CATECHISMUS: Over de geloofsbelijdenis: Les 5 – Die geboren is uit de Maagd Maria

Uitleg van de plaat

1. In het midden van de plaat, wordt het kind Jezus geboren in de stal te Betlehem. Maria, zijn Moeder, en de heilige Jozef, zijn voedstervader, bewijzen Hem alle mogelijke diensten. Bij de kribbe waarin het Kind rust, zien we een os en een ezel die zich daar volgens de overlevering bevonden.
2. De herders komen Hem aanbidden, en in de hemel zingen de engelen de blije lofzang: “Glorie aan God in de hoogste hemel, en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij een welgevallen heeft”.

Geboorte van Jezus (Christus)

3. “In die dagen vaardigde keizer Augustus een decreet uit dat alle mensen van de hele wereld zich moest laten registreren. Deze eerste registratie vond plaats toen Quirinius gouverneur van Syrië was. Allen gingen op weg om zich te laten inschrijven, ieder in zijn eigen stad. Zo ook Jozef; hij ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David, Betlehem genaamd, omdat hij uit het huis van David stamde, om zich te laten inschrijven, samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was. Terwijl ze daar waren kwam voor haar de tijd dat ze moest bevallen, en ze baarde een zoon, haar eerstgeborene; ze wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een voerbak, omdat er geen plaats voor hen was in het gastenverblijf.”

Zijn verborgen leven

4. Geleid door een wonderbare ster kwamen drie wijzen (het waren magiërs) het kind Jezus aanbidden en offerden Hem goud zoals aan een koning, wierook zoals aan een God, en mirre zoals aan een sterveling. Mirre werd immers gebruikt bij het balsemen van lijken.
5. Onze-Lieve-Heer werd veertig dagen na zijn geboorte, de tweede februari, in de tempel opgedragen. De heilige Maagd volbracht op die dag de plechtigheid van haar zuivering, die door de wet van Mozes voorgeschreven was.
6. Nadat ze Hem in de tempel aan God hadden opgedragen vluchtten de ouders van Jezus met Hem naar Egypte om hem te beschermen tegen de vervolging van Herodes, die Hem wilde doden.

Feest van de heilige onnozele kinderen

7. Herodes liet in Bethlehem en omstreken alle kinderen jonger dan twee jaar vermoorden. Die kinderen noemen we de heilige onnozele kinderen.
8. Na de dood van Herodes werd het kind Jezus terug naar Nazareth in Galilea geleid. Tot zijn dertigste zou Hij daar verblijven.
9. Jezus Christus leidde een verborgen, arm en werkzaam leven in Nazareth.
10. Het Evangelie leert ons dat Jezus tijdens dit verborgen leven op feestdagen de tempel bezocht, zijn ouders onderdanig was, en naarmate Hij ouder werd ook toenam in wijsheid en heiligheid.
Zijn openbaar leven
11. Jezus ontving op zijn dertigste het doopsel van de heilige Johannes de Doper in de Jordaan.

12. Hij trok zich terug in de woestijn waar Hij veertig dagen vastte . Daar liet Hij toe dat de duivel Hem bekoorde om ons te tonen hoe wij ons tegen de bekoring moeten verzetten.
13. Na zijn vasten in de woestijn koos Jezus zijn twaalf apostelen en begon in Judea het Evangelie te verkondigen.

14. Als apostelen koos Onze-Lieve-Heer arme, ongeschoolde vissers die hun brood verdienden met zware handenarbeid.
15. De namen van de twaalf apostelen zijn: Simon, Petrus genoemd, en Andreas zijn broer Jakobus, zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, Filippus, Bartolomeüs, Thomas, Matteüs de tollenaar; Jakobus, zoon van Alpheus, en Taddeüs, Simon Kananeüs, en Judas Iskariot, die Hem verraadde.
16. Het woord Evangelie betekent “blijde boodschap”. De blijde boodschap die Jezus aankondigde is dat Hij de Zoon van God is, de Messias, de van het begin af aan de wereld beloofde Zaligmaker.
17. Jezus ondersteunde zijn leer door talrijke wonderen. Hij deed zijn eerste wonder op de bruiloft van Kana, waar Hij op vraag van Maria water in wijn veranderde.
18. Als blijk van zijn liefde voor de kleine kinderen legde Jezus hun de handen op, omhelsde en zegende hen: “Laat ze bij Me komen en houd ze niet tegen, want van zulke kinderen is het koninkrijk van God.”
19. Tegen de ongelukkigen sprak Hij: “Kom allen naar Mij toe die afgemat en belast zijn, en Ik zal u rust geven.”
20. Jezus Christus ontving de zondaars met grote goedheid en at soms met hen. Aan diegenen die dat afkeurden antwoordde Hij: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.”

Bron: Prentencatechismus

CATECHISMUS: Over de geloofsbelijdenis: Les 4 – Die ontvangen is van de Heilige Geest

Mysterie van de menswording

1. Het mysterie van de menswording is verwoord in het tweede en in het derde artikel van de geloofsbelijdenis. Het is het mysterie hoe de Zoon van God mens is geworden.
2. God de Zoon heeft de menselijke natuur aangenomen. In het maagdelijk lichaam van Maria, zijn moeder, heeft Hij een ziel en lichaam gekregen door de bijzondere hulp van de Heilige Geest.
3. De Zoon van God, die mens is geworden, wordt Jezus Christus genoemd.
4. De naam ‘Jezus’ betekent ‘Verlosser’. De engel zei tot Jozef: “U moet Hem de naam Jezus geven, want Hij is degene die zijn volk zal redden uit hun zonden.”
5. Wij noemen Jezus Christus ook ‘onze Heer’. Hij is onze meester, omdat Hij ons geschapen heeft en door zijn bloed vrijgekocht.
6. Jezus Christus is tegelijk God en mens. Hij heeft zowel de goddelijke als de menselijke natuur.
7. In Jezus Christus is maar één persoon, de tweede Persoon, God de Zoon.

Verklaring van de plaat

8. Op de plaat groet de engel Gabriël de heilige Maagd terwijl ze bidt in haar huis in Nazarath. De engel kondigt haar aan dat God haar heeft uitgekozen om de moeder van de Zaligmaker te worden. Tegelijkertijd bewerkt de Heilige Geest in haar het grote wonder van de menswording. Dit is het verhaal dat Lucas geeft over de aankondiging van de engel Gabriël aan Maria en over het bezoek van Maria aan de heilige Elisabeth:

De aankondiging van de engel

9. “In de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, met de naam Nazaret, naar een maagd die verloofd was met een man genaamd Jozef, die uit het huis van David stamde; haar naam was Maria. De engel trad bij haar binnen en zei: ‘Verheug u, begenadigde, de Heer is met u.’ Zij raakte geheel in verwarring door wat hij zei en vroeg zich af wat deze begroeting te betekenen had. Maar de engel zei: ‘Schrik niet, Maria, u hebt genade gevonden bij God. U zult zwanger worden en een zoon baren, die u de naam Jezus moet geven. Hij zal een groot man zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
10. ‘Maar hoe moet dat dan?’ zei Maria tegen de engel. ‘Ik heb geen omgang met een man.’ De engel antwoordde haar: ‘Heilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken. Daarom zal het kind heilig genoemd worden, Zoon van God. Bovendien, ook Elisabet, uw verwante, is op haar oude dag zwanger van een zoon; zij werd onvruchtbaar genoemd, maar zij is al in haar zesde maand. Want voor God is niets onmogelijk.’ Toen zei Maria: ‘Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Toen ging de engel van haar weg.”

Maria’s bezoek aan haar nicht

11. “Na enkele dagen vertrok Maria met spoed naar het bergland, naar een stad van Juda. Zij ging het huis van Zacharias binnen, en begroette Elisabet. Meteen toen Elisabet de begroeting van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabet werd vervuld met heilige Geest. Ze riep met luide stem: ‘Gezegend ben jij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot. Waar heb ik het aan te danken dat de moeder van mijn Heer bij mij komt? Op het moment dat je groet mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. Gelukkige vrouw, zij die gelooft! Wat haar namens de Heer is gezegd, zal in vervulling gaan.’
12. Daarop zei Maria: ‘Met heel mijn hart roem ik de Heer, met al mijn adem juich ik om God, mijn redder; want Hij heeft omgezien naar zijn dienares in haar geringheid. voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig, want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan. Heilig is zijn naam, barmhartig is Hij, iedere generatie weer, voor wie Hem eerbiedigen. Hij heeft de kracht van zijn arm getoond, wie zich verheven waanden, heeft Hij uiteengeslagen. Machthebbers heeft Hij van hun troon gehaald, geringen gaf Hij een hoge plaats. Hongerigen overlaadde Hij met het beste, rijken heeft Hij met lege handen weggestuurd. Hij heeft het opgenomen voor Israël, zijn knecht, indachtig de barmhartigheid die Hij, zoals aan onze vaderen toegezegd, bewijzen wil aan Abraham en zijn nageslacht, voor eeuwig.’”

Bron: Prentencatechismus

CATECHISMUS: Over de geloofsbelijdenis: Les 3 – En in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer

1. Net als de engelen, heeft God Adam en Eva geschapen in een toestand van heiligmakende genade. Zij kenden geen lijden en ze moesten niet sterven.
2. De duivel maakte zich onherkenbaar in de gedaante van een slang en spoorde onze eerste ouders aan God ongehoorzaam te zijn door van de verboden vrucht te eten.
3. God strafte hun ongehoorzaamheid. Hij verdreef Adam en Eva uit het aards paradijs. Ze moesten met het zweet op hun gelaat hun brood verdienen. Het geluk van de Hemel werd hen ontzegd. Ze werden onderworpen aan de onwetendheid, aan de zondige begeerte, aan het lijden en aan de dood.
4. De zonde van Adam is overgegaan op al zijn nakomelingen. Alle mensen hebben gezondigd in Adam en zijn aan dezelfde rampen onderworpen.
5. De zonde waarmee de mensen ter wereld komen wordt de erfzonde genoemd. Dat wil zeggen dat ze gekoppeld is aan onze oorsprong.
6. De heilige Maagd Maria is gevrijwaard van de erfzonde door het bijzondere voorrecht dat zij de moeder van de Zoon van God moest zijn.
7. God verliet de mens niet, nadat hij gezondigd had. Hij had medelijden met de mens en Hij beloofde hem een verlosser, de Messias.
8. God herhaalde deze belofte, die Hij eerst aan Adam maakte, ook aan de aartsvaders, aan Abraham en aan Jakob.
9. God liet deze belofte door de profeten verkondigen.
10. De profeten voorspelden het tijdstip waarop de Messias zou komen, zijn geboorte uit de maagd Maria, zijn wonderen, zijn lijden, zijn dood, zijn verrijzenis. Ze voorspelden ook hoe zijn leer overal op aarde ingevoerd zal worden.
11. De Messias, de beloofde Verlosser van de wereld, is onze Heer Jezus Christus.

Het eeuwig woord

12. De heilige Johannes beschrijft in het begin van zijn Evangelie hoe de Verlosser in eeuwigheid is ontstaan:
Joh 1:1-18 Het woord is mens geworden
13. “In het begin was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is door Hem ontstaan, en buiten Hem om is er niets ontstaan. Wat ontstaan was, had leven in Hem, en het leven was het licht van de mensen. Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan.”
14. “Er is een mens geweest, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. Hij kwam als getuige: hij moest getuigen van het licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen. Hij was niet het licht, hij moest getuigen van het licht.”

Het vleesgeworden woord

15. “Het ware licht was er, dat elke mens verlicht en dat in de wereld moest komen. Het was in de wereld, een wereld die door Hem was ontstaan, en die wereld heeft Hem niet erkend. In zijn eigen huis is Hij gekomen, en zijn eigen mensen hebben Hem niet opgenomen. Aan diegenen die Hem toch opnamen, heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen te worden van God: aan hen die geloven in zijn naam. Niet langs de weg van het bloed, niet door de begeerte van het vlees of door mannelijk streven, maar uit God zijn ze geboren. Ja, het woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid.”
Getuigenis van de voorlopers
16. “Van Hem legt Johannes getuigenis af en zijn verklaring luidt: ‘Hem bedoelde ik toen ik zei: “Hij die na mij komt, is mijn meerdere, want vóór mij was Hij er al.”’ Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade. Want is de wet gegeven door Mozes, de genade en de waarheid zijn gebracht door Jezus Christus. Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen.”

Verklaring van de prent

17. Deze prent stelt de wonderlijke gedaanteverandering van Jezus voor, waarmee God verkondigde dat Christus zijn Zoon is.
Lc 9:28-36 Jezus met Mozes en Elia
18. Jezus Christus neemt drie van zijn leerlingen mee naar de top van de berg Tabor. Het waren Petrus, Jakobus en Johannes. Daarboven verandert zijn gezicht van gedaante. Zijn gelaat schittert als de zon en zijn gewaad is wit als de sneeuw. We zien ook Mozes en Elia met Jezus in gesprek, in het bijzijn van de leerlingen. Er klinkt een stem, uit een heldere wolk die hen omhult, die zegt: “Dit is mijn uitverkoren Zoon; luister naar Hem!” De leerlingen worden bang bij het horen van die stem en ze vallen op hun knieën. Petrus zegt: “Meester, het is maar goed dat wij hier zijn; laten wij drie hutten maken, een voor U, een voor Mozes, en een voor Elia.”

Bron: Prentencatechismus

CATECHISMUS: Over de geloofsbelijdenis: Les 2 – (vervolg eerste artikel) Schepper van Hemel en Aarde

 

1. Deze woorden van de geloofsbelijdenis: God is de Schepper van hemel en aarde, betekenen dat God de hemel en de aarde, en alles wat daarin is, uit niets gemaakt heeft.
2. De mensen kunnen niet scheppen, omdat men, om iets van niets te maken, almachtig moet zijn. God alleen kan scheppen, omdat Hij alleen almachtig is
3. God was niet gedwongen de wereld te scheppen. Hij deed dit uit loutere goedheid.
4. God heeft de wereld geschapen door zijn woord, louter door zijn wil.
5. De meest volmaakte schepselen van God zijn de engelen en de mensen.

De engelen

6. De engelen zijn zuivere geesten, die God geschapen heeft om Hem te dienen en te loven.
7. God heeft de engelen geschapen in een staat van genade en heiligheid, maar ze zijn niet allemaal in die staat gebleven. Een groot aantal zijn tegen God opgestaan, en door hun hoogmoed naar de afgrond van de hel gedreven.
8. God beloonde de trouw van de goede engelen. Hij bevestigde ze daarom in genade en gaf hen de hemel.
9. De taak van de goede engelen is God te loven en zijn bevelen uit te voeren.
10. De goede engelen, en de engelbewaarders in het bijzonder, waken over ons en zijn ons behulpzaam.
11. Wij moeten de aanwezigheid van onze engelbewaarder eerbiedigen, en hem in de bekoringen en gevaren aanroepen.
12. God heeft de boze geesten gestraft, uit de hemel verbannen en in de afgrond van de hel neergestort.
13. De boze engelen willen ons tot de ondeugd verleiden, omdat zij Gods vijanden zijn, en tevens jaloers zijn op het eeuwig geluk dat ons beloofd is.
Het werk van zes dagen
14. God heeft hemel en aarde geschapen in zes dagen.

Uitleg van de plaat

15. Deze plaat stelt het goddelijk werk voor door zes kringvormige aardgordels, waarvan elk één van de zes dagen van de schepping voorstelt en ook Gods houding onder het verrichten van zijn werk.
16. De eerste aardgordel vertoont het werk van de eerste dag: God schept het licht.
17. De tweede stelt het werk van de tweede dag voor: God schept het uitspansel en scheidt het van de de aarde af.
18. De derde stelt het werk van de derde dag voor: God scheidt de aarde van de wateren en gebiedt aan de aarde alle slag van planten voort te brengen.
19. De vierde stelt het werk van de vierde dag voor: God schept de zon, de maan en de sterren.
20. De vijfde stelt het werk van de vijfde dag voor: God schept de vogels in de lucht en de vissen in het water.
21. De zesde stelt het werk van de zesde dag voor: God schept de mens naar zijn beeld en gelijkenis.
22. Op het bovenste gedeelte van de plaat rust God de zevende dag. Hij wijdt die dag toe aan zijn dienst. Die rust is weergegeven door de overdekte zon, de maan en de sterren die ʹs nachts verschijnen. God rust in een driehoekige wolk en dat duidt aan dat de drie goddelijke Personen aan het werk van de schepping deelgenomen hebben. Dat wordt ons door deze woorden geopenbaard: “Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend.”

De mens

23. De mens is een redelijk schepsel, en heeft een ziel en een lichaam.
24. De ziel is een onsterfelijke geest, die God schiep naar zijn beeld om hem met een lichaam te verenigen.
25. Onze ziel is naar het beeld van God geschapen, omdat hij kan kennen, beminnen en vrij handelen.
26. Onze ziel is zeker onsterfelijk, omdat God slechts na dit leven, in alle recht en billijkheid, de deugd moet belonen en de zonde straffen.
27. God heeft het lichaam van de eerste mens gemaakt uit aarde, en een ziel daarin gestort die Hij uit niets heeft voortgebracht.
28. Om de eerste vrouw te scheppen zond God een diepe slaap over Adam. Wanneer hij in slaap was, nam Hij een van zijn ribben, en bouwde die rib tot een vrouw. Daarna stortte Hij in dat lichaam een ziel.
29. Men noemt de eerste mens Adam en de eerste vrouw Eva. Wij stammen allemaal van hen af, en noemen ze daarom onze eerste ouders.
30. God plaatste Adam en Eva in een oord van vrede en overvloed, dat men het aards paradijs noemt.

CATECHISMUS: Over de geloofsbelijdenis: Les 1 – Ik geloof in God de Almachtige Vader

Vanaf vandaag zullen we wekelijks een les brengen uit de Prentencatechismus, als geloofsonderricht. Hier volgt les 1.

De openbaring

1. God kan met de mensen spreken, want Hij heeft hen de gave van het spreken geschonken.
2. God heeft met de mensen gesproken en dat noemen we de openbaring.
3. Zonder de openbaring zouden we niet zalig kunnen worden, omdat we niet zouden weten wat we moeten geloven om zalig te worden.
4. Er zijn drie openbaringen.

De oorspronkelijke openbaring heeft God aan Adam en de aartsvaders gedaan.
De Mozaïsche openbaring heeft God aan Mozes en de profeten gedaan.
De christelijke openbaring is ons door Onze-Lieve-Heer Jezus Christus gedaan.

De geloofsbelijdenis

5. De geloofsbelijdenis komt van de apostelen en bevat in twaalf artikels de belangrijkste waarheden die we moeten geloven.
6. De eerste waarheid die we moeten geloven is: “Er is slechts één God”.
7. We geloven in God, omdat Hij ons zelf zijn bestaan heeft geopenbaard.
8. Het bestaan van God volgt ook uit het bestaan van de schepsels. Waar schepsels zijn, moet ook een Schepper zijn. Niets komt uit zichzelf tot stand, een huis of een uurwerk ontstaan ook niet bij toeval.
9. God is een oneindig volmaakte Geest, Schepper. Hij is Heer en Regeerder van hemel en aarde.
10. God wordt een Geest genoemd, omdat Hij geen lichaam heeft.
11. God wordt oneindig volmaakt genoemd, omdat er aan zijn goddelijk wezen niets ontbreekt en omdat alles aan Hem zo volmaakt is, dat er geen volmaakter wezen kan uitgedacht worden.
12. God is van alle eeuwigheid, dat betekent: zonder begin, en God zal zijn tot in alle eeuwigheid, dat betekent: zonder einde.
13. God is in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen.
14. God kent alles, het verleden, het heden, de toekomst. Hij kent zelfs onze gedachten en verlangens. Hij ziet ons altijd, zelfs als we ons verbergen en Hem verbitteren..
Het mysterie van de Allerheiligste Drievuldigheid
15. Een mysterie is een waarheid die God heeft geopenbaard. We moeten ze geloven, ook al gaat ze ons verstand te boven.
16. Het grootste mysterie van ons geloof is het mysterie van de Allerheiligste Drievuldigheid. God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest zijn drie personen, die maar één God zijn.
17. De Vader is God, de Zoon is God, de Heilige Geest is God. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn maar één God. Ze zijn in alles even volmaakt, omdat Ze maar één en hetzelfde goddelijk wezen of dezelfde goddelijke natuur hebben.

Verklaring van de plaat

18. De Allerheiligste Drievuldigheid is hier voorgesteld door een driehoek. God de Vader rust op de aardbol en houdt het kruis vast waaraan Jezus Christus hangt, zijn Zoon. De heilige Geest, in de gedaante van een duif, schittert tussen de Vader en de Zoon en dat betekent dat Hij voortkomt van de Vader en van de Zoon.
19. Links bovenaan zien we Jezus Christus die zijn apostelen de zending geeft alle volkeren te onderwijzen en ze te dopen in de naam van de Vader, van de Zoon en van de heilige Geest.
20. Rechts is het doopsel van Jezus Christus voorgesteld, waarbij de drie goddelijke Personen zich hebben geopenbaard.
21. Links onderaan staat Abraham, die bezoek krijgt van drie engelen.
22. Rechts staat de heilige Augustinus en het kind. De heilige bisschop van Hippo wandelde op het strand en probeerde het mysterie van de Allerheiligste Drievuldigheid te doorgronden. Hij zag plots een kindje dat in het zand een kleine put had gegraven en met een kommetje water uit de zee schepte om het in de put te gieten. “Mijn kind, wat ben je van plan met dat water?” – “Ik wil al het water van de zee in deze put gieten. Het zal voor mij gemakkelijker zijn al het water van de zee in deze put te gieten, dan voor u het mysterie van de Allerheiligste Drievuldigheid te doorgronden.” Na dat laatste antwoord verdween het kind. Het was een engel die, in de gedaante van een kind, aan de heilige Augustinus te kennen gaf dat het mysterie van de Allerheiligste Drievuldigheid ondoorgrondelijk is voor een geschapen geest.

Bron: Prentencatechismus.org

Over de bekoring – uit de Navolging van Christus

Uit de Navolging van Christus – Thomas A. Kempis

Traktaat 3 – hoofdstuk 12

Wij moeten verduldigheid leren en tegen de begeerlijkheid vechten

De dienaar: Heer, mijn God, zoals ik wel zie is verduldigheid mij hoogst noodzakelijk, want in dit leven overkomt ons heel wat tegenslag. Hoe ik het ook aanleg om vrede te hebben, mijn leven kan niet zonder strijd en verdriet lopen.

De Heer: Zo is het, mijn zoon. Maar Ik wil u niet het soort vrede zien zoeken, dat geen bekoringen ondergaat en geen weet heeft van tegenslagen, maar ik wil, dat gij de vrede ook dan meent gevonden te hebben, wanneer gij door allerhande beproevingen wordt gekweld en u staande houdt bij veel tegenslagen. Als gij beweert niet veel lijden te kunnen hebben, hoe zult ge dan het vagevuur doorstaan? Van twee kwaden moet ge altijd het minste kiezen. om de komende folteringen te kunnen ondergaan, moet gij dus proberen uw tegenwoordig leed voor God gelijkmoedig te dragen. Of denkt ge, dat de mensen van deze wereld niets of weinig te lijden hebben? Dat vindt ge niet, zelfs al zoekt gij de meest verwende lieden op. Ja maar, zult ge zeggen, zij hebben toch veel plezierige dingen en zij volgen hun eigen zin, en daarom tellen zij hun beproevingen niet zo zwaar. Goed, laat het zijn dat zij alles hebben wat zij wensen. Maar hoe lang zal dat duren, denkt ge? Geloof Me: als rook vervluchtigen diegenen die overvloed hebben in de wereld, en er blijf geen enkele heugenis aan hun vergane vreugden. Bovendien zullen zij zelfs bij hun leven niet zonder vrees en verveling en bitterheid in die vreugde kunnen rusten. Want uit dezelfde bron, waar zij hun plezier uit putten, krijgen zij vaak de smart die hun straf is. Zij ontvangen hun verdiende loon: omdat zij op ongeregelde manier genoegens zoeken en nalopen, bevredigen zij die niet zonder beschaming en bitterheid. Ach, wat zijn al die genoegens kort en bedrieglijk, wat zijn ze ongeregeld en onterend! In hun bedwelming en verblindheid echter begrijpen die lieden dat niet, maar als stomme dieren halen zij zich voor een beetje genot in dit bederfelijk leven de dood van hun ziel op de hals. Gij moet dus, mijn zoon, niet uw lusten achternagaan en gij moet u afwenden van uw eigen wil. Zoek uw vreugde in de Heer en Hij zal u de wensen van uw hart geven. Want als gij waarachtige vreugde wilt hebben en van Mij overvloediger troost wilt ontvangen, weet dan dat uw zegen ligt in de verachting voor alle wereldse dingen en de verwerping van alle lage genietingen. En rijk zal de vertroosting zijn, die u daarvoor wordt gegeven. En hoe meer gij u onttrekt aan alle troost uit het geschapene, des te heerlijker en machtiger vertroostingen zult gij in Mij vinden.

Maar aanvankelijk zult gij daar niet toe geraken zonder wat verdriet en moeite en strijd. De ingewortelde gewoonte zal zich verzetten, maar voor een betere gewoonte zal ze moeten zwichten. Het vlees zal tegensputteren, maar het zal beteugeld worden door de vurige gloed van de geest. De oude slang zal u prikkelen en treiteren, maar door het gebed zal zij verjaagd worden. Bovendien zullen haar door nuttige arbeid grote kansen ontnomen worden.

hoofdstuk 35

Wij zijn in dit leven nooit veilig voor de bekoring

De Heer: Mijn zoon, nooit zijt gij veilig in dit leven, maar zolang gij leeft, hebt gij de geestelijke wapenen altijd nodig. Gij zit midden tussen de vijanden, en links en rechts wordt gij bestookt. Als gij u dus niet aan alle kanten dekt met het schild van de verduldigheid, zult gij niet lang ongedeerd blijven. Bovendien, als gij uw hart niet onwrikbaar op Mij zet, met de volstrekte wil om alles voor Mij te verduren, zijt gij niet bestand tegen de hitte van dat gevecht en kunt gij de zegepalm van de zaligen niet verwerven. Gij dient dus manmoedig alles te doorstaan en met machtige hand de tegenstand aan te pakken. Want aan de overwinnaar wordt het manna gegeven en de futloze blijft met diepe ellende zitten.

Als gij in dit leven rust zoekt, hoe zult ge dan de eeuwige rust bereiken? Richt u niet op veel rusten, maar op veel verduren. Zoek de ware vrede niet op aarde, maar in de hemel, niet bij de mensen en de andere schepselen, maar enkel en alleen bij God. Uit liefde tot God moet gij alles graag verduren: inspanning en leed, bekoringen, kwellingen, angsten, noden, zwakheden, beledigingen, tegenspraak, verwijten, vernederingen, beschaming, berisping en geringschatting. Deze dingen zijn bevorderlijk voor de deugd, zij stalen de ongeoefende soldaat van Christus, zij smeden zijn hemelse kroon. Ik zal u een eeuwig loon geven voor een korte inspanning en eindeloze heerlijkheid voor een ogenblik beschaming. Meent gij dat gij altijd maar naar uw wens vertroosting zult hebben? Mijn heiligen hebben ze niet altijd gehad, maar wel veel moeilijkheden en allerlei bekoringen en diepe verlatenheden. Zij hebben echter in al die dingen geduldig standgehouden en zich meer op God verlaten dan op zichzelf: zij beseften namelijk dat het lijden van deze tijd niet te vergelijken valt met de toekomstige heerlijkheid die zij moesten verdienen. Wilt gij dan op stel en sprong hebben wat velen na tranen en zware inspanningen maar amper hebben verworven? Wacht op de Heer, handel manmoedig en wees sterk; verlies uw vertrouwen niet en geef de strijd niet op, maar waag standvastig ziel en lichaam voor Gods glorie. Ik zal het u ruimschoots vergelden; Ik zal met u zijn in iedere beproeving.