Spring naar inhoud

Uit de visioenen van de Zalige A.K. Emmerick over het Oud Verbond: I. De Val van de Engelen

Uit de visioenen van de Zalige Anna Katharina Emmercik; Duitse mystica (+1824):

Vooreerst zag ik een onmetelijke ruimte vol licht voor mij opgaan en hoog daarin een meer glanzende bol als een zon en daarin, zo voelde ik het aan, als de eenheid van de Drievuldigheid. Inwendig noemde ik het de Goddelijke toestemming, en zag daaruit als een werking komen; er ontstonden onder de bol als in elkaar liggende, lichtende kringen, cirkels, koren van geesten, oneindig lichtend, krachtig en schoon. Deze wereld van licht stond als een zon onder deze andere hogere zon.

Eerst bewogen zich al deze koren als uit liefde uit die hogere zon. Opeens zag ik een deel uit al die cirkels in zichzelf stilstaan, als verzonken in eigen schoonheid. Zij voelden eigen lust, zagen alle schoonheid in zich, zij bezonnen zich, zij waren vol van zichzelf.

Eerst waren zij allen in hogere beweging, verrukt; plots stond een deel stil in zichzelf gekeerd. En op het zelfde ogenblik zag ik dat ganse gedeelte van lichtende koren nederstorten en verduisteren en de andere tegen hen aandringen en hun plaats aanvullen, die nu kleiner was; nochtans zag ik niet dat zij hen, uitwijzend uit de beeldfiguur, vervolgden. Zij stonden stil in zichzelf gekeerd, stortten neer en die niet stilgestaan hadden, drongen in hun plaats en dat alles gebeurde tegelijkertijd.

Daar ze neergestort waren, zag ik onderaan een ronde schaduwschijf ontstaan, als ware het hun verblijf; en ik wist dat ze in een onherroepelijke staat waren gevallen. De plaats nochtans, die ze nu onderaan innamen, was veel kleiner, dan deze welke ze boven ingenomen hadden, zodat ze mij veel enger bijeengedrongen schenen.

Sinds ik hen als kind had zien neervallen, was ik dag en nacht bang voor hun werken en dacht steeds, dat ze op aarde veel schade zouden toebrengen. Zij zijn immers overal; goed dat ze geen lichaam hebben, ze zouden anders de zon verduisteren en men zou ze steeds als schaduwen ervoor zien zweven; dat ware ontzettend.

Onmiddellijk na deze val zag ik dat de geesten zich voor de Goddelijke kring vernederden, onderdanig werden en smeekten opdat at neergestort was, terug hersteld mocht worden.

Daarop zag ik een beweging en een werking in de Goddelijke lichtkring die tot dan toe stilgestaan had, en zoals ik het aanvoelde, als op die bede gewacht had.

Na deze handeling van de engelenkoren maakte ik mij de bedenking: nu zullen zij zeker blijven en niet meer kunnen vallen. Ik werd echter bewust dat dàt Gods verklaring en eeuwige uitspraak was teen hen: zolang deze gevallen koren niet hersteld zijn, zolang zal er strijd zijn. En ik zag die periode lengte voor mijn ziel als oneindig lang, ja, als onmogelijk.

De strijd zal echter op aarde zijn en ginder boven (in de Hemel) zal geen strijd meer zijn, dat bevestigde Hij. Na dat bewustworden kon ik geen medelijden meer hebben met de duivel; want ik heb hem uit vrije, boze wil met geweld zien neerstorten. Ook kon ik niet boos zijn op Adam; ik had steeds groot medelijden met hem, want ik dacht altijd, zo is het voorzien.

(Wordt vervolgd)

Bron: De Geheimen van het Oud Verbond, naar de visioenen van Anna-Katharina Emmerick; vertaald uit het Duits naar de dagboeken van Clemens Brentano; Uitgave van de vrienden van AK Emmerick; Mechelen, 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: