13 oktober 2017: 100ste verjaardag van het Zonnewonder te Fatima

13 oktober 2017 is de honderdste verjaardag van de laatste verschijning van O.L.Vrouw in Fatima. Op die dag vond het zonnewonder plaats als teken van de echtheid van de verschijning, maar ook als waarschuwing voor de naderende straf indien de mensheid zich niet zou bekeren. Twaalf dagen later zou de rampzalige Oktoberrevolutie in Rusland plaatsgrijpen, waarvoor de H. Maagd de toewijding van Rusland tot haar Onbevlekt Hart had gevraagd. 

We geven het relaas van de gebeurtenissen…

13 oktober! Nu beginnen de bedevaarten pas voor goed. Alle wegen en paden die naar de Cova leiden, zien opnieuw zwart van de mensen. Niemand hoeft de weg te vragen, want allen nemen dezelfde weg. Niemand denkt nog aan de oorlog: alle geesten en harten zijn vol van de Dame die gaat verschijnen in Fatima. De Kardinaal-Patriarch van Lissabon noemde het midden van Portugal een “groot geestelijk kerkhof”. Zo was het geloof daar uitgestorven. En zie, door het gebed en het offer van drie kleine herdertjes die O.L.Vrouw mochten aanschouwen, staan plotseling de doden op en beginnen te leven. Daar waar het menselijk opzicht voor enige maanden nog hoogtij vierde, wordt het thans met voeten getreden. Het zijn geen nieuwsgierigen die naar Fatima komen, maar gelovigen. Zij bidden luid de rozenkrans of zingen geestelijke liederen. Velen gaan blootsvoets. De geest van het oude Portugal, dat ganse landen eenmaal voor Christus en Maria veroverde, is weer wakker geworden. Het is of de mensen het bovennatuurlijke inademen. Iedereen voelt het: Portugal staat op de drempel van een nieuwe tijd! Gans het volk is hier samengekomen. Ouderen van dagen slepen zich met moeite naar de gezegende plaats waar “Nossa Senhora” – O.L. Vrouw – gaat neerdalen. Mensen in de kracht van hun leven, jongens en meisjes in de bloem van hun jeugd, onschuldige kinderen, de hoop van de Kerk en het volk van Portugal: allen snellen naar dit nederig dorp, waar de Koningin van hemel en aarde haar troon heeft opgeslagen.

De Cova da Iria is een grote mensenzee. 50,60, 70.000 personen zijn hier aanwezig. Men ziet er eigenaars van belangrijke fabrieken en eenvoudige werklieden, correspondenten van grote kranten en ongeletterden, gelovigen van de oude stempel en verwaande vrijdenkers: alle standen, alle klassen, alle gedachten zijn hier vertegenwoordigd. Het regent. O.L.Vrouw stelt het geloof en de liefde van al die duizenden mensen op een zware proef. Het blijft regenen. Een uitdagende kille regen. En toch denkt niemand eraan heen te gaan. Integendeel, steeds meer bedevaarders komen toe. De Cova da Iria is een ware modderpoel. De mensen zijn doornat. Zij rillen van de koude. Met treffende godsvrucht en roerend vertrouwen wordt niettegenstaande alles gebeden.

Daar naderen de zieners. Ze zijn op hun zondags. Lucia en Jacinta in ’t wit met blauwe “manto”. In de armen dragen zij bloemen, welke de mensen hun gegeven hebben. Met moeite kunnen zij zich een weg banen door de dicht opeengepakte menigte. Zij blijven staan voor de kleine eik, waarvan niet veel is overgebleven. Blad na blad, tak na tak hebben vrome bedevaarders als aandenken mee naar huis genomen. Nu verheft zich boven de kale stam een soort van triomfboog, uit drie ruwe palen, waarboven een kruis. Aan de dwarsbalk hangen twee brandende lantaarns. Aller ogen zijn op dit eenvoudig gedenkteken gericht. De mensen dringen. Jacinta is bang dat zij tussen al dat volk verpletterd wordt. Zij weent. Haar nicht stelt haar gerust: “Niemand zal u kwaad doen.” Lucia verzoekt de paraplu’s te sluiten. En zie, deze tienduizenden gehoorzamen op het simpel woord van een eenvoudig kind. Dan wordt de rozenkrans gebeden. Gans de Cova is herschapen in een onmetelijk grote kerk. Op deze plaats, waar enkele maanden geleden drie herdertjes, ver van het oog der mensen, in de eenvoud hunner harten het rozenhoedje baden, weerklinken thans tienduizenden stemmen, die de Koningin des Hemels loven en prijzen. Een machtige, ontroering heeft allen aangegrepen. Nog enkele ogenblikken en Zij staat in hun midden!

De dans van de zon

De dans van de zon, zoals gezien door de ooggetuigen.

Plotseling houden de kleinen op met bidden. “Relamejou agora! – Wij hebben de lichtstraal al gezien!”, roept Lucia. Zij kijkt naar de hemel. “La vem Ela! – Daar zie ik Haar!” – “Kijk goed”, waarschuwt moeder vol bezorgdheid. “Pas op dat gij u niet vergist.” Lucia hoort het niet. Ze is verslonden in bewondering voor de heerlijk schone Dame. Drie maal ziet de menigte een witte wolk neerdalen op de plaats van de verschijning. En driemaal stijgt ze weer ten hemel. Men zou zeggen, een wierook wolk ter ere van de Moeder van God, wier maagdelijke voet de aarde betreedt. Met volle teugen drinken de kinderen deze hemelse schoonheid. Is het niet voor de laatste keer op deze wereld? Na enige ogenblikken hoort men te midden van de indrukwekkende stilte de rustige stem van Lucia: “Quem é Vossemecê e que quere de min? – Wie zijt u en wat verlangt u van mij?”

Plechtig zegt de Verschijning Haar naam: “Eu sou a Senhora do Rosario – Ik ben O.L.Vrouw van de Rozenkrans.” En zij vervolgt: “Ik ben gekomen om de gelovigen aan te sporen van leven te veranderen; O.L. Heer, die zo beledigd wordt, niet meer door de zonde te bedroeven; de heilige Rozenkrans te bidden; zich te beteren en boete te doen voor hun zonden.” Zij voegt eraan toe: “Ik verlang op deze plaats een kapel ter Mijner eer.” Ten slotte belooft zij aan haar kinderen in nood: “Als de mensen zich beteren, zal de oorlog spoedig eindigen. Ik zal uw gebeden verhoren.

Dan wees de Verschijning op de zon. Instinktmatig roept Lucia: “Kijk naar de zon!” Als bij toverslag houdt de regen op en breekt de zon door de wolken. Zij gelijkt op een zilveren schijf. Daar begint zij rond zichzelf te draaien met duizelingwekkende snelheid. Zij gelijkt op een rad van vuur. In alle richtingen slingert zij bundels licht. Nu eens verft zij alles geel, groen, rood, dan weer blauw en violet. Violet zijn de wolken aan de hemel, de bomen, de rotsen, de bergen, de mensen. Enige ogenblikken staat zij stil. Dan begint opnieuw haar fantastische dans in de ruimte. Opnieuw neemt alles achtereenvolgens al de kleuren aan van de regenboog. Weer staat zij stil, om daarna een derde maal hetzelfde grootse vuurwerk te herhalen. Onbeweeglijk, ademloos staren de tienduizenden naar dat nooit geziene schouwspel. Plotseling davert een kreet van ontzetting over de Cova da Iria! Het is als maakte de zon zich los van het firmament. In zigzag doorklieft zij de hemelen en iedereen heeft het gevoel dat zij zich op de mensen gaat werpen, om hen te verpletteren. “Milagre, Milagre! – Mirakel, mirakel,…” roepen de duizenden. – “Mijn God, ik geloof in U” – ” Wees gegroet Maria!…” Maar de meesten vallen op de knieën in het slijk. Overtuigd dat de wereld vergaat en dat hun laatste uur gekomen is, verwekken zij een akte van berouw: “Meu Deus, misericordia! – Mijn God, barmhartigheid!”

Opeens houdt het zonnewonder op. Tien minuten had het geduurd, ten aanschouwen van al diegenen die hier waren samengekomen. Er werden zelfs foto’s van genomen. Ook buiten de Cova da Iria hadden velen het mirakel gezien. Sommigen zelfs op een afstand van 40 tot 50 km van de plaats der verschijningen. In een dorpje op 10 km van Fatima woonde een ongelovigen, die zich die ganse morgen geërgerd had wegens al die mensen die voor zo’n onnozele kinderen zulk een lange reis ondernamen. Bij het aanschouwen van het zonnewonder stond hij bewegingsloos, onthutst naar het mirakel te kijken. Plots valt hij, als door een bovennatuurlijke macht aangegrepen op de knieën te midden van al het volk dat hem omringt. Met de handen ten hemel roept hij schreiend uit: “Nossa Senhora! Nossa Senhora!”

Gedurende dit wonder – dat door geen enkel observatorium werd opgemerkt, alsof de Hemel op die manier  de bovennatuurlijke aard van het verschijnsel wilde bevestigen – hadden de kinderen een nieuwe verschijning. Lucia verhaalde als volgt: “Ik heb St. Jozef gezien en het Kindje Jezus aan de zijde van O.L.Vrouw. Het Kindje Jezus rustte in de armen van St. Jozef. Het was heel klein, één jaar ongeveer. Beiden waren in het rood gekleed. Vervolgens heb ik O.L. Heer aanschouwd, die de menigte zegende. Verder heeft O.L.Vrouw zich vertoond, gekleed als O.L.Vrouw van de Zeven Smarten, maar zonder zwaard door het hart. Ten slotte heb ik haar anders gekleed gezien: ik weet niet hoe ik moet zeggen; me dunkt als O.L.Vrouw van de Berg Carmel. Ze was in ’t wit met blauwe mantel.

Onbeschrijfelijk was de geestdrift van het volk na het geen in de Cova da Iria had plaatsgehad. Deze geestdrift werd nog groter door een nieuw wonder. Na de dans van de zon bemerkte men dat de kleren – even tevoren nog druipnat – totaal droog waren. Slechts met moeite konden de duizenden zich losmaken van deze plaats waar zij zo’n grote dingen gezien hadden. Thuis gekomen deelden zij hun ontroering mee aan allen die zij ontmoetten. Dagenlang werd in stad en dorp, in huis en in de winkel, op het bureau en in de fabriek over niets anders gesproken dan over de wonderbare feiten van de Cova da Iria. De pers, ook de anti-godsdienstige, droeg daartoe niet weinig bij.

De voornaamste krant van Portugal, “O SECULO”, onder de redactie van een bekend ongelovige en godsdiensthater, publiceerde lange verslagen over de gebeurtenissen van 13 oktober. En dat onder titels als deze: “Midden in het bovennatuurlijke: de verschijningen van Fatima,” en “Wonderbare dingen: de dans van de zon midden in de dag te Fatima.”

De hoofdredacteur werd beschuldigd van verraad! Te laat! Het mirakel was gebeurd. Zelfs deze de godsdienst zo vijandige krant had zich tot tolk gemaakt van O.L.Vrouw van Fatima, Missionaris van God! Ja, zo voelden de mensen het aan. Maria zelf was in Portugal missie komen geven. Persoonlijk had zij hier een boodschap gebracht. Een boodschap van God! Een dringende aansporing tot verandering van leven, tot boete en gebed, kortom tot geestelijke vernieuwing. En Zij had haar woord bekrachtigd door allerlei wonderen. De mensen keerden in zichzelf. Nog was het oorlog. Nog sneuvelden de zonen van het Lusitaanse volk op de slagvelden van Frankrijk. Maar een groot licht was aan de hemel van Portugal verschenen. De Moeder van God had dit land bezocht. Zij had een nieuw tijdperk ingeluid, een tijd van diepe godsdienstzin, van vrede en voorspoed.

 

Uit: O.L. Vrouw van Fatima – Missionaris van God! H. Jongen, Montfortaan, Secretariaat O.L.V. Middelares, Leuven, 1944


Videofragment van de laatste verschijning met het zonnewonder (van de Film “Verschijningen te Fatima”):


O.L.V. van Fatima – de verschijning van 13 juli en het geheim

“Ten slotte zal Mijn Onbevlekt Hart triomferen.”

13 juli 1917 – Nooit voorzeker waren zoveel mensen in Fatima samen geweest. Voor één getuige van de vorige verschijning waren er deze keer honderd teruggekomen. Ze bevonden zich 13 juli 5 à 6000 mensen in de Cova da Iria, toen de kinderen aankwamen. Ook de vader en de moeder van Francisco en Jacinta waren aanwezig. Met moeite baanden de herdertjes zich een weg door het volk. Iedereen wilde ze van dichtbij zien en met hen spreken. Velen hadden hun de één of andere intentie voor te stellen welke zij aan O.L.Vrouw moesten aanbevelen.

De kinderen bidden de Rozenkrans. Dan, een bliksemflits! Opnieuw staat de Dame vóór hen. De omstaanders zien Haar niet. Lucia doet teken neer te knielen. Gewillig gehoorzamen de duizenden. Een kleine, witte wolk, hangt over de plaats van de verschijning en omgeeft de zieners. Het licht van de zon vermindert en ook de warmte. Heel de Cova ademt een sfeer die niet van deze wereld is.

De kleinen schouwen naar de Dame. Zij zouden uren lang naar die wondere schoonheid kunnen zien, zonder moe te worden. Hun gelaat is als verheerlijkt. Zij spreken niet. Ook Lucia niet. Schaamt zij zich over haar twijfels, over haar tekort aan edelmoedigheid de afgelopen maand? Jacinta zou zo graag de stem weer horen van de Dame. Wie weet hoe schone dingen zij weer komt zeggen. Zij dringt aan: “Toe Lucia, spreek! Ziet ge niet dat Zij daar is en met u wil spreken?” Lucia vat moed. En weer komt uit haar mond dat eenvoudige en toch zo rijke woord, het schoonste dat de aarde aan de hemel kan zeggen: “Wat verlangt U van mij?” De Verschijning vroeg, de 13de van de volgende maand terug te komen. Voor de derde keer drukte Zij hun op het hart de Rozenkrans te bidden ter ere van Maria, opdat Zij de wereld de vrede zou bekomen. En Zij onderstreepte: “Ik alleen kan die genade voor de mensen verkrijgen.” Men had Lucia voorgesteld de naam te vragen van de Dame. Ook moest zij verzoeken om een wonder, opdat allen de echtheid der Verschijning zouden erkennen. Maar O.L.Vrouw antwoordde, dat zij eenvoudig elke maand moesten terugkomen. In oktober zou Zij zeggen wie Zij was en wat Zij verlangde. Dan ging Zij ook een groot mirakel doen, om allen te doen geloven.

Lucia voelde zich weer helemaal op haar gemak. Zij kwam nu voor de dag met een ganse litanie van gunsten, die de Dame moest verlenen. O.a. ging het over een arme die kreupel was en verlangde te genezen, en over een zieke van Atougia, die graag zo spoedig mogelijk naar de hemel wilde gaan. Maria antwoordde dat zij de kreupele niet zou genezen en ook zijn armoede niet zou wegnemen. Maar elke dag moest hij met zijn familie de Rozenkrans bidden. Wat de zieke betreft, hij moest geduld hebben. Zij wist ’t beste wanneer Zij hem moest komen halen. Nog andere gunsten legde de kleine aan Maria voor. Zij beloofde ze te verlenen in de loop van het jaar, op voorwaarde dat men trouw de Rozenkrans zou bidden.

Maria wekte de zieners, en vooral Lucia, op tot nieuwe ijver: “Offert u voor de zondaars en zegt dikwijls, maar vooral wanneer ge een offer brengt: ‘O Jezus, het is uit liefde tot U, voor de bekering van de zondaars en tot eerherstel voor de beledigingen aangedaan aan het Onbevlekt Hart van Maria.'” Plotseling veranderde de gelaatsuitdrukking van de kinderen. Zij zagen naar de grond. ’t Was als beefden zij van schrik. Op een gegeven ogenblik slaakte Lucia een diepe zucht. “O!” riep zij uit. Daarna keken de kinderen weer naar het boompje waarboven de Dame zich vertoonde. Maar ook nu lag een uitdrukking van grote bezorgdheid, ja van droefheid, over hun gelaat. Alvorens afscheid te nemen, verzocht de Dame: “Als gij het rozenhoedje bidt, moet ge op het einde van elk tientje zeggen: ‘O Jezus, vergeef ons onze zonden, behoed ons voor het vuur van de Hel, voer ten hemel alle zielen, vooral die welke het meest Uw barmhartigheid nodig hebben.'”

-“Verlangt U anders niets van Mij?” vroeg Lucia.
-“Neen, anders verlang Ik niets.” was het antwoord, en Zij verdween.

Onmiddellijk verdrong zich de menigte rond de kleine zieners. Wat had de verschijning gezegd? Vader Marto vreesde, dat men zijn dochtertje dood zou drukken. Hij nam Jacinta in zijn armen en droeg ze naar huis. Des te meer werden Lucia en Francisco nu met vragen bestormd. Wat men vooral wilde weten, was de reden van de vrees en de droefheid welke zich onder de verschijning op hun gelaat had afgetekend. Waarom had Lucia zo diep gezucht? De zienertjes schenen verlegen met deze vragen. Eindelijk zei Lucia:

– “Het is een geheim!”
– “Goed of slecht?”
– “Het is voor het welzijn van ons drieën.”
-“En voor de mensen?”
-“Het gaat ook over de mensen. Voor sommigen is het goed, voor anderen slecht.”

25 jaar bleef dit geheim voor de wereld verborgen. O.L.Vrouw had uitdrukkelijk zo bevolen, toen zij Lucia en Jacinta op het hart drukte: “Zeg het niemand. Aan Francisco moogt ge het echter zeggen.” De kinderen gehoorzaamden. Geen vleierij of bedreiging kon hun mond ontsluiten. Noch de pastoor van de parochie, noch de administrator van Ourém slaagden erin iets te vernemen. Men bediende zich van een list. Aan Lucia werd – tegen beter weten in – gezegd dat de Bisschop van Leiria en de Provinciale Overste van haar Congregatie bevolen hadden het geheim te openbaren. Het was voor Lucia een ontzettende gewetensstrijd, maar zij zweeg… Tot 31 augustus 1941! Toen deelde zij aan de Bisschop van Leiria ‘uit zuivere gehoorzaamheid en met verlof van de hemel,” zoals ze zich uitdrukt, het geheim mee.

Het Eerste Deel van het Geheim

“Het eerste deel is het visioen van de hel. O.L.Vrouw opende de handen waaruit bundels licht schoten: zij doorboorden de grond en toonden ons een grote zee van vuur die zich onder de aarde scheen te bevinden. Ondergedompeld in dat vuur dreven de duivelen en de zielen rond als lichtende en bruine kolen in mensengedaante – nu eens omhooggejaagd door de vlammen die uit henzelf uitsloegen, samen met de wolken van rook, dan weer van alle zijden neerregenend, zoals het neervallen van vonken bij grote branden, zonder gewicht of evenwicht, te midden van kregen en gehuil van smart en wanhoop, die deden ijzen en beven van schrik. De duivelen onderscheidden zich door hun afschuwelijke en weerzinwekkende gedaante van monsterachtige en onbekende, maar doorschijnende en zwarte dieren. Dit gezicht duurde een ogenblik en wij moeten onze goede Moeder bedanken Die ons te voren beloofd had ons naar de hemel te brengen. Anders zouden wij gestorven zijn van ontzetting en schrik.”

Het Tweede Deel van het Geheim

“Vervolgens sloegen wij de ogen op naar O.L.Vrouw die ons met goedheid en droefheid zei: ‘Gij hebt de hel gezien, waar de zielen van de arme zondaars naartoe gaan. Om ze te redden, wil God in de wereld de godsvrucht vestigen tot Mijn Onbevlekt Hart. Als ze doen wat Ik u zal vragen, zullen vele zielen gered worden en zal er vrede komen. De oorlog gaat eindigen, maar als ze niet ophouden God te beledigen, zal onder het pontificaat van Pius XI een andere, erger dan deze, beginnen. Als gij een nacht verlicht zult zien door een onbekend licht, weet dat dit het grote teken is dat God u geeft, dat Hij de wereld gaat straffen voor haar misdaden door middel van oorlog, hongersnood, vervolgingen van de Kerk en de H. Vader. Om dat te verhinderen, zal Ik de toewijding komen vragen van Rusland aan mijn Onbevlekt Hart en de Communie van eerherstel op de eerste zaterdag van de maand. Als ze naar mijn verlangens luisteren, zal Rusland zich bekeren en zal er vrede komen. Zo niet, zal het zijn dwalingen over de wereld verspreiden, oorlogen en Kerkvervolgingen aanstokend. De goeden zullen gemarteld worden, de H. Vader zal veel te lijden hebben, verschillende naties zullen vernietigd worden. Eindelijk zal Mijn Onbevlekt Hart triomferen. De H. Vader zal Mij Rusland toewijden, dat zich zal bekeren, en aan de wereld zal een tijd van vrede geschonken worden.'”

Het Derde Deel van het Geheim

“Na de twee delen die ik al heb uitgelegd, zagen we links van Onze Lieve Vrouw, en er een beetje boven, een Engel met een vlammend zwaard in zijn linkerhand; het flitste en gaf vlammen af die eruit zagen alsof ze de wereld in brand zouden zetten; maar ze doofden uit toen ze in contact kwamen met de schittering die Onze Lieve Vrouw naar hem uitstraalde van haar rechterhand. Naar de aarde wijzend met zijn rechterhand riep de Engel met een luide stem: “Boete, boete, boete!” En we zagen een immens licht dat God is: iets zoals wanneer mensen in een spiegel verschijnen wanneer ze er voor passeren; een Bisschop gekleed in het Wit, en we hadden de indruk dat het de H. Vader is. Andere bisschoppen, priesters en religieuze vrouwen gingen een steile berg op, een aan de top was er een groot kruis van ruwe stronken van een kurkeik met de bast er nog aan. Voordat hij er aankwam passeerde de H. Vader door een grote stad die half in puin lag, en half bevend met een langzame pas, geteisterd door pijn en verdriet, bad hij voor de zielen van de lijken die hij op zijn weg ontmoette. Toen hij de top van de berg had bereikt, werd hij op zijn knieën aan de voet van het groot Kruis gedood door een groep soldaten die kogels en een pijl naar hem vuurden, en op dezelfde manier stierf de ene na de andere, bisschoppen, priesters en vrouwelijke religieuzen, en verschillende mensen van verschillende standen en posities. Onder de twee armen van het Kruis waren er twee Engelen met elk een kristallen beker in de hand, waarmee ze het bloed van de martelaren opvingen en de zielen besprenkelden die hun weg naar God zochten.”

Uit: O.L. Vrouw van Fatima – Missionaris van God! H. Jongen, Montfortaan, Secretariaat O.L.V. Middelares, Leuven, 1944

Bron van het Derde Deel van het geheim: vatican.va (vrijgegeven in juni 2000)

Feest van O.L.Vrouw van Fatima – 100ste verjaardag 1ste verschijning

Vandaag is het exact 100 jaar geleden dat De H. Maagd in Fatima voor het eerst verscheen aan Jacinta, Francisco en Lucia.

Het relaas van die eerste verschijning gaat als volgt:

“Jacinta was 7 jaar geworden, zo vertelt Lucia, toen schoon en zonnig, gelijk zoveel andere, de dag aanbrak van 13 mei 1917. Toevallig – als er in de plannen van de Voorzienigheid toeval bestaat – kozen wij die dag om onze kudde te weiden op het eigendom van mijn ouders, Cova da Iria genaamd, waar wij ook andere keren gaarne gingen. Nadat wij het, zoals altijd, bij de poel daarover eens geworden waren, moeste wij de heide overtrekken. Zodoende was de weg twee keer zo lang. Wij liepen langzaam, om de schapen langs de weg te laten grazen, en kwamen pas aan tegen de middag.”

De Cova da Iria was een cirkelvormig terrein, dat deed denken aan een reusachtige ‘kom’. Het had 500 m doorsnede en lag een kilometer of drie buiten het eigenlijke dorp. De ouders van Lucia bezaten hier een eigendom, beplant met steeneiken en olijfbomen. De schapen vonden er overvloedig voedsel. De kinderen namen hun korfje en aten met smaak wat moeder had meegegeven. Daarna baden ze het rozenhoedje. Het rozenhoedje werd in alle goede families van de streek elke dag gebeden. Was het misschien om deze godsvrucht te belonen dat O.L.Vrouw van de Rozenkrans hier wilde verschijnen?

Nauwelijks was hun gebed beëindigd, of zij begonnen te spelen. Deze keer gingen ze een huis bouwen! De meisjes moesten stenen, hout en aarde halen. Francisco zou wel architect zijn. Midden in die bedrijvigheid “zien wij”, verhaalt Lucia, “de straal van een licht: een bliksemflits dachten wij. En omdat wij gewoon waren alleen de bliksem te zien bij onweer, meenden wij dat een onweer opkwam.” De kinderen voelden zich niet op hun gemak. De zon stond stralend aan de hemel. Geen wolkje was te bespeuren. Niets dat een onweer voorspelde. Doch Lucia had meermalen horen zeggen dat een onweer in mei verschrikkelijk kan zijn. Zij besloot het zekerste te kiezen: “Komt achter de berg niet een onweer op? Het beste zal zijn dat we naar huis gaan.” Ze dreven de kudde samen – Francisco en Jacinta waren een beetje zenuwachtig – en daalden de helling af. Opeens wordt hun oog als verblind door een nieuwe lichtstraal. Zij kijken elkaar aan… Een onbestemde vrees maakt zich van hen meester. Zij verhaasten hun stap. Plotseling zien zij links van hen, boven een kleine steeneik van een meter hoogte, een lichtende gestalte.

“In het licht dat haar omgaf,” zegt Lucia, “zag men een Dame van volmaakte schoonheid. Wij waren er al zo dicht bij, dat wij enigzins binnen de lichtkrans stonden die haar omgaf.” De kleinen schrokken en wilden vluchten. Maar de verschijning keek minzaam op hen neer en stelde hen gerust: “Vreest niet. Ik doe u helemaal geen kwaad…” Nog nooit hadden zij zo’n welluidende stem gehoord. Als muziek uit de hemel. Zij kwamen naderbij. Hoe schoon was die Dame! Nooit hadden ze zulk een schone vrouw gezien. Ze scheen nog jong, hoogstens achttien jaar. Het gelaat schitterde als de zon, maar tegelijkertijd bezat het de liefelijkheid van de maan. Alles in haar was licht, licht! Haar blanke handen hield Zij op de borst gevouwen, alsof Zij bad. Aan de rechterhand zagen zij een rozenkrans, waarvan de parelen schitterden als edelstenen. Haar kleed was wit als sneeuw en reikte tot de voeten. Wit was ook de “manto” of mantel die hoofd en schouders bedekte en eveneens tot aan de voeten reikte. Die mantel scheen afgezet met borduursel van goud. De kinderen dronken met volle teugen van deze wonderbare schoonheid. Zij werden niet moe naar de Dame te zien. En de Dame zag naar hen. Met een uitdrukking van zo’n onzegbare goedheid dat hun hartje het scheen te besterven van zaligheid en geluk. Tegelijkertijd meenden zij echter in haar ogen een grote onmetelijke droefheid te lezen.

De zachte blik van de Dame gaf Lucia de moed haar aan te spreken. Iets in haar binnenste zei haar dat de Moeder van God vóór hen stond. Maar in haar bescheidenheid durfde zij het niet geloven. Ze waagde een vraag:
– “Van waar zijt U?”
– “Ik ben van de Hemel.”
– “En wat komt U hier doen?”
– “Ik kom u vragen zes maanden achter elkaar de 13de van de maand hier naartoe te komen op hetzelfde uur. In Oktober zal ik u zeggen wie Ik ben en wat Ik verlang.”
De klank van die stem betoverde weer de kleinen en maakte hen dronken van geluk. Zij hadden altijd van de hemel gehouden. Vooral na de verschijning van de Engel. Maar nu maakte zich een nieuwe heimwee van Lucia meester. Bijna hartstochtelijk vroeg zij:
– “U komt uit de hemel. En zal ik naar de hemel gaan?”
– “Ja!” was het plechtig antwoord.
– “En Jacinta?” – “Ook.”
– “En Francisco?”
De Verschijning vestigde de blik op de kleine. Zij zag hem aan met ogen waarin goedheid maar ook moederlijke strengheid te lezen stond: “Hij ook, maar eerst moet hij veel rozenhoedjes bidden.” Aangemoedigd door de vriendelijke antwoorden van de Dame, stelde Lucia een andere vraag. Korte tijd geleden waren twee meisjes uit het dorp gestorven, de ene van zestien jaar, de andere van rond de twintig. Waar bevonden zij zich thans? De Verschijning deelde mee, dat de jongste al in de Hemel was, maar de oudste verbleef in het Vagevuur, en moest er blijven tot het einde van de wereld. De Dame had ook iets aan de kinderen te vragen. Plechtig richtte zij zich tot de herdertjes:
– “Wilt ge u aan God aanbieden, om offers op te dragen en gaarne alle beproevingen te aanvaarden die Hij u wil overzenden, tot eerherstel voor de zonden waardoor de Goddelijke Majesteit beledigt wordt, om de bekering der zondaars te verkrijgen en tot eerherstel voor de godslasteringen en voor alle beledigingen aangedaan aan het Onbevlekt Hart van Maria?
– “Sim queremos! Ja dat willen wij,” antwoordde Lucia van ganser harte in aller naam.

– “Gij zult thans veel te lijden hebben, maar de genade van God zal u kracht geven.”

“Bij het uitspreken van de laatste woorden: “De genade van God zal u kracht geven””, schrijft Lucia later, “opende O.L.Vrouw voor de eerste keer haar handen. Zij deelde ons een licht mee, zo intiem, dat het doordrong tot ons binnenste, ja tot de bodem van onze ziel. Het deed onszelf aanschouwen in God – Hijzelf was dat licht – klaarder dan wanneer wij onszelf hadden gezien in de zuiverste spiegel. Dan, onder de drang van een inwendige impuls, die ons ook werd medegedeeld, vielen wij op de knieën, terwijl wij inwendig herhaalden: “O Allerheiligste Drie-eenheid, ik bemin U. Mijn God, ik bemin U in het H. Sacrament.“”

Een weinig later spoorde de Verschijning de kinderen aan, elke dag godvruchtig het rozenhoedje te bidden voor de vrede. Vervolgens steeg zij omhoog, zonder dat Haar voeten bewogen, tot Zij verdween in het licht van de zon. Overgelukkig zagen de kleinen elkaar aan. Het was nu heel anders als na de verschijning van de engel. “De verschijning van O.L.Vrouw, verklaart Lucia, hield ons gevangen in het bovennatuurlijke, maar op zachte wijze. In plaats van dat soort vernietiging onder het gewicht van de tegenwoordigheid Gods, die ons ook fysisch drukte, liet deze verschijning ons een vrede en een vreugde, welke ons niet belette onmiddellijk te praten over het geen was voorgevallen.”

Op een andere plaats schrijft zij: “Ik weet niet waarom: de verschijningen van O.L.Vrouw brachten in ons gans andere uitwerkselen teweeg (als die van de Engel). Dezelfde innerlijke vreugde, dezelfde vrede en geluk. Maar in plaats van die fysische druk een zeker gemak om zich uit te drukken: in plaats van die vernietiging in de tegenwoordigheid Gods een jubel van vreugde: in plaats van die moeite om te spreken, een zekere geestdrift om zijn gevoelens te uiten. Niettegenstaande dit alles voelde ik me gedrongen tot geheimhouding, vooral van zekere zaken. Wanneer men mij ondervroeg, hoorde ik een inwendige stem die mij zei wat ik moest antwoorden, waar – zonder aan de waarheid tekort te komen – moest gezwegen worden wat ik op dat ogenblik moest verbergen.”

Enthousiast deelden de herdertjes elkaar hun indrukken mee.
– “Wat heeft de Dame gezegd?” vroeg Francisco?
Verbaasd keken de twee meisjes hem aan:
– “Hebt ge dat niet gehoord?
Het bleek dat Francisco de Dame wel gezien had, maar niet verstaan. Jacinta had haar gezien en verstaan, Lucia alleen had met haar gesproken. Ook bij de volgende verschijningen zou dat het geval zijn. Opeens denken zij aan de kudde. De schapen hebben zich verspreid – de verschijning had 10 minuten geduurd – en dwalen op vreemde grond, een veld beplant met grauwe erwten. De herdertjes schrikken. Zij zullen schadevergoeding moeten betalen. Vlug lopen ze naar de dieren, om ze terug te halen. Maar zie, nergens zien zij ook maar één plant die is afgevreten! O ja, nu herinneren zij zich weer wat onder de verschijning was gebeurd. Francisco- die minder in beslag genomen scheen door de Dame – had de kudde in de richting van de erwten zien gaan, en wilde de dieren onmiddellijk tot de orde roepen. Maar de Dame had aan Lucia gezegd:
-“Zeg aan Francisco, dat hij gerust kan zijn. De schapen doen geen kwaad.”
Nu bleek dat zij de waarheid had gesproken. Hoe goed was die Dame! Het moest zeker O.L.Vrouw zijn! Wie dacht nu nog aan het huisje, dat zij even te voren bouwden? Deze Dame was toch veel schoner dan de Engel. Vooral Jacinta was door haar schoonheid getroffen. Wel honderd keer riep zij uit:
-“Ai que Senhora tão bonita! – Och wat een schone Dame toch!
Francisco van zijn kant, was verrukt door de belofte van de Dame, dat ook hij naar de hemel zou gaan. Hij klapte van vreugde in zijn handen en beloofde:
O schone Lieve Vrouw, rozenhoedjes al ik bidden, zoveel Ge wilt.
Nooit is een namiddag zo gauw voorbij geweest als thans. Reeds begint de zon onder te gaan. Zij keren terug naar huis. Voor zij ’t weten, hebben ze Aljurstrel weer bereikt. Lucia, met haar gezond verstand, vindt het ’t beste niemand iets van het gebeurde te zeggen. Volmondig stemmen haar neefje en nichtje daarmee in. Het is hun te lang, voordat zij diezelfde avond elkaar terugzien. Jacinta verstoort maar altijd weer het gesprek met de uitroep:
“Och wat een wonderschone Dame! Wat was die Dame toch schoon!”
Lucia maakt zich ongerust:
– “Het is goed te zien! Gij gaat het nog iemand zeggen!”
– “Ik zeg niets, niets. Wees gerust.”

Uit: O.L. Vrouw van Fatima – Missionaris van God! H. Jongen, Montfortaan, Secretariaat O.L.V. Middelares, Leuven, 1944

Noveen tot O.L.Vrouw van Fatima

Noveengebed tot O.L.V. van Fatima, te bidden van 4 tot 12 mei (de dag vóór het Feest van O.L.V. van Fatima).

Meest Heilige Maagd, die zich verwaardigd heeft om naar Fatima te komen om aan de drie kleine herdertjes de schatten van genade, verborgen in het bidden van de Rozenkrans, te openbaren, inspireer ons hart met oprechte liefde voor deze devotie.

Mogen we door het mediteren over de mysteries van onze verlossing, die in uw Rozenkrans worden aangehaald, de vruchten verkrijgen die daarin vervat liggen en de bekering verkrijgen van de zondaars, de bekering van Rusland, de Vrede van Christus voor de wereld, en deze gunst die ik plechtig van u vraag in deze noveen:

(uw intentie)

Ik vraag dit van u, voor de meerdere glorie van God, voor uw eigen eer en voor het goed van alle mensen. Amen.

Onze Vader; Weesgegroet en 3x Glorie zij de Vader.

Bron: America Needs Fatima

Nieuwe website: Eerherstel aan het Onbevlekt Hart van Maria

100 jaar geleden zei de H. Maagd in Fatima aan Lucia dat God wenste dat de devotie tot haar Onbevlekt Hart zou worden verspreid.

In 1925 verscheen Maria met het kind Jezus opnieuw aan Lucia, en Jezus vroeg haar om eerherstel tot het Onbevlekt Hart van Maria, om God en Maria te troosten voor de vele godslasteringen en heiligschennissen die worden gepleegd tegenover Haar.

Doe mee en engageer u!

Ga naar de website

Akte van Eerherstel aan het Onbevlekt Hart van Maria

Gebed speciaal voor de Eerste Zaterdagen

Heilige Maagd Maria, Moeder van God, Koningin van engelen en mensen, wij danken de allerheiligste, aanbiddelijke Drie-eenheid om de glorievolle voorrechten waarmee Zij U bekleed heeft. Wij geloven al wat de H. Kerk ons leert omtrent uw grootheden, uw macht, uw goedheid en uw deugden. Wij geloven bijzonder dat Gij onbevlekt ontvangen zijt, dat uw goddelijk moederschap samengaat met een ongerepte blijvende maagdelijkheid; dat Gij door de volheid der genade die Gij ontvangen hebt, door de getrouwheid waarmee Gij daaraan beantwoord hebt, tot de hoogste trap der heiligheid zijt gestegen, en verheven werd boven alle schepselen, engelen en heiligen; dat Gij om uw medewerking aan de Verlossing der wereld terecht de Medeverlosseres van het mensdom genoemd wordt; dat Gij, door het aandeel in het uitdelen der genaden, hiervan de Schatbewaarster en de Deur des hemels geworden zijt; dat Gij, omdat Gij de genaden aan de zielen meedeelt, de ware Moeder der levenden geworden zijt; dat Gij eindelijk met de heerschappij over alle schepselen werd bekleed, en de Meesteres en Koningin van hemel en aarde zijt geworden.

Gaarne erkennen wij, dat Gij de smekende almacht bezit, en dat Gij deze grote macht slechts gebruikt voor het heil der zielen en de troost der bedroefden; dat Gij steeds bijstaat al wie u aanroepen en dikwijls de wensen voorkomt van diegenen die niet tot U bidden. O Moeder der goddelijke genade, toevlucht der zondaars en machtige hulp der christenen, aanvaard onze nederige dankbetuigingen voor de ontelbare genaden, die Gij aan de Kerk Gods en aan elk harer kinderen bezorgd hebt.

Vergeef ons, o Koningin en Moeder van barmhartigheid, al onze ongetrouwheden in uw dienst. Wij beloven, met de hulp der goddelijke genade, U meer dan ooit te vereren, te beminnen en na te volgen. Wij hernieuwen op dit ogenblik, in de geest van eerherstel, onze eeuwige opdracht aan U met al wat we zijn en al wat we bezitten. Wij zullen getrouw deze toewijding nakomen door te leven in afhankelijkheid van U en in een onophoudelijk streven naar uwe eer en glorie en naar uw rijk, dat het liefderijk verzekert van Jezus, uw geliefde en aanbiddelijke Zoon. Wij nemen aandeel ook, door het vermijden der zonde en der gelegenheden daartoe, in de onverzoenlijke vijandschappen die God in uw ziel tegenover Satan heeft gelegd.

Vergiffenis, o goede lieve Moeder, voor al de godslasteringen, die tegen uw naam en uw voorrechten in woord of geschrift worden geuit! Vergiffenis voor al de onteringen die uw godvruchtige beeltenissen worden aangedaan! Vergiffenis voor al de beledigingen en ondankbaarheden die uw moederlijk Hart hebben gekwetst! Vergiffenis voor de onwetendheid en de onverschilligheid van zoveel christenen tegenover U! Vergiffenis voor de ongetrouwheid aan uw genade van zoveel zielen die U toegewijd zijn! Op waardige wijze willen wij al deze beledigingen herstellen, en verenigen ons daartoe met de engelenkoren, met alle heiligen en alle rechtvaardigen die U beminnen en loven in de hemel en op aarde.

Aanvaard deze uitingen van onze kinderlijke liefde. Toon dat Gij onze Moeder zijt, en maak ons waardig steeds uw kinderen genoemd te worden. Amen.

(Imprimatuur J. NAULAERTS can. lib. cens. Leuven 1933; 3 jaar aflaat – volle aflaat voor diegenen die het één maand dagelijks bidden)