocht hadden. Het merendeel echter, was mij geheel onbekend. De gehele stoet kwam in de richting van de plaats waar ik stond. Voorop schreed Dominiek Savio, daarna kwamen Don Alassonati, Don Chiala, Don Guilitto, vervolgens een aantal priesters en een groot getal theologanten, die elk een groep jongens begeleidden.

Ik zei bij mezelf: ‘Droom ik of ben ik wakker?’ En ik klapte in de handen, klopte op mijn borst om mij te overtuigen dat dit schouwspel werkelijkheid was. De groep bleef staan op acht of tien pas afstand van mij. Dan zag ik een bliksemstraal, de muziek hield op met spelen en een diepe stilte volgde. Al de knapen schenen opgetogen van een hemelse vreugde, welke op hun gelaat te lezen stond. Dominiek alleen trad enige stappen nader. Hij stond zo dicht bij mij dat ik hem met de hand kon raken.

Hij zweeg en zag me lachend aan. Wat was hij schoon de lieve jongen! Met niets was zijn kleed te vergelijken: ’t was witter dan de wintersneeuw, ’t was fonkelend, gans van diamanten en hing recht door de hals tot de voeten. Om zijn lenden droeg hij een rode gordel met kostbare parelen versierd. Om de hals hing een snoer van vreemde kristallige bloempjes, waar een wonder licht uit straalde over het blozend fris gelaat. Op het voorhoofd prijkte een kroon van rozen, zijn golvend haar hing tot op zijn schouders, liefelijk als hemelklaarheid rond dat wezen, rond die blikken, hij was als een Engel Gods. Zijn kameraden droegen eveneens schitterende klederen, doch zeer verschillend. Allen hadden echter de purperen gordel. Buiten mijzelf bleef ik dat alles aanzien, niet meer wetend waar ik mij bevond.

Het hemels licht

Eindelijk verbrak Dominiek de stilte en sprak tot mij:

-‘Welhoe, zijt ge bevreesd voor zulk een kleinigheid? Zijt ge dan soms niet meer die onverschrokkene, die laster noch vervolging duchtte? Waar is thans uw moed? Waarom schijnt ge in de war en waarom zegt ge niets?’

-‘Ik zou waarlijk niet weten wat ik zeggen moet. Gij zijt toch Dominiek Savio?’

-‘Zeker, herkent ge me dan niet?’

-‘En wat doet ge hier?’ vroeg ik verlegen.

Daarop antwoordde Savio met ontroerde tederheid in zijn stem:

-‘Ik ben hier gekomen om met u te spreken. Zo dikwijls hebben wij met elkander gesproken op aarde. Weet ge nog, hoeveel ge van mij hield? Hoeveel blijken van uw genegenheid hebt ge mij toen gegeven! Heb ik aan uw zorgen niet beantwoord? Heb ik u niet mijn ganse vertrouwen geschonken? Waarom dan zijt ge nu bevreesd?’

-‘Ik ben onthutst omdat ik niet weet waar ik mij bevind.’

-‘Ge zijt in het verblijf der zaligheid.’

-‘Dus hier beloont God de rechtvaardigen?’

-‘Hier genieten wij niet van de eeuwige goederen, doch slechts een tijdelijk geluk.’

-‘Oh, ik meende dat dit de hemel was.’

-‘Geenszins. Geen sterveling is in staat de eeuwige schoonheid te aanschouwen.’

-‘Maar dat buitengewoon schitterende licht is toch zeker wel het licht des hemels?’

-‘Neen, dat is een natuurlijk licht, versterkt door de Almacht Gods.’

-‘Zou ik niet iets van het bovennatuurlijk licht kunnen zien?’

-‘Onmogelijk, zolang men niet tot de zaligheid is toegelaten. De minste straal van dat licht zou voldoende zijn om iemand ogenblikkelijk te doen sterven.’

-‘En zou ik niet een natuurlijk licht kunnen zien, nog schooner dan dit?’

-‘Ja, dat wel. Kijk hier.’

Ik zag toe. Dan verscheen in de verte een kleine straal van licht, zo sterk, dat ik de ogen sloot en een gil slaakte waardoor Don Lemoyne, die in de kamer ernaast sliep, wakker werd. Dat licht was honderd miljoen maal sterker dan het zonlicht en deze straal was voldoende om het ganse heelal te verlichten. Na enkele ogenblikken opende ik de ogen en zei tot Savio:

-‘Wat is dat voor een licht? Is dat niet het goddelijk licht?’

-‘Neen, dat is nog geen bovennatuurlijk licht, hoewel het reeds veel sterker is dan het gewone natuurlijke licht. Het is een natuurlijk licht, versterkt door de Almacht Gods. Maar toch, als een grote stralenkrans van dat licht, waarvan gen u een straaltje gezien hebt, de wereld zou omgeven, dan nog zoudt ge geen denkbeeld hebben van hetgeen de glorie des hemels is.’

-‘Maar wat is nu eigenlijk uw geluk in de hemel?’

-‘Het is onmogelijk u dat te doen begrijpen. Wij smaken God, dat zegt alles.’

(Volgende keer het vervolg…)


Uit: Dromen van Don Bosco, Imprim. 1937, J.JACOB, vic. gen.; Ecole Prof. St. J-Berchmans, Luik, 1944

De doodsangst van Jezus in de Hof van Olijven

mp2

De doodsangst van Jezus in de Hof van Olijven bestond uit verschillende delen:

  1. Hij aanschouwde al de zonden van het begin tot het einde der tijden
  2. Hij zag het vreselijk lijden dat Hij daarvoor moest ondergaan, om te voldoen voor die zonden, de gruwelijke foltertuigen, en al de kwellingen en smarten die Hij zou lijden.
  3. Hij zag de scheuringen en ketterijen in Zijn Kerk, de godslasteringen, de ontelbare heiligschennissen van het H. Sacrament, de lauwheid en de ondankbaarheid van talloze toekomstige christenen, en velen die zich in het verderf storten…

De onuitsprekelijke zielensmart die Jezus in die nacht heeft geleden kunnen wij als mens moeilijk bevatten.

Uit de visioenen van de zalige A.K. Emmerick:

Jezus aanschouwt alle zonden van de mensheid

zondenmensheiddoodsangst

Toen Jezus zich van Zijn leerlingen verwijderde, zag ik rondom Hem een brede kring van schrikbeelden, die Hem meer en meer insloot. Zijn droefheid en Zijn doodsangst groeiden aan; Hij begaf zich geheel sidderend in de grot, ten einde aldaar te bidden, zoals een mens die een schuilplaats tegen een onverwacht onweer zoekt; maar de dreigende gezichten volgden Hem overal, en werden hoe langer hoe duidelijker. Helaas! Die nauwe spelonk scheen het verschrikkelijk vertoog te bevatten van al de zonden, sedert de eerste val tot het einde der wereld bedreven, tegelijk met dat van de daarbij horende straf; want het was hier op de berg der Olijven dat Adam en Eva uit het Paradijs op de onherbergzame aarde gejaagd, gekomen waren; het was in diezelfde grot dat zij gezucht en geweend hadden. Ik gevoelde dat Jezus zich aan de smarten, welke Hij ging ondergaan, overliet, en zich aan de Goddelijke gerechtigheid, ter voldoening van de zonden der wereld, overgaf, en Zijn Godheid als het ware in de schoot der Drievuldigheid deed wederkeren ten einde aan de aandrift van Zijn eindeloze liefde te voldoen, en zich in Zijn reine, minnende, schuldeloze mensheid alleen, slechts met de gevoelens van Zijn menselijk hart gewapend, aan de woede van al de angsten en folteringen overgaf.

Het was uit liefde tot ons, zondaars, dat Jezus in Zijn barmhartigheid, in Zijn hart de wortel van alle boetdoende zuivering, van alle heilzame pijnen opnam, en toestemde dat die eindeloze folteringen, die boom van smarten met duizenden en duizenden takken, al de ledematen van Zijn heilig lichaam, al de krachten van Zijn heilige en vlekkeloze ziel doordrongen, ten einde te voldoen voor de wortel en de ontwikkeling van al de zonden en al de ongeregelde neigingen. Alzo geheel aan Zijn mensheid overgelaten, viel Hij, God aanroepend, in een onuitsprekelijke droefheid verzonken, op Zijn aangezicht neer; en al de zonden van de wereld verschenen aan hem, onder eindeloze gedaanten met geheel dezelfde inwendige afschuwelijkheid: Hij nam die op zich en offerde zich in Zijn gebed aan de gerechtigheid van Zijn Hemelse Vader, om die verschrikkelijke schuld te betalen. Maar Satan, wiens afgrijselijke gedaante zich met een helse lach te midden van al die afschuwelijkheden heen en weer roerde, werd meer en meer in een helse woede tegen Jezus ontstoken; en terwijl Hij voortdurend afgrijselijkere schrikbeelden in Zijn ziel deed oprijzen, riep hij herhaalde malen tot Jezus: “Welhoe! Zult gij deze ook op u nemen? Zult gij er de straf van dragen? Wilt gij voor dit alles voldoen?” Nochtans rees er van de kant van de hemel, van waar de zich zich tussen tien en elf uur aan ons vertoont, een straal op, zoals een lichtgevende weg: het was een rij engelen die tot Jezus neerdaalden, en ik zag dat zij Hem opwekten en versterkten. Het overige van de grot was vervuld met afgrijselijke beelden en verschijningen van onze misdaden, en van de beledigingen en aanvallen der duivelen. Jezus nam alles op zich, maar Zijn hart, het enige dat te midden van die oceaan van afschuwelijkheden vol was van de volmaaktste liefde tot God en tot de mensen, was vreselijk benauwd onder het gewicht van zovele verschrikkelijke zonden. Helaas! Ik zag daar zoveel dingen dat een jaar niet lang genoeg zou zijn om alles te verhalen.

[…]

In het begin was Jezus neergeknield en bad vrij kalm; maar later werd Zijn ziel verschrikt, op het zien van de talloze misdaden der mensen en van hun ondankbaarheid jegens God. Hij werd door zo’n geweldige droefheid bevangen dat Hij bevend en ijzend uitriep: “Mijn Vader, zo het mogelijk is, verwijder deze kelk!” Daarna bedaarde Hij en zei: “Nochtans dat Uw wil, niet de Mijne geschiede.” Zijn wil en die van de Vader waren slechts één, maar door zijn liefde aan de menselijke zwakheid overgeleverd, sidderde Hij, op het zien van de dood. Ik zag de spelonk, rondom Hem, met schrikbeelden vervuld; ik zag al de zonden, al de boosheid, al de ondeugden, al de folteringen, al de ondankbaarheden, die Hem overstelpten. Ik ontwaarde hoe de verschrikkelijkheden van de dood, de menselijke vrees voor de grootheid van Zijn smarten, gelijk aan afschuwelijke schimmen, hem drukten en overrompelden. Hij zwijmde hier en daar, wrong de handen tezamen; een kil zweet overdekte Hem, hij beefde en sidderde. Hij richtte zich op; zijn knieën wankelden en konden Hem nauwelijks ondersteunen, Hij was geheel misvormd en schier onherkenbaar, Zijn lippen waren bleek en Zijn haren rezen te berge.

[…]

Jezus ziet wat Hij moet lijden om te voldoen voor al die zonden

torturejesus

Jesus Being CrucifiedPP

Toen Jezus in de grot wedergekomen was, en met Hem al Zijn droefheden, wierp Hij zich met uitgestrekte armen op het aangezicht neer, en bad Zijn Hemelse Vader, maar er ontstond een nieuwe worsteling in Zijn ziel, die drie kwartier duurde. Engelen kwamen Hem, in een reeks van verschijningen, al de smarten tonen welke Hij moest omhelzen, ten einde voor de zonden te boeten; zij toonden Hem aan, welke voor de val, de schoonheid van de mensen, het beeld van God was en hoe zeer deze val hem mismaakt en veranderd had. Zij deden hem, in de eerste zonde, de oorsprong van alle zonden zien, de betekenis en het wezenlijke van de begeerlijkheid, haar verschrikkelijke uitwerkingen op de krachten der menselijke ziel, alsook de wezenlijkheid en de betekenis van al de straffen die met de begeerlijkheid overeenkomen. Zij toonden Hem, in de voldoening die Hij aan de Goddelijke rechtvaardigheid moest geven, een lijden van lichaam en ziel aan, met al de straffen voor de begeerlijkheid die het hele mensdom verschuldigd was, en hoe de schuld van het menselijk geslacht moest betaald worden door de menselijke natuur alleen. De natuur van de Zoon Gods, vrij van zonden, die door het uitwerksel van Zijn liefde de zonde en de straf van het mensdom op zich nam, moest zegepralen over de menselijke tegenstrijd van het lijden en de dood. De engelen vertoonden Hem dit alles onder verschillende afbeeldingen, en ik begreep, zonder hun stem te horen, hetgeen zij zeiden. Geen tong kan uitdrukken welke angst, welke smart de ziel van Jezus op het gezicht van die verschrikkelijke boetedoening kwam overstelpen; de ijselijkheid van deze verschijning was zodanig dat een bloedig zweet uit Zijn lichaam geperst werd. Terwijl de mensheid van Christus onder de verschrikkelijke drom van smarten verpletterd werd, ontwaarde ik een gevoel van medelijden in de engelen.

Jezus ziet vervolgens het lijden van Zijn Kerk, de scheuringen, de ketterijen, de ontelbare heiligschennissen, de dwalingen, de boosheid en de onverschilligheid van veel christenen en hun ondergang…

churchabandoned

Toen Jezus al de voorgaande strijden roemrijk en zegepralend had weerstaan, door Zijn volkomen overgeving aan de wil van Zijn Hemelse Vader, werd een nieuwe kring van verschrikkelijke verschijningen aangeboden: de twijfeling en de ongerustheid die in de mens, die zichzelf opoffert, die de offerande voorafgaan, stonden in de ziel van Jezus op; Hij stelde zichzelf deze schrikkelijke vraag: “Welk zal het nut van deze opoffering zijn?”; en het tafereel van de ijselijkste toekomst overstelpte Zijn minnend hart. […]

Nu verscheen voor de ziel van Jezus al het aanstaande lijden van Zijn apostelen, van Zijn leerlingen en van Zijn vrienden; Hij zag de eerste Kerk zo weinig talrijk, daarna, naarmate zij aangroeide, de ketterijen en de scheuringen er in vallen en daarbij de eerste val van de mens hernieuwend, door de hoogmoed en de ongehoorzaamheid. Hij zag de lauwheid, de bedorvenheid en de snoodheid van een talloze menigte christenen, de leugentaal en het bedrog van al de verwaande leraars, de heiligschennissen van al de slechte priesters, de noodlottige gevolgen van al deze werken, de afschuwelijkheid van de verwoesting in het rijk Gods, in het heiligdom van dat ondankbare mensdom, dat Hij op het punt stond, ten koste van Zijn bloed en onuitsprekelijke smarten, vrij te kopen.

Hij zag de ergernissen van alle eeuwen, tot onze tijden en zelfs tot het einde der wereld toe. Het waren beurtelings al de gedaanten der dwaling, der bedriegerij, der woedende dweepzucht, halsstarrigheid, boosaardigheid; al de afvalligen; de aartsketters, de hervormers onder een heilig voorkomen. De bedervers en bedorven beledigingen folterden Hem, alsof naar hun insziens Hij niet goed gekruisigd was geweest, alsof Hij niet had geleden op de manier waarop hun ijdele hoogmoed het had gewild en zich inbeeldde, en allen verscheurden, om het meest, het kleed zonder naad van Zijn Kerk; eenieder wilde dat de Zaligmaker, volgens zijn oordeel, verschillend zou zijn van Diegene die zich uit liefde tot ons gegeven heeft.

Velen mishandelden, versmaadden en verloochenden Hem; velen trokken de schouders op en schudden het hoofd over Hem, ontrukten zich uit de armen, welke Hij tot hen uitstrekte, en snelden naar de afgrond, waarin zij gedompeld waren. Hij zag er een oneindige menigte anderen, die Hem in het openbaar wel niet durfden te verloochenen, maar zich met afkeer van de wonden Zijner Kerk verwijderden, even als de Leviet de arme gewonde verliet. Hij verwijderde zich van Zijn gekwetste bruid, zoals lafhartige kinderen zonder geloof hun moeder verlaten op het ogenblik van de nacht, dat dieven en moordenaars aankomen, voor wie men door onachtzaamheid of snoodheid de deur heeft geopend. […]

In die talloze smartende taferelen, die voor de ziel van de Heer zweefden, nu onder veelvoudige gedaante, dan zich met een verschrikkende gelijkenis vernieuwende, zag ik Satan rondzwerven, die aan Jezus met geweld een grote menigte mensen, door Zijn bloed vrijgekocht, ontrukte en wurgde, zelfs van diegenen welke de zalving van Zijn Sacrament ontvangen hadden. De Zaligmaker zag met een bittere droefheid, al de ondankbaarheid, al de bedorvenheid van de eerste Christenen, van diegenen die later kwamen, van die van de toekomende en van de tegenwoordige tijd. Al die verschijningen, gedurende welke de Bekoorder onophoudelijk riep: “Wilt gij dan voor zo ondankbaren lijden?”, stortten met zoveel geweld en woede op Jezus neer, dat een onuitsprekelijke doodsangst zijn mensheid onderdrukte.

De Christus, de Zoon des mensen, worstelde en wrong de handen in elkaar, Hij viel als verplet op Zijn knieën neer, wentelde zich nu van de ene, dan van de andere kant, en Zijn menselijke wil leverde een zo hevige strijd aan de afkeer om voor een zo ondankbaar geslacht zoveel te lijden, dat het zweet met dikke druppels bloed van Zijn lichaam op de aarde neerviel. In Zijn verlatenheid, zag Hij rondom zich, als om hulp te zoeken, en scheen de Hemel, de aarde en de sterren van het uitspansel tot getuigen van Zijn smarten te nemen. Ik dacht Hem te horen roepen: “Helaas! Is het dan mogelijk van zoveel ondankbaarheid te ontmoeten? Wees getuige van mijn angsten!”

[…]

Ik keerde tot mijn hemelse Bruidegom in zijn smartvolle doodsangsten weder. De afgrijselijke beeltenissen van de ondankbaarheid van de toekomende mensen, wiens schuld jegens de Goddelijke rechtvaardigheid hij op zich nam, kwamen steeds verschrikkelijker en onstuimiger op Hem af. Hij worstelde voortdurend tegen de tegenstrijd der menselijke natuur om te lijden; ik hoorde Hem herhaalde malen uitroepen: “Mijn Vader, is het mogelijk voor al die ondankbaren te lijden? O Mijn Vader, zo deze kelk van Mij niet verwijderd kan worden, dat dan Uw wil geschiede.”

Te midden van al die verschijningen zag ik Satan onder verschillende afschuwelijke gedaanten, volgens de verschillende soorten zonden, in beweging zijn. Nu verscheen hij als een grote zwarte man, dan onder de gedaante van een tijger, nu wederom die van een vos, een wolf, een draak, een slang,.. Het was nochtans de gedaante van de dieren zelf niet, maar slechts een treffende trek van hun geaardheid, met andere lelijke gedaanten vermengd. […] Deze duivelse beeltenissen stootten, sleepten weg en verscheurden, voor de ogen van Jezus een menigte mensen voor wiens verlossing Hij de smartvolle weg van het kruis bewandelde. In het begin zag ik de slang zeldzamer, maar later zag ik haar verschijnen met een kroon op het hoofd; haar reuzengestalte, haar kracht scheen bovenmatig, en zij voerde een talloze menigte van legioenen, van alle tijden en van alle geslachten, tot de storm tegen Jezus aan. Met alle slag van werktuigen van verwoesting gewapend, streden zij soms tegen elkaar, en kwamen daarna wederom met woede op de Zaligmaker af. Het was een ijselijk vertoog; want zij overlaadden hem met beledigingen en verwensingen, zij verscheurden, sloegen en doorstaken Hem. Hun wapenen, hun zwaarden, hun spiesen gingen en kwamen, zonder elkaar af te wachten, als de dorsvleugels der dorsers in een onmetelijke vlakte. En allen waren woedend tegen het korreltje Hemelse tarwe, ter aarde gevallen om te sterven, ten einde alle mensen eeuwig met het brood des levens te voeden. Te midden van die woedende scharen, waarvan velen mij blind schenen, werd Jezus ontroerd en geschokt, even alsof hij hun slagen wezenlijk gevoeld had. Ik zag Hem van de ene kant naar de andere waggelen. Nu stond hij op, dan zeeg hij neer, en de slang sloeg onder die menigte, welke zij zonder tussenpozen tegen Jezus aanvoerde, her en derwaarts met haar staart, en verscheurde of zwelgde al diegenen in, die door haar neergeveld werden.

Er werd mij gezegd dat deze legers van vijanden die de Zaligmaker verscheurden, diegenen waren die Jezus Christus op verschillende wijzen mishandelden, wiens Godheid en mensheid, lichaam en ziel, vlees en bloed wezenlijk in het Heilig Sacrament des Altaars, onder de gedaanten van brood en wijn, tegenwoordig zijn. Ik herkende, onder hen, al de verschillende klassen van onteerders van dat Heilige Sacrament, van dat levendige onderpand van Zijn onafgebroken persoonlijke Tegenwoordigheid in Zijn Kerk. Ik zag al die versmadingen met afschuw, van de onachtzaamheid, de oneerbiedigheid, de nalatigheid, tot de verachting, het misbruik en de verschrikkelijkste heiligschennissen toe, van de afwijkingen tot de afgoden der wereld, de duisternissen en de valse wetenschap tot de dwaling, de ongelovigheid, de dweepzucht, de haat en de vervolging. […]

hostcommunion

Wanneer ik een heel jaar zou spreken zou ik al de beledigingen, Jezus in Zijn allerheiligste Sacrament aangedaan, welke ik op deze wijze kende, niet kunnen zeggen. Ik zag de bewerkers daarvan Jezus met hopen aanvallen en Hem, met verschillende wapenen, volgens de verscheidenheid hunner beledigingen, slagen toebrengen. Ik zag oneerbiedige Christenen, van alle eeuwen; lichtzinnige of heiligschennende priesters; drommen van lauwen en onwaardigen die communiceerden; talloze zondaars voor welke de bron van alle zegening, de geheimenis van de levende God, een vloek, een uitdrukking van toorn, een woord van vervloeking was geworden, woedend de heilige vaten ontheiligen; dienaren van de duivel die het allerheiligste Sacrament tot de geheimenissen van een verschrikkelijke helse dienst gebruiken.

Naast die beestachtigheden zag ik loutere goddeloosheid zonder einde en zonder getal, maar die even afschuwelijk waren. Ik zag er velen, die door slechte voorbeelden en trouweloze leeringen meegesleept, het geloof in de werkelijke Tegenwoordigheid verloochenden en ophielden van die aldaar in ootmoedigheid te aanbidden. Ik zag in de menigte een groot aantal leraars, door hun zonden in de ketterij vervallen; vooreerst elkander onderling de oorlog aandeden, en daarna Jezus in het Heilig Sacrament van Zijn Kerk aanvielen en door hun verleidingen een talloze menigte mensen uit Zijn hart rukten, voor wie Hij Zijn bloed vergoten heeft. Ach! Het was een ijselijk vertoog, want ik zag de Kerk als het Lichaam van Jezus en al die menigte mensen, die zich van de Kerk afscheidden, verscheurden Zijn levend vlees en rukten er als gehele stukken af. Helaas, Hij wierp zo’n hartverscheurende blikken op hen en jammerde van hen te zien zich in het verderf te storten. […]

Helaas! Het was alsof Jezus zichzelf in duizenden en duizenden stukken zag en voelde verscheuren. In die angsten omhelsde de Heer met de ogen en het gevoel de gehele vergiftigde boom der verdeeldheid, met zijn takken en vruchten, die zich weer tot het einde der dagen verdelen en vermenigvuldigen, tot dat tijdstip waarop de tarwe ingezameld en het onkruid in het vuur zal geworpen worden.

Ik was zodanig van schrik en ijzing bevangen, dat een verschijning van mijn Hemelse Bruidegom mij barmhartig de hand op het hart legde, met deze woorden: “Niemand heeft dit nog gezien, en uw hart zou van droefheid verscheurd worden, zo ik het niet ondersteunde.”

 

Bron: Het smartvol lijden van onze Heer Jezus Christus, Turnhout, Glénisson en Van Genechten, 1846.