Spring naar inhoud

Uit de visioenen van de Zalige A.K. Emmerick over het Oud Verbond: IX. Kaïn – De kinderen Gods – de reuzen

Ik zag dat Kaïn op de Olijfberg de moord op Abel volbracht en dat hij na die daad daar vermorzeld en bang rondzwierf. Hij plantte bomen en trok ze weer uit. Daar zag ik de verschijning van een eerste lichtende man, die vroeg Kaïn: ‘Waar is uw broeder Abel?’ Kaïn zag hem eerst niet; dan keerde hij zich om en zei: ‘Ik weet het niet; ik moet hem niet bewaken.’ Maar God zei dat het bloed van de aarde tot Hem jammerde, en Kaïn werd banger; toch zag ik dat hij lang met God redetwistte. God zei hem ook dat hij vervloekt zou zijn op aarde, en dat deze hem geen vrucht zou opbrengen en dat hij zou wegvluchten. Daarop antwoordde Kaïn: ‘Dan zal er overal gedood worden.’

Er woonden reeds veel mensen op aarde. Kaïn was reeds zeer oud en had kinderen en Abel ook, en er waren nog andere broers en zusters daar. God hernam: ‘Neen, wie u zal doden, zal zevenmaal gestraft worden.’ Hij had ook een teken aangebracht, opdat hij niet gedood zou worden. Zijn nakomelingen werden kleurmensen.

Cham had ook kinderen die bruiner waren dan de kinderen van Sem. De edeler mensen waren steeds witter. Degenen die met het kwaad getekend waren, hadden dergelijke kinderen; en door het groeiende verderf ging het kwaad ten slotte op het ganse lichaam over, en de mensen werden steeds donkerder gekleurd.

Toch waren in het begin nog geen gans zwarte mensen; dat werden zij maar stilaan. God wees hen ook een streek aan, waarheen hij kon vluchten. En terwijl Kaïn zei: ‘Zo zult gij mij laten verhongeren, daar de aarde vervloekt is,’, zei God: ‘Neen, gij zult vlees van dieren eten, en er zal een volk uit u spruiten en zelfs zal uit u nog goed voortspruiten. Voorheen aten de mensen geen vlees.

Kaïn is nadien verder getrokken en heeft een stad gebouwd, en naar zijn zijn zoon Henoch genoemd. Abel werd in het dal van Josafat tegen de Calvarieberg neergeslagen. In dit gebied is later nog menigerlei moord en ongeluk gebeurd. Kaïn sloeg Abel met een soort knuppel, waarmee hij bij het planten zachte stenen en aarde kapot sloeg. Die moe wel van harde steen geweest zijn, en het handvat van hout, want hij was gekromd als een haak.

Het land vóór de zondvloed mag men zich niet voorstellen zoals nu. Het Beloofde Land was op verre na niet door dalen en ravijnen verscheurd. De vlakten waren veel groter en afzonderlijke bergen stegen zachter omhoog. De Olijfberg was toen slechts een zachte verhevenheid. Ook was de kribbespelonk daar bij Bethlehem een wilde rotsspelonk, maar de omgeving was anders. De mensen waren groter, maar niet vormeloos; men zou ze nu met verwondering, maar niet met schrik aanschouwen. Ze waren veel schoner door hun bouw; onder de oude marmeren beelden die ik in menig oord in zalen onder de grond zie liggen, zijn nog zulke gestalten.

Kaïn trok met al zijn kinderen en kleinkinderen naar die plaats, die hem aangewezen was, en zij verdeelden zich verder. ik heb van Kaïn zelfs niets afschuwelijks meer gezien, en zijn kwaal scheen, dat hij zeer hard moest wroeten en dat hem persoonlijk niets gedijde. Ik zag hem ook van zijn kinderen en kleinkinderen versmaad en veracht en bovenal slecht behandeld worden; toch volgden zij hem in groep als de opperheer, maar als één die vervloekt is. Ik zag dat Kaïn niet verdoemd werd, maar streng gestraft.

Eén van zijn nakomelingen was Tubalkaïn; van deze kwamen menigvuldige kunsten en ook reuzen. Ik heb dikwijls gezien, dat bij de val der engelen een zeker aantal van hen een moment berouw hadden en niet zo diep vielen als de anderen, en dat die later op een eenzame, heel hoog en ontoegankelijk gebergte, dat bij de zondvloed een zee geworden is, een verblijfplaats hadden. Zij hadden invloed op de mensen, in zover ze zich van God verwijderden. Na de zondvloed zijn zij daar verdwenen en in de lucht verplaatst geworden; eerst op de Jongste Dag zullen zij in de Hel gestort worden.

Ik zag dat de nakomelingen van Kaïn steeds goddelozer en zinnelijker werden. Zij trokken de bergrug meer op; en de gevallen engelen namen vele van deze vrouwen in bezit en beheerden ze en leerden hen alle verleidelijke kunst. Hun kinderen waren zeer groot, bezaten allerlei vaardigheden en gaven en lieten zich gans tot werktuig van de boze geesten. Zo ontstond op dat gebergte en ver rondom een boos geslacht, dat door geweld en verleiding ook de nakomelingen van Seth in zijn lasterwereld zocht mee te sleuren. Toen kondigde God aan Noach de zondvloed aan, die gedurende de bouw van de ark ontzettend veel te lijden had van dat volk.

Ik heb veel van het reuzenvolk gezien: hoe zij ongehoorde stenen zeer licht de berg opsleepten, steeds hoger klommen en zeer uitzonderlijke dingen konden doen. Zij liepen recht op muren en bomen, zoals ik het trouwens ook door andere bezetenen heb zien doen. Zij verrichten de wonderbaarste zaken, maar louter goocheltoeren en kundigheden, die met de hulp van de duivel geschiedden. Daarom zijn voor mij alle goochelen en waarzeggerskunst een afschuw. Zij konden allerlei beelden van steen en metaal maken, maar ze wisten niets van goddelijke wetenschap en zochten nochtans van alles om te aanbidden. Ik heb gezien dat ze plots uit de eerste de beste steen een wonderlijk beeld maakten en aanbaden, ook gelijk welk gruwelijk dier, of dat ze een nietswaardige zaak aanbaden.

Zij wisten alles, zagen alles, bereidden gift, beoefenden de toverij en alle ondeugden. De vrouwen ontdekten de muziek; ik zag ze rondtrekken, om de betere stammen te verleiden en met hen in hun gruwel te trekken. Ik zag dat ze geen woonhuizen of steden hadden, maar ze bouwden dikke, ronde torens van glimmende stenen, waar onderaan kleinere aanbouwingen waren, die in grote spelonken leidden, waarin ze hun gruwel beoefenden. Op de daken van deze aanbouwingen kon men rondom gaan, en ze klommen in torens en keken door buizen in de verte; maar niet als door verrekijkers; dat deden ze door de kunst van Satan. Ze zagen waar andere bewoonde gebieden lagen en trokken erheen, overwonnen de bewoners en maakten alles losbandig en zonder wet; overal voerden zij die losbandigheid in. Ik zag dat zij kinderen offerden en levend in de aarde begroeven. God heeft die berg in de zondvloed verdelgd.

Henoch, de voorloper van Noach, heeft tegen hen onderwezen. Hij heeft ook veel geschreven en was een zeer goed man en God zeer dankbaar. Op de vele plaatsen had hij in het vrije veld altaren van steen opgericht, waar de vruchten gedijden, en heeft God gedankt en geofferd, en hij heeft voornamelijk de godsdienst overgedragen aan de familie van Noach. Hij is verplaatst in het Paradijs en rust aan de uitgangspoort, en nog een ander (Elia), van waar hij de Jongste Dat zal terugkomen.

Ook de nakomelingen van Cham hadden na de zondvloed dergelijke verbindingen met vijandige geesten, en daarom waren er onder hen zoveel bezetenen, tovenaars en wereldmachtigen, en ook grote, wilde, wrede mensen. Ook Semiramis is uit het huwelijk van bezetenen gekomen; zij kon alles, maar niet zalig worden.

Zo stonden nog andere mensen op, die later door de heidenen voor goden gehouden werden. De eerste vrouwen die zich door boze geesten lieten beheersen, waren er zich van bewust. De anderen echter, wisten het niet; ze hadden het in zich zoals vlees en bloed, zoals de erfzonde.

Bron: De Geheimen van het Oud Verbond, naar de visioenen van Anna-Katharina Emmerick; vertaald uit het Duits naar de dagboeken van Clemens Brentano; Uitgave van de vrienden van AK Emmerick; Mechelen, 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: