Extasen van heiligen tijdens de H. Mis – en miraculeuze Communies

Extasen tijdens de Heilige Mis

De H. Franciscus Xaverius (+1552) ervoer een lange extase toen hij op missie was in India. Hij was van plan om met de vicekoning enkele zaken te regelen. Toen zijn assistent, Andreas, naar hem toe gezonden werd om hem daaraan te herinneren, vond hij hem zittend op een lage stoel vóór het tabernakel met zijn gezicht opgeheven en zijn handen boven zijn borst gekruist. Aarzelend om hem te storen, fluisterde Andreas tenslotte hem zijn boodschap in, maar de H. Franciscus reageerde niet. Twee uur later werd hij in dezelfde positie teruggevonden, maar deze keer sloeg Andreas erin hem te doen rechtstaan. Toen de H. Franciscus te weten kwam hoe lang hij in extase was geweest, bereidde hij zich direct voor op zijn afspraak. Maar toen hij onderweg was, ging hij opnieuw in extase. Hij stond bewegingsloos in de straat tot zonsondergang, toen hij terugkeerde van zijn extase en weer naar huis ging. “Mijn zoon,” zei hij tegen Andreas, “we moeten de vicekoning een andere dag bezoeken. Deze dag heeft God voor zich alleen gewild.”

***

De H. Ignatius van Loyola (+ 1556), de stichter van de Jezuïetenorde, had naar verluidt op z’n minst een uur nodig om zich voor te bereiden op de Heilige Mis. Terwijl hij aan het altaar stond, ging hij vaak in extase, die vaak lange tijdsperioden in beslag namen, en periodiek vond hij het onmogelijk om zijn dagelijkse Mis te doen door zijn liefdevolle aanbidding en diepe contemplatie van het H. Sacrament.

***

De H. Franciscus Borgia (+1572), die de orde van de Jezuïeten binnentrad na de dood van zijn vrouw, ervoer zo’n extatische vereniging van zijn ziel met de Verlosser dat hij vaak de Mis begon in de morgen en het beëindigde bij de Vespers (het avonduur van het goddelijk officie). Vanwege de lengte van zijn Missen, offerde hij zelden de Mis voor het publiek.

***

De H. Theresa van Avila (+1582) ging vaak in extase nadat ze de H. Communie ontving, en vaak op de plaats van het ontvangen. Het werd dus de gewoonte dat de zusters haar terug begeleidden  naar haar plaats in de kapel. Eens in Toledo, aan het einde van de Mis, werd ze door de portierster leunend tegen een muur gevonden, bewegingloos en in extase. Hoewel de portierster haar ruw wilde rechttrekken, bleef de H. Theresa in extase “zoals een standbeeld” tot Gods aangeduide tijd. In haar autobiografie vertelt ze in hoofdstuk 39: “Ik assisteerde tijdens de Mis en ik ging te communie. Ik weet niet hoe ik het deed. Ik dacht dat ik daar slechts een korte tijd was en ik was verbaasd toen de klok luidde en ik zag dat ik in die staat van extase was geweest voor twee uur.”

***

Terwijl de H. Filippus Neri (+1595) zijn eerste H. Mis deed, was hij zo overweldigd door vertroosting en vreugde dat hij amper in staat was om de wijn en het water in de kelk te gieten vanwege het overmatig trillen van zijn handen, dat voortduurde tot het einde van het H. Misoffer. Zijn extasen, vooral tijdens de opheffing en de Communie, waren zo intens dat hij het vaak nodig achtte om tegen het altaar te leunen om te vermijden dat hij zou vallen. Zijn extasen waren zo frequent dat de Mis twee uur of meer duurde. Omwille van deze reden moest hij de Mis celebreren in een private kapel.

***

Terwijl de H. Margareta-Maria Alacoque (+1690) herstelde van een zware ziekte in haar vroege kloosterleven, vroeg ze toelating van de overste om in aanbidding voor het tabernakel te blijven gedurende de hele nacht van Witte Donderdag – de nacht die de instelling van het H. Sacrament gedenkt. De overste gaf toelating. Margareta bleef voor het tabernakel van half negen ’s avonds tot de volgende morgen, bewegingloos geknield en in extase – tot de zusters zich verzamelden voor de Priem (gebed na de Lauden), toen ze hen vergezelde zonder enig teken van moeheid.

***

De stichter van de Orde van de Congregatie van de Meest Heilige Verlosser (Redemptoristen), De H. Alphonsus Liguori (+1787) was vaak opgenomen in extase vóór het H. Sacrament en werd vaak gehoord zeggende: “O mijn God, mijn Liefde, O altijddurende Liefde, ik hou van U!” Ik het is gezegd dat geen enkel andere heilige Jezus in het H. Sacrament zo vaak bezocht als de H. Alphonsus. Hij moedigde de veelvuldige bezoeken aan het H. Sacrament aan en schreef zelfs een traktaat “Bezoeken aan het Meest Heilige Sacrament van het Altaar”, wat in verschillende talen werd vertaald, tot welzijn van talloze zielen. Toen hij niet meer in staat was om het H. Misoffer zelf op te dragen, vanwege zijn hoge leeftijd, vroeg hij om hem in de kerk te dragen, waar hij dan vijf of zes Missen bijwoonde en vijf tot zes uur in gebed doorbracht vóór het H. Sacrament. De Heilige zei vaak: “Eén ding is zeker, dat naast de H. Communie er geen daad van aanbidding zo behagend is aan God, en geen zo nuttig als het dagelijks bezoek aan onze Heer Jezus Christus in het Heilig Sacrament verblijvend op het altaar. Weet dat je in één kwartier die je spendeert vóór Jezus in het Heilig Sacrament je meer verkrijgt dan in alle goede werken van de rest van de dag.”

***

De H. Pater Pio (+1968) was de eerste priester die gestigmatiseerd was met de wonden van Christus. Zijn extasen tijdens de Heilige Mis zijn goed gedocumenteerd. Hij stond op om 3 uur ’s morgens en spendeerde uren in gebed voordat hij naar het altaar ging. Tijdens de H. Mis ging hij in een extatische toestand waarin hij de Passie van onze Heer zag en zijn pijn ervoer. Hij bekende eens aan een medebroeder: “Al wat Jezus heeft gelede in Zijn Passie, lijd ik inadequaat, voor zover het mogelijk is voor een menselijk wezen…” Vanwege zijn mystieke toestand was de heilige pater niet op de hoogte van de tijd en moest hij vaak aangemoedigd worden om verder te doen en voort te gaan naar het volgende deel van de Mis. Sommige van zijn Missen duurden wel vier uur of meer.

Tranen

De Heilige Clara (+1253) weende vaak vóór het H. Sacrament. Een tijdgenoot verhaalt: “Toen Clara te Communie ging, weende ze warme tranen van liefde en was ze vervuld met het grootste ontzag en de grootste eerbied tegenover de Heer van Hemel en Aarde die zich zo klein maakte. Ze weende zoveel dat het leek alsof haar hart werd uitgestort. Voor haar was de gedachte aan de geconsacreerde Hostie zo ontzag inboezemend als die aan God de Schepper van alle dingen. Zelfs in ziekte dacht ze altijd perfect aan Christus en dankte ze Hem voor alle lijden, en hiervoor bezocht de gezegende Christus haar vaak en hij troostte haar, en gaf haar grote vreugde in Hemzelf.”

***

De H. Felix van Cantalice (+1587) was een nederige lekenbroeder van de orde van de Capucijnen, die erom bekend staat dat hij tranen van wroeging weende op vele momenten tijdens het dienen van de Heilige Mis. Met grote moeite zou hij het Confiteor (schuldbelijdenis) herhalen en niet in staat zijnde zijn tranen te onderdrukken, vond hij het meest moeilijk om het “Domine non sum dignus” te zeggen (Heer, ik ben niet waardig). Na de H. Communie bedankte hij de Heer met grote innigheid tot het tijd was om uit het klooster te vertrekken om aalmoezen bijeen te garen.

***

De H. Franciscus van Podas (+1713) achtte zich onwaardig om zijn God aan te raken en weende onophoudelijk tijdens het celebreren van de H. Mis. Bij de opheffing van de Hostie beefde zijn hele lichaam en kon hij zijn verzuchtingen niet weerhouden.

***

De H. Ignatius van Loyola was ook een heilige die de gave van tranen had. Na één van zijn Missen, voelde een vreemdeling die hem niet kende, medelijden met hem. Hij benaderde vader Strada, die net de Mis van de H. Ignatius had gediend en hij zei tegen hem: “Hij die net de Mis heeft gedaan, moet zichzelf inderdaad een grote zondaar beschouwen. Laat ons hopen dat God hem vergeven heeft. Hij heeft genoeg geweend.”

***

Een ander die tranen weende voor het Sacrament van het Altaar was de H. Franciscus Solano (+1610), afkomstig van Andalusië, Spanje. Hij was reeds godvruchtig en contemplatief in zijn jeugd. Hij communiceerde regelmatig en devoot en was in staat om, vanwege zijn stichtend voorbeeld, andere jongeren tot een gelijkaardige devotie te brengen. Op de leeftijd van 20 jaar trad hij in bij de Franciscanen en werd hij priester. Vervolgens werd hij op missie gezonden naar Zuid-Amerika. Zoals vele andere heiligen, was hij niet in staat om de H. Mis te celebreren zonder het vergieten van veel tranen. Omwille van deze reden, en vanwege zijn andere mystieke begenadigingen, dienden de leden van zijn orde om beurt zijn Mis, wat ze als een privilege beschouwden. Ook de vicekoning en de president van de Koninklijke Raad  van Peru woonden regelmatig zijn Missen bij.

***

Miraculeuze ontvangsten van de Heilige Communie

Eén van de bekendste voorvallen van miraculeuze Communies is deze in Fatima in 1917. Het was bij de derde verschijning van de Engel:

“De derde verschijning”, schrijft Lucia, “moet dunkt me, hebben plaats gehad in oktober of einde september. Want wij gingen toen de namiddaguren niet meer thuis doorbrengen. Wij gaan van de Pregueira (een kleine olijfgaard van mijn ouders) naar de grot (van de Cabeço)… daar bidden wij ons rozenhoedje en het gebed dat de Engel ons de eerste keer had geleerd. Terwijl wij ons hier bevonden, verscheen hij ons de derde maal, met in de hand een kelk en boven de kelk een Hostie, waaruit enige bloeddruppels in de kelk vielen. Hij liet de kelk en de Hostie in de lucht zweven, knielde neer op de grond en bad driemaal volgend gebed:

“Allerheiligste Drieëenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, ik aanbid U diep en ik offer U op, het allerkostbaarste Lichaam en Bloed, de ziel en de Godheid van Jezus Christus, tegenwoordig in alle heiligdommen van de aarde, tot eerherstel van de versmadingen, heiligschennissen en onverschilligheid waardoor Hij beledigd wordt. En om de oneindige verdiensten van Zijn allerheiligste Hart en van het Onbevlekt Hart van Maria bid ik U de bekering van de arme zondaars.”

Dan stond de Engel op en nam weer de kelk en de Hostie. De Hostie gaf hij aan mij en de inhoud van de kelk gaf hij te drinken aan Jacinta en Francisco. Daarbij sprak hij de woorden: “Neemt en drinkt het Lichaam en het Bloed van Jezus Christus, vreselijk beledigd door de ondankbare mensen. Biedt eerherstel voor hun misdaden en troost uw God.” Opnieuw knielde hij neer op de grond en herhaalde driemaal met ons hetzelfde gebed: “Allerheiligste Drieëenheid,…” Dan verdween hij.

Aangegrepen door de macht van het bovennatuurlijke dat ons omgaf, volgden wij de Engel in alles na. Dat wil zeggen: wij wierpen ons ter aarde zoals hij, en herhaalden de gebeden welke hij voorbad. De invloed van Gods tegenwoordigheid was zo intens, dat hij ons helemaal in beslag nam en ons bijna totaal vernietigde. Hij scheen ons zelfs te beroven van het gebruik van onze zintuigen gedurende lange tijd. Overdag werkten wij als bewogen door hetzelfde bovennatuurlijke dat ons daartoe aanzette. De vrede en vreugde die wij voelden was groot, maar alleen inwendig. De ziel was helemaal in beslag genomen door God. Ook de lichamelijke onmacht die ons drukte, was groot.”

Francisco riep uit: “Ik zie graag de Engel. Maar het ergste is dat wij niet meer in staat zijn om iets te doen. Ik kan zelfs niet meer lopen. Ik weet niet wat ik heb.”

Enkele dagen later vroeg Francisco aan Lucia: “De Engel gaf U de H. Communie, maar wat gaf hij aan mij en Jacinta?” Jacinta kon niet wachten, tot haar nichtje antwoordde en jubelend kwam zij ertussen: “Hetzelfde, de H. Communie! Hebt ge niet gezien dat het ’t H. Bloed was dat uit de Hostie vloeide?” Alsof hem opeens een licht opging, riep Francisco uit: “Nu begrijp ik het! Ik voelde dat God in mij was, maar ik wist niet hoe.”

Dan knielde hij neer met zijn zusje en nichtje, en lang, heel lang, herhaalden zij het schone gebed dat de Engel had gebeden: “Allerheiligste Drieëenheid,..” enz

***

De Zalige Anna Maria Taigi (+1837) was een huisvrouw en moeder van zeven kinderen en lid van de Derde Orde van de Meest Heilige Drie-eenheid. Ondanks haar twistzieke echtgenoot, een ziekelijke moeder en de vele afleidingen en ongemakken van haar overbevolkt huis, was Anna Maria vaak in extase. Ze bewerkte ook mirakels van genezing, las de harten en gaf raad aan velen die haar kwamen opzoeken om voortgang in het spirituele leven te bekomen. Als een dagelijkse communicant, woonde Anna Maria eens de Mis bij in de kerk van St. Karel toen tijdens het Agnus Dei, de Hostie de handen van de priester verliet. Tot ieders verbazing werd het door onzichtbare handen naar de lippen van Anna Maria gebracht.

***

Verschillende ongewone Communies worden gedocumenteerd in het leven van de H. Catharina van Siena. Omdat ze verzwakt was door geestelijke kwellingen, ging de H. Catharina de kerk van St.Dominicus binnen, maar bleef ze in een hoek, bij een ongebruikt altaar staan. Eén van de zusters zag haar en leidde haar naar de rest van de gemeenschap voor het ontvangen van de H. Communie. Toen het haar beurt was, passeerde de priester zonder haar de Communie te geven. Dit gebeurde nog tweemaal bij een volgende Mis. De heilige aanvaarde dit als een teken van haar onwaardigheid. De prior van het klooster had het echter verboden om haar de Communie uit te reiken om buitengewone manifestaties te vermijden die de grote volksaantallen die men in de diensten verwachtte, zou afleiden. Na de tweede Mis echter, omgaf een fel licht het altaar en in het midden daarvan verscheen een visioen van de H. Drie-eenheid: de Vader en de Zoon gezeten op tronen met de Heilige Geest boven hen in de vorm van een Duif. Een hand van vuur die een Hostie vasthield, kwam uit het visioen. De Hostie werd op de tong van de H. Catharina geplaatst, die in extase was gegaan. De biechtvader verhaalt: “Verschillende individuen die geloofwaardig zijn, verzekerden me dat wanneer ze de Mis dienden waarin Catharina de H. Communie ontving, ze duidelijk zagen dat de heilige Hostie ontsnapte uit de handen van de priester en naar haar mond vloog; ze vertelden me dat dit wonder zelfs gebeurde wanneer ik haar de heilige Hostie gaf; ik beken dat ik het nooit duidelijk heb opgemerkt, enkel toen ik een zekere trilling in de geconsacreerde hostie voelde, toen ik het aan haar lippen aanbood. Het ging haar mond binnen gelijk een klein steentje dat vanop afstand met kracht gegooid werd… Broeder Bartholomew van St. Dominic, professor in de H. Schrift en nu Prior Provinciaal van mijn orde voor de Romeinse provincie, vertelde mij ook toen hij Catharina de H. Communie gaf, hij de heilige Hostie voelde ontsnappen, niettegenstaande zijn inspanningen om het te blijven vasthouden.”

De H. Catharina van Siena in extase.

 

Bron: JOAN CAROLL CRUZ, Eucharistic Miracles, Tan Books and publishers, Rockford, Illinois, 1987


Wie dit gebedje zegt krijgt telkens een volle aflaat.

 

“Uit eerbied tegenover dit Sacrament, raakt niets het aan behalve wat gewijd is; vandaar zijn de corporaal en de kelk gewijd, en evenzo de handen van de priester, om dit Sacrament aan te raken. Vandaar dat het voor gelijk wie niet wettelijk is het aan te raken, behalve uit noodzaak, bijvoorbeeld, indien het op de grond valt of in een ander geval van nood.” ~H. Thomas van Aquino (Summa Theologiae, III, 82,3)

Download artikel als pdf

De Heilige Mis – Overwegingen in woord en beeld

Het woord “mysterie zegt al, dat het bij het Heilig Misoffer om dingen gaat die je met de ogen niet kunt zien en die je niet kunt aftasten, maar die toch echte, bovennatuurlijke, wonderbare, ons geheel en al vervullende waarheden zijn. Met woord en penseel werd getracht om een indruk te geven van deze heerlijke, diepste ontmoeting met God en met de hemel van zijn heerlijkheid. Maar omdat onze zintuigen het heilige bovennatuurlijke nooit volkomen en uitputtend tot uitdrukking kunnen brengen, blijft het allemaal maar behelpen. Maar ook hier zijn lichtpuntjes, die ons dieper laten zien en die het mogelijk maken dat we verder in het grote geheim van ons geloof kunnen binnendringen en in de diepere zin van het Heilig Misoffer, en wel onder leiding van Maria, die immers ooggetuige, ja zelfs een medelijdende ooggetuige was van het offer van Jezus.

Het is onmogelijk om alles wat met dit mysterie te maken heeft in één keer in jezelf tot volle uitwerking te laten komen. Alleen als je een bepaald punt, dat zich opdringt, b.v. gedurende twee weken elke dag weer voor de geest haalt en probeert om dit zo levendig mogelijk te laten worden bij de Heilige Mis, en dit dan weer met een ander punt combineert, kun je tot een geheel nieuwe beleving van het Heilig Misoffer komen – steeds onder leiding van Maria, aan wie wij dat steeds weer in vurig gebed moesten vragen. Ons inzicht in de betekenis van het Heilig Misoffer mag niet alleen maar een verrijking zijn voor ons verstand, maar moet door overweging tot een innerlijke beleving leiden. Heilige Maria, middelares van alle genaden, help ons om zo het offer van Jezus heilig mee te vieren en dat tegenwoordig te stellen.

 

Te bestellen bij de Karmelgemeenschap van Bierbeek (Prijs €3,50):

Karmelgemeenschap Bierbeek
Oude Geldenaaksebaan 2
B-3360 Bierbeek
0032 (0)16 46 13 37
karmelgemeenschap.bierbeek@telenet.be

Na de Communie zijn wij een levend tabernakel – een moment van stilte en aanbidding is dan ook gepast

Toen Jezus Mens werd, werd Maria een levend tabernakel. Uit de visioenen van de Zalige A.K. Emmerick:

“Toen de Engel verdwenen was, zag ik de H. Maagd geheel in geestvervoering in zichzelf verzonken en ik zag, dat zij de menswording van de beloofde Verlosser als een kleine, menselijke lichtgestalte waaraan alle ledematen, zelfs de vingertjes, aanwezig waren, in haar lichaam zag en aanbad. Hoe geheel anders is het hier te Nazareth dan in Jeruzalem! Daar moeten de vrouwen in het voorhof van de Tempel blijven, terwijl alleen de priesters tot het heiligdom toegang hebben. Hier echter te Nazareth, hier in deze kerk is een maagd te tempel zelf en het Allerheiligste is in haar en de Hogepriester is in haar en zij alleen is bij Hem. O, hoe schoon en wondervol, hoe eenvoudig en natuurlijk is dit! De woorden van David uit de vijfenveertigste Psalm waren in vervulling getreden: ‘De Allerhoogste heeft zijn woontent geheiligd, God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen.'”

De Heilige Maagd bleef enige tijd in verrukking en aanbad het Goddelijk Kind dat in haar was gekomen. Zij was ingetogen en in stille aanbidding verzonken.

Nu, als wij Jezus ontvangen in de Heilige Communie, dan worden wij net zoals Maria een levend tabernakel. Het is dan ook goed aan Maria te vragen om ons te helpen ons voor te bereiden op Jezus’ komst in ons binnenste, in ons lichaam en in ons hart. En nadat wij Hem ontvangen hebben is het gepast om enige tijd stil te blijven en Hem te danken en te aanbidden, net zoals Maria Jezus aanbad in haar schoot. Geef Hem al uw liefde, want Hij is alle liefde meer dan overwaardig.

In de Christelijke Onderwijzer in de Catechismus uit 1767 staat er bij Deel 4 les 7 een richtlijn voor het goed ontvangen van de Communie:

Wij moeten drie dingen onderhouden. Ten eerste moeten wij omtrent een kwartier in de Kerk blijven op onze knieën zittend, en uit het hart God loven en danken dat Hij ons met Zijn Lichaam en Bloed gevoed heeft, en zich gewaardigd heeft Hem zo vriendelijk met ons te verenigen, ons vast laten verstaan dat onze Heer Jezus Christus in het binnenste van ons hart als op een Troon, al onze zinnen en krachten roept om hun Heer en Koning kennis te geven, net als bij ons een persoon van hoge staat of afkomst heeft gelogeerd het de gewoonte is al zijn kinderen en huisgenoten te roepen om hem te komen groeten en te eren; ofwel kunnen wij denken dat Jezus die wij ontvangen hebben onze Geneesmeester is en dat wij de zieke zijn, en Hem al onze zinnen en krachten offeren om die te genezen. […]

Zou hetgeen vroeger gold nu niet meer gelden? Hoe jammer is het toch vaak te zien dat in een Mis, nadat men zopas de Communie heeft ontvangen en men nog maar pas terug op z’n plaats zit, men met de Communiezang begint of de priester reeds z’n slotgebed bidt. Waarom al die haast? Een kort moment van stilte en aanbidding is zo onontbeerlijk en zo goed. Zo kan de Koning van het Heelal die zopas in de mensen is gekomen gepast aanbeden worden.

Laten we dan ook bidden opdat meer en meer priesters en gelovigen nog meer mogen bewust worden van de grote waarde van de Heilige Communie, zodat Jezus de gepaste eerbied wordt gegeven, die men Hem verschuldigd is.

 

Visioenen over de H. Mis uit de openbaringen van Pater Johannes Reus S.J. (deel 4)

mass4

Uitwerking van deze vereniging met God

In talrijke, veelzijdige visioenen werd de uitwerking van de heilige Communie aan de dienaar Gods aanschouwelijk getoond: zoals het steeds dieper één worden met Christus, maar ook het mede gekruisigd zijn met Hem, de innige levensgemeenschap met de allerheiligste Drievuldigheid. Luisteren we naar enkele belangrijke getuigenissen van de pater: “Op 20 april 1941 zag ik na het ontvangen van de heilige Communie de goede Heiland in mijn hart, zoals ik Hem gisteren gezien heb, als de verrezen Heer, omgeven door heilige Engelen. Het is immers zijn vreugde bij de mensenkinderen te zijn en in hun harten te wonen, bijzonder in het hart van de priester.”

Op 4 september 1940 verklaart hij: “Als God een brandend vuur is, dan moet ook de heilige Communie een brandend vuur zijn, dat de gehele mens in zijn gloed vat en verandert tot een vuur, zoals God zelf is. God heeft ons in het doopsel een zegel opgedrukt: je behoort voor eeuwig aan God. Deze liefde vernieuwt Hij in iedere heilige Communie. Als je niet hongert naar het levende brood, leeft je ziel een donker leven.”

Het absolute “licht-zijn” van de Eucharistie helpt ons ook “licht te worden” in éénwording met de Heer onder de gedaante van brood.

Ook als Pater Reus zijn medebroeders, die geen priester waren, de heilige Communie uitreikte, zag hij menigmaal na hun nuttiging in hun borst “een naar alle zijden uitstralend licht.” Het was niet bij allen even stralend en sterk, wat op een minder of meer goede voorbereiding duidde. (27 januari 1938)

Op 29 maart 1940 zag hij zich na de heilige Communie in extase met uitgestrekte armen aan het kruis hangen. Daarbij verklaart hij: “Ik ben met Christus aan het Kruis geslagen. Zoals de goede Heiland is ook de priester, met Hem, in de heilige Mis op een geheimenisvolle manier gekruisigd.”

Diep bewogen leest men herhaaldelijk van deze mystieke kruisiging, zoals die door Pater Reus na de heilige Communie wordt beleefd. Hij zag zich onder vreselijke kwellingen aan het kruis geslagen, onuitsprekelijke pijn lijdend. Hij moest immers met zijn goddelijke Verlosser één worden, mee lijden voor de zonden van de wereld. Slachtoffer van de liefde!

Pinksteren 1945 beleefde hij het volgende: “De drie goddelijke Personen kwamen in mijn onmiddellijke nabijheid, zodat ik helemaal door hen was ingesloten. Dit wil zeker betekenen dat wij door de heilige Communie geheel in God opgenomen worden, aan de goddelijke natuur deelachtig worden gemaakt! Wie kan dit mysterie in zijn grootheid ook maar een weinig vermoeden, laat staan begrijpen! Hoe moeten we ons in diepe eerbied voor de in ons wonende Drie-ene God steeds opnieuw aanbiddend neerbuigen en Hem met geheel ons hart trachten te beminnen! Nodigen we daartoe de lieve Moeder Gods, de heilige Jozef en de heilige Engelen uit. Zij helpen aanbidden, zij helpen danken, zij helpen beminnen!”

Pater Reus mocht bij de heilige Communie ook de lieve Moeder Gods en de heilige Jozef aanschouwen. Zo vermeldt hij op 19 mei 1941: “Bij de heilige Communie zag ik eerst de goede Heiland met zijn allerheiligste Hart, dan rechts en links van Hem de lieve Moeder Gods en de heilige Jozef, die ik door innerlijke openbaring herkende. Ik was hoogst verbaasd over dit hemelse bezoek. Maar iedere priester treedt door de kracht van de consecratie in een zekere verhouding tot de heilige Familie. Hij gelijkt op de Moeder Gods, in de manier waarop de Heiland door hem het sacramenteel leven bekomt. Hij gelijkt op de heilige Jozef omdat hij de Heiland ook moet beschutten en bewaren.”

De betekenis van de laatste zegen

Pater Reus mocht zien hoe de heilige Drievuldigheid of de Verlosser tegelijk met hem de zegen gaven. Eens zag hij hoe het Kindje Jezus zijn handje omhoog hief en tegelijk met hem zijn goddelijke zegen gaf. Daardoor wou de Heiland zeker op bijzondere wijze zijn hartelijkheid voor de schepselen uitdrukken. “Allerliefst” schreef de pater tot slot van deze vermelding. Een andere maal beschrijft hij (op 21 september 1941): “Toen ik tot slot van de heilige Mis de zegen gaf, zag ik boven mij de Heiland aan het kruis, die tegelijk met mij de zegen gaf en wel met een hand die van het heilig kruis was losgemaakt. Hij is niet enkel het zachtmoedig Offerlam dat zich opnieuw laat opofferen, maar eveneens de offerende, biddende en zegenende Hogepriester. Wat de priester aan het altaar doet, doet de Heer in hem en met hem.”

Het was een ontroerend ogenblik voor Pater Reus toen hij bij de slotzegen van de heilige Mis beleefde hoe de heilige Drievuldigheid samen met hem de zegen gaf en wel over een ontelbare menigte. Pater Reus beklemtoont uitdrukkelijk: “De zegen van de heilige Mis geldt duidelijk voor de ganse kerk want de priester moet de zegen geven, ook als hij heel alleen de heilige Mis opdraagt.” Zo heeft iedere priester de macht en de kracht om de hele wereld te zegenen. In de mate van zijn geloof en vertrouwen zal die zegen ook werkzaam zijn, vooral als een zegen tot het bannen van de demonen van de tijd.

De dankzegging van de pater na de heilige Mis was eigenlijk een voortzetting van de liefdegloed die hij aan het altaar had beleefd. In dit kwartiertje wilde de Heiland van Hem geen gebeden, maar enkel zijn voortgezette woordeloze liefdesbetuiging aannemen. Daarbij was de pater zich bewust van zijn onvermogen: “Wat ik Hem geef, dat is niets!”

Pater Reus bad dan ook vaak om helpers en voorbidders voor dit kostbaar kwartiertje. Hij wendde zich vooral tot de lieve hemelse Moeder, opdat zij hem zou helpen aanbidden en beminnen. Hij wendde zich tot de vrienden van het goddelijk Hart van Jezus. Hij verenigde zich bijzonder met de hulde en de liefdevolle aanbidding van de heilige engelen. Zo schreef hij eens: “Ik zag twee engelen aan mijn zijde, die met mij de Heiland in mijn hart aanbaden. Het waren Serafijnen geloof ik. Dit wil zeker betekenen dat de heilige engelen, als wij ze uitnodigen, zoals ik steeds doe, met ons de goddelijke Verlosser aanbidden en hun liefdevlam met de onze verenigen.”

Vol zaligheid getuigde hij eens (op 1 januari 1942): “In de dankzeggingen na de heilige Mis ondervind ik een aan het ongelofelijke grenzende vertrouwelijkheid en innigheid. Reeds vaak kwam in mij de gedachte op: “Het kan in de Hemel niet schoner zijn dan aan het altaar, in trouw verkeer met God!”

Wij bidden: “O Liefde van God, wees de zee die onze eigenliefde verzwelgt! Wees het vuur dat onze eigen wil voor eeuwig in uw heilige wil verbrandt!”

Pater Johannes Reus S.J. (1868-1947) verbleef het grootste deel van zijn priesterleven als missionaris in Brazilië. 35 jaar lang droeg hij zwijgend en voor de wereld verborgen, de stigmata van de Heer. Na zijn dood voltrok een geheimenisvolle macht de mensen naar zijn graf. In 1971 waren er reeds meer dan 100.000 gebedsverhoringen geregistreerd. Het kerkelijk proces voor zijn zaligverklaring was in 1987 bezig.

johreus2

Uit: De Heilige Mis, een zee van genaden – De priester, een tweede Christus – Bijlage aan het contactblad “Vlaanderen naar Maria”, zomernummer 1987. Uitgegeven door L. Van den Borre, Oostende

Visioenen over de H. Mis uit de openbaringen van Pater Johannes Reus S.J. (deel 3)

misvagevuur

Meer dan eens zag Pater Reus bij de consecratiewoorden “tot vergeving van de zonden” het heilig Bloed naar alle kanten overvloeien. Op 12 september 1942 stelde Pater Reus vast: “Bij de opheffing van de heilige gedaanten, de heilige Hostie en de kelk, had ik de gewoonte de plechtige handeling die op zichzelf de aanbidding beoogt van de onder die gedaanten verborgen Verlosser, ook te benutten om de Hemelse Vader opnieuw het heilig Offer op te dragen. Toen ik de heilige Hostie omhooghief, zag ik hoe twee handen ze uit mijn handen overnamen. Dit gebeurde ook met de kelk.”

Op 29 september 1940 moest hij schrijven en tekenen: “Gedurende de consecratie van de wijn zag ik het heilig Bloed hoog opborrelen, als een waterzuil, en dan bij de opheffing over de kelk heen zich op het altaar uitgieten.”

Opmerkelijk is het getuigenis van 11 augustus 1939: “Bij de consecratie van de heilige Hostie zag ik een vuurvlam eruit ontlaaien. Die omsloot me als een omarming. Na de tweede consecratie laaide deze omarmende liefdevlam vanuit de twee heilige gedaanten. Tegelijk steeg ook uit mijn hart een liefdevlam op, die zich naar boven verhief. Dit wil zeker het gemeenschappelijk offer van de priester en van het goddelijk Offerlam beduiden en bekrachtigen.” En hij besluit: “Priester en Offer zijn één door de liefde, wier bron het allerheiligste Hart van Jezus is.”

Een heel bijzondere indruk maakte op Pater Reus de volgende genade: “Bij de heilige consecratie zag ik de allerheiligste Drievuldigheid. De goede Hemelse Vader hield de allerheiligste, gekruisigde Zoon in zijn handen. De Heilige Geest zweefde in het midden. Daar dit een bekende voorstelling is, wantrouwde ik dit visioen. Maar het duurde ook gedurende de volgende gebeden min of meer voort. Ik zag hoe de allerheiligste Drievuldigheid neerdaalde, steeds naderbij kwam, terwijl ik verder bad, tot de gekruisigde Heiland in grijpbare nabijheid was. Dan trad de extase in. De Hemelse Vader liet toe dat ik de Verlosser samen met het kruis omarmde en op mijn hart trok. Dan bad ik verder.”

Soms zag Pater Reus in de heilige Hostie ook het heilig Aanschijn van de Heer. Bij het memento voor de overledenen zag hij (op 4 augustus 1939) de Verlosser aan het kruis. Tegelijk zag hij: “hoe uit de heilige zijdewonde zijn heilig Bloed in het Vagevuur neervloeide.” De pater merkte daarbij op: “Het allerheiligste Hart van Jezus is de bron van licht en troost voor de arme zielen. Deze bron opent zich op een bijzondere wijze in de heilige Mis, om met zijn Bloed de vlammen van het Vagevuur te doven.”

Op 30 september 1941 beleefde hij bij de woorden: “laat deze offerande door de handen van uw heilige engelen brengen…” hoe de heilige Aartsengel Michaël zelf de offerkelk aan de goddelijke Majesteit aanbood en met de kelk omhoog zweefde. Soms waren het andere engelen die de offerande aan de allerheiligste Drievuldigheid aanboden. Op 31 december 1941 schrijft hij: “Indien de engelen reeds alle gebeden van de mensen die zich onder hun bescherming vinden (bewaarengelen) aan de goddelijke Majesteit opdragen, met welke vreugde en eerbied zullen ze aan het altaar dienen om de volheid van de genaden van het allerheiligste Hart van Jezus naar de Kerk toe te brengen.”

Bij het gebed “Suplices” (Wij bidden U ootmoedig) zag Pater Reus op Pinksteren 1944 hoe de Heilige Geest in de gedaante van een Duif het Kindje Jezus voor de troon van de Allerhoogste omhoogdroeg, waar het vooreerst begroet werd door de lieve Moeder Gods. “Een zeer liefelijke voorstelling,” schrijft de pater, “hoe de lieve Heiland zich door de Heilige Geest voor de Kerk opoffert, tegelijk echter ook, met welke oneindige liefde voor ons, mensen, de Heilige Geest onophoudelijk tot het einde der tijden in het allerhoogste Offer werkzaam is, om het allerheiligste Hart van Jezus steeds te verheerlijken en tegelijk de liefde van het allerreinste Hart van Maria voor ogen te stellen.”

Ook volgende eenvoudige vaststelling is opmerkelijk (15 juni 1945): “Gedurende de gebeden na de consecratie zag ik hoe ieder woord als een liefdevlam omhoog steeg naar de Hemelse Vader toe. Bij de woorden “met alle hemelse zegen en genade vervuld worden” zag ik als antwoord van Zijnentwege uit zijn Hart een grote, brede vlam ontspruiten als zinnebeeld van de vele zegeningen, waar wij in deze gebeden om smeken.”

Bij het “Nobis quoque” (ook ons, zondaars) zag de pater op 6 juli 1939 hoe de gekruisigde goddelijke Verlosser zijn heilige armen vol goedheid en barmhartigheid naar hem uitstrekte, om hem vergiffenis te schenken. Ook mocht de begenadigde pater bij de opsomming van de heiligennamen na de consecratie, al die heiligen in een kring rond de allerheiligste Drievuldigheid aanschouwen. “Daarmee wordt aangetoond hoe zij om ons heil en onze volmaaktheid bekommerd zijn.” (9 juli 1941)

mass

De zogenaamde kleine opheffing van de heilige Hostie samen met de kelk vormde voor hem bij de woorden “alle eer en verheerlijking” een nieuw hoogtepunt van zijn heilige Mis. De pater had namelijk de gewoonte zich toen samen met de Verlosser opnieuw aan de Hemelse Vader als offerande op te dragen. Daarbij zag hij zich (op 3 augustus 1938) op het ogenblik dat hij de heilige Hostie omhoog hees, door haar omhooggeheven worden – de allerheiligste Drievuldigheid tegemoet. Lichamelijk echter bleef hij op het altaar staan. “Dat was slechts een ogenblik”, schrijft hij. “Daardoor geeft de goede Heiland duidelijk te verstaan, dat de Hemelse Vader de opoffering van zichzelf, van de kant van de priester, tegelijk met het offer van de goddelijke Zoon graag aanneemt en van zijn priesters verwacht.”

Als Pater Reus aansluitend het “Onze Vader” bad, kwam hij soms reeds van bij de eerste twee woorden in extase. Bij de woorden “geef ons heden ons dagelijks brood” zag hij hoe de Hemelse Vader zijn arm uitstrekte en op de goede Heiland wees, die aan zijn rechterzijde zat. Dat moet betekenen dat Hij ons tegelijk het liefste wat Hij bezit, als voedsel schenkt. Zijn eengeboren Zoon onder de gedaante van brood moet ons ware brood zijn. Meer dan eens werd dit hem verkondigd. Bij het Onze Vader gebeurde het meermaals dat het Kindje Jezus luid meebad of tenminste de handjes in de hoogte stak als teken van vreugde.

Het ogenblik van de innigste vereniging met Christus

Bij de liturgische voorbereidingsgebeden tot de heilige Communie zag Pater Reus zijn heimwee naar God in de gedaante van vuurvlammen uit zijn mond opstijgen (19 juni 1938). Verlangen naar God kan als een brand zijn. Bij de woorden “Heer ik ben niet waardig”, zag de pater meer dan eens hoe de Heiland, ofwel als Gekruisigde ofwel in de gedaante van een Kind, zijn armen naar hem uitstrekte. Dit liet hem tot de overweging komen: “Gods barmhartigheid is oneindig groot tegenover de priester. Juist op het ogenblik dat de priester zich onwaardig verklaart om de Heer in zijn hart op te nemen, vindt Hij in zijn goedheid zijn hart daartoe zo goed voorbereid, dat Hij een waarachtig verlangen heeft er zijn intrek in te nemen.”

De uitwerking van het gebed “Heer, ik ben niet waardig”, mocht Pater Reus aanschouwelijk, bij de uitreiking van de H. Communie aan anderen, beleven. Zo schrijft hij (27 en 28 februari 1941): Toen ik me gereed maakte om de misdienaar de heilige Communie te reiken, zag ik achter hem de duivel, bij ieder “Heer ik ben niet waardig” verder achteruit wijken (in de Latijnse Mis wordt dit 3x gebeden, nvdr). Een bewijs voor de kracht van de nederigheid, die de mens op het ontvangen van het allerheiligste Sacrament voorbereidt.”

De heilige Communie zelf kwam haast gewoonlijk als een vuur in het hart van de dienaar Gods en scheen het in de gloed van de liefde te verbranden. God is immers een God van liefde, van vurige liefde. Toen hij bvb. op 10 april 1938 op het punt stond de heilige Communie te ontvangen, zag hij uit de heilige Hostie, die hij in de hand hield, een vlam opstijgen, die zich naar zijn mond toewendde. Hij verduidelijkte: “Dit moet zeker het verlangen van het allerheiligste Hart van Jezus verzinnebeelden, om zich met de ziel van de mens te verenigen.” Op 3 juli 1937 schreef hij: “De heilige Communie kwam als een vuur in mijn hart. Heeft de Heiland niet uitdrukkelijk gezegd: “Vuur ben ik op aarde komen brengen”. Ik zag uit mijn hart een vuurzuil opstijgen en dit niettegenstaande geheel mijn armzaligheid in het leven van de deugd.”

Op 28 februari beleefde Pater Reus bij zijn heilige Communie hoe van het altaar uit vuurvlammen achterwaarts sloegen en de zich daar bevindende duivelen op de vlucht dreven. Hij gaf daarbij volgende verklaring: “Het heilig Bloed bewaart de priester voor de bekoringen van de Duivel en doet hem, niettegenstaande alle moeilijkheden, troost ondervinden.”

Pater Reus had de schone gewoonte, telkens hij de laatste druppels van het heilig Bloed uit de kelk nuttigde, innerlijk de bede herhalen: “laat me nooit van U gescheiden worden.” OP 13 oktober 1939 hoorde hij van de Heiland dat hij nooit van Hem zou gescheiden worden.

Volgende keer het laatste deel.

Uit: De Heilige Mis, een zee van genaden – De priester, een tweede Christus – Bijlage aan het contactblad “Vlaanderen naar Maria”, zomernummer 1987. Uitgegeven door L. Van den Borre, Oostende.