Spring naar inhoud

Uit de visioenen van de Zalige A.K. Emmerick over het Oud Verbond: VII. De verjaging uit het Paradijs

Na een korte tijd zag ik Adam en Eva in grote treurigheid ronddwalen. Ze waren duister, gingen gescheiden, als zochten zij iets dat ze verloren hadden. Ze schaamden zich voor elkaar. Bij elke schrede zakten zij dieper naar beneden, het was als week de grond, en waar zij gingen, werd het troebel, de gewassen verloren hun glans, werden als grauw en de dieren vluchtten. Ze zochten echter grote bladeren en maakten een krans rond de lenden en dwaalden steeds gescheiden.

Toen zij tamelijk lang zo gevlucht hadden, was de glanzende streek waar ze uitgegaan waren, reeds als een verre berghoogte, en ze verborgen zich, gescheiden, onder de struiken van een donkere vlakte. Daar riep hen een stem uit de hoogte; zij kwamen echter nog niet te voorschijn, werden nog banger, vluchtten nog verder, zich dieper wegstekend. Dat deed me veel leed. De Stem echter, werd strenger; zij hadden zich gaarne nog dieper verstopt, maar ze werden gedwongen naar voor te komen. De indrukwekkende, glanzende gestalte verscheen; zij traden naar voor met neergebogen hoofd en keken de Heer niet aan; maar ze bekeken elkaar en beschuldigden zich wederzijds. Nu wees hij hen nog dieper een vlakte aan, waar bomen en struiken stonden en daar werden zij deemoedig en beweenden eerst echt hun ellendige staat. Toen ze alleen waren, zag ik hen bidden. Ze zonderden zich af van elkaar, wierpen zich op de knieën, hieven de handen omhoog, weenden en kermden. Toen ik dat zag, voelde ik hoe weldadig de afzondering in gebed is.

Ze waren met een gewaad bedekt. Het bedekte het lichaam tot over de schouders en reikte tot de knieën. Rond de lenden gordden ze zich met een stevige bast. Terwijl ze verder vluchtten, scheen het Paradijs achter hen weg te trekken, gelijk een wolk. Er kwam echter een vurige ring van de hemel, zoals men een halo rond de zon of de maan ziet, en legde zich rond de hoogte, waar het paradijs was geweest.

Ze hadden slechts één dag in het Paradijs vertoefd. Het Paradijs zie ik nu van ver als een klif onder de zon, als ze opgaat. Als ik het zie rijst het aan het einde van de klif. Het ligt ten oosten van de profetenberg, omhoog waar de zon opgaat, en schijnt mij steeds als een ei zwevend over onbeschrijfelijk klaar water, waardoor het van de aarde gescheiden is, en het is als ware de profetenberg een voorgeborgte ervan. Men ziet op die wondergroene oorden en daartussen, diepe afgronden en ravijnen vol water. Ik heb reeds mensen gezien die op de profetenberg stegen, zij zijn echter niet ver geraakt.

Ik zag Adam en Eva op de boete-aarde aankomen. Het was een onbeschrijfelijk roerende aanblik de beide boetende mensen op de naakte grond. Adam had een olijftak uit het paradijs mee mogen nemen, die hij hier plantte. Ik zag dat het kruis later uit dat hout getimmerd werd. Ze waren onbeschrijfelijk bedroefd. Gelijk ik ze daar zag, konden zij het paradijs met moeite nog zien. Ze hadden altijd maar gedaald; en het was ook als keerde zich iets om, en ze kwamen door nacht en duister aan het treurige oord van de boete.

(Wordt vervolgd)

Bron: De Geheimen van het Oud Verbond, naar de visioenen van Anna-Katharina Emmerick; vertaald uit het Duits naar de dagboeken van Clemens Brentano; Uitgave van de vrienden van AK Emmerick; Mechelen, 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: