Spring naar inhoud

Uit de visioenen van de Zalige A.K. Emmerick over het Oud Verbond: III. De schepping van Adam en Eva

Ik zag Adam glanzend en wit uit een gele aardheuvel tevoorschijn komen, als uit een vorm. De zon scheen, en ik dacht, daar ik het zag als kind, de zon straalt Adam uit de berg tevoorschijn. Hij werd als uit de aarde geboren, die een maagd was. God zegende haar en zij werd zijn moeder. Hij trad niet plots uit de aarde, het duurde enige tijd vooraleer hij tevoorschijn trad. Hij lag in de heuvel op zijn linkerzijde, de arm over het hoofd geslagen, en was met een lichte nevel als met een sluier bedekt. Ik zag een figuur in zijn rechterzijde en het werd me ingegeven dat het Eva was, die in het Paradijs door God uit hem tevoorschijn werd getrokken. God riep hem, en het was, als opende de aardheuvel zich en Adam trad stilaan naar voor. Er waren geen bomen, maar slechts kleine bloemen rondom. Ook de dieren had ik als enkelingen uit de aarde tevoorschijn zien komen, en de vrouwelijke zich daaruit afzonderen.

Ik zag dat Adam zeer ver naar een hoog liggende tuin, het Paradijs, gedragen werd. God stelde hem in het Paradijs de dieren voor. Adam gaf ze een naam, ze volgenden en speelden met hem. Alles diende hem vóór de zonde. Eva was nog niet uit hem gevormd. Al die dieren, die hij benoemde, gingen hem later op de aarde achterna.

Ik zag Adam in het Paradijs, niet ver van de bron in het midden van de tuin, als uit de slaap opstaan tussen bloemen en kruiden. Hij was wit glanzend; zijn lichaam had echter naar het scheen, meer van het zinnelijke dan van een geest. Hij verwonderde zich over niets, ook niet over zichzelf, en ging, als was hij aan alles gewoon, tussen de bomen en de dieren, zoals iemand die zijn velden overschouwt.

Ik zag Adam aan de heuvel bij de boom aan het water op zijn linkerzijde liggen met zijn linkerhand onder zijn wang. God zond slaap over hem en hij was verzonken in visioenen. Daar trok God uit de rechterzijde van Adam, Eva ter plaatse tevoorschijn, waar de zijde van Jezus door de lans geopend werd. Ik zag Eva fijn en klein. Zij werd snel groter, tot ze volledig groot en schoon was. Zonder de zondeval zouden alle mensen zo in zachte slaap geboren geworden zijn. De heuvel week uit elkaar en ik zag aan de zijde van Adam een rots ontstaan als van kristalvormige edelstenen; aan de zijde van Eva echter een wit dal met fijn wit stuifmeel bedekt.

Als Eva gevormd was, zag ik dat God iets aan Adam gaf of liet toevloeien. Het was, als stroomde uit God, onder mensen vorm, uit voorhoofd, mond, borst en handen lichtstromen die zich verenigden in een lichtbol die in de rechterzijde van Adam ging, waaruit Eva genomen was. Adam alleen ontving dat. Het was de kiem van Gods zegen. In die zegen was een drievuldigheid; de Zegen, die Abraham van de engel ontving, was er een dezelfde vorm, maar die niet zo lichtend scheen.

Eva stond rechtop voor Adam, en deze gaf haar de hand. Ze waren als twee kinderen, onuitsprekelijk schoon en edel. Ze waren helemaal glanzend, met stralen bekleed als met een sluier. Uit de mond van Adam zag ik een brede lichtstroom glanzen en op zijn voorhoofd als een aureool van majesteit. Rond zijn mond was een stralenzon, rond de mond van Eva niet. Het hart zag ik ongeveer zoals nu in de mensen, de borst nochtans was met stralen omgeven en midden in het hart zag ik een lichtende glorie en daarin een klein beeld, als hield het iets in de hand. Ik meen, dat daardoor de derde Persoon van de Godheid beduid werd. Ook uit hun handen en voeten zag ik lichtstralen vloeien. Hun haar viel in vijf lichtende stralenbundels van het hoofd neer, twee over de slapen, twee achter de oren gaand, en één naar het achterhoofd.

Ik heb altijd de overtuiging gehad dat door de wonden van Jezus, deuren in het menselijk lichaam geopend werden, die door de zondeval gesloten waren geworden, en dat Longinus in de zijde van Jezus de deur van de wedergeboorte tot een eeuwig leven geopend heeft. Daarom is niemand de hemel binnengegaan, vooraleer die deur geopend was.

De lichtende stralenbundel op het hoofd van Adam zag ik als zijn overvloed, zijn glorie, de voltooiing der andere uitstralingen. En die glorie herneemt haar plaats bij de verheerlijkte zielen en lichamen. Ons haar is de gevallen, getaande, verstarde glorie, en zoals ons huidige haar tot de stralen, zo is de verhouding van ons huidige lichaam tot het lichaam van Adam vóór de val. De stralenzon rond de mond van Adam had betrekking op de Zegen van een heilig nakomelingschap uit God, die zonder de zondeval door het Woord zou bewerkt geworden zijn.

Adam reikte Eva de hand; zij gingen van het schone oord waar Eva ontstond door het Paradijs; alles beziend en er vreugde aan belevend. Dat oord was het hoogste in het Paradijs, alles was glans en licht, daar zelfs meer dan waar ook.

(Wordt vervolgd)

Bron: De Geheimen van het Oud Verbond, naar de visioenen van Anna-Katharina Emmerick; vertaald uit het Duits naar de dagboeken van Clemens Brentano; Uitgave van de vrienden van AK Emmerick; Mechelen, 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: