Spring naar inhoud

Encycliek ‘Miserentissimus Redemptor’ van Paus Pius XI – Over het eerherstel aan het Heilig Hart van Jezus (met de akte van ereboete)

Heilig Hart van Jezus

Inleiding: Hulp en bijstand door Jezus Christus beloofd aan Zijn Kerk

Nadat onze allerbarmhartigste Verlosser aan het kruishout voor het mensdom het heil had bewerkt, wilde Hij alvorens tot Zijn Vader op te stijgen, Zijn apostelen troosten en sprak: Ziet Ik blijf altijd bij u, tot aan het einde der wereld” (Mt. 28, 10). Dit zo verblijdend woord is de bron van al onze hoop en gerustheid; en het komt Ons, Eerbiedwaardige Broeders, als vanzelf in de gedachte, zo dikwijls Wij van deze om zo te zeggen, hoge wachttoren, onze blik laten gaan zowel over de gehele menselijke maatschappij, die aan zoveel kwalen en ellenden lijdt, alsook over de Kerk zelf, onophoudelijk ten prooi aan aanvallen en hinderlagen. Want, gelijk die goddelijke belofte in de beginne de terneergeslagen gemoederen van de Apostelen opbeurde, en hen daarna ontgloeide en ontvlamde om het zaad van de Evangelische leer over de hele wereld uit te strooien, zo heeft diezelfde goddelijke belofte ook later de Kerk tegen de poorten der hel ter overwinning gevoerd. Zeer zeker, onze Heer Jezus Christus liet Zijn Kerk nooit alleen; maar méér nabij toch, was Zijn hulp en bijstand, naarmate zij met ernstiger gevaren en moeilijkheden te kampen had; doordat dan nl. de goddelijke Wijsheid, wier „kracht zich uitstrekt van het ene einde tot het andere, en alles ten beste schikt” (Wijsh. 8, 1), de middelen verschafte die aan de eis van tijden en toestanden bij uitstek beantwoorden. En ook in de jongste tijden „is de Hand des Heren niet verkort” (Jes. 59, 1), vooral toen een dwaling binnendrong en zich sterk verspreidde, waardoor het te vrezen viel, dat zij in zekere zin de bronnen van het christelijk leven zou doen opdrogen, daar zij de mensen van de liefde tot God en de vertrouwelijke omgang met Hem aftrok.

Hierover heeft onze liefdevolle Zaligmaker, toen Hij aan de H. Margareta-Maria Alacoque verscheen, zich beklaagd, en vervolgens duidelijk aangegeven, wat Hij van de mensen tot hun eigen welzijn verwachtte en wilde.

Daar dit echter sommige gelovigen wellicht nog niet bekend is, anderen dit verwaarlozen, willen Wij U, Eerbiedwaardige Broeders, enkele woorden zeggen over de plicht van een passend eerherstel, waartoe wij tegenover het Allerheiligste Hart van Jezus gehouden zijn; en wel met de bedoeling, dat ieder van U, hetgeen Wij U mededelen, met zorg aan zijn kudde zal leren, en haar moge aansporen het ook in beoefening te brengen.

ARTIKEL 1 – Voortreffelijkheid der verering van het H. Hart.

Onder al de blijken der oneindige goedheid van onzen Verlosser schittert vooral het feit uit, dat de liefde van God, toen die der gelovigen begon te verflauwen, ons zich zelf als voorwerp van een bijzondere verering aanbood, en de schatten van Christus’ liefde zich wijd ontsloten in de verering van het Allerheiligst Hart van Jezus „waarin alle schatten verborgen zijn van wijsheid en kennis” (Kol. 2, 3).

Want, gelijk God eenmaal wilde, dat bij het verlaten van de ark van Noë, „een regenboog, verschijnend in de wolken” (Gen. 9, 13) ten teken van vriendschap voor het menselijk geslacht heerlijk straalde, — zo heeft in de veelbewogen dagen der latere tijden, toen het Jansenisme, de meest bedrieglijke van alle ketterijen, binnensloop, vijandig aan de liefde tot God en de kinderlijke gezindheid jegens Hem, daar het een God predikte, die méér te vrezen was als onverzoenlijk Rechter, dan te beminnen als Vader, — onze beminnelijke Verlosser Zijn allerheiligst Hart als een banier van vrede en liefde geheven, en deze de volkeren getoond, als voorteken van de zekere overwinning in de strijd.

Vandaar heeft dan ook onze voorganger Leo XIII, roemrijker gedachtenis, vol bewondering voor de grote geschiktheid van de devotie tot het H. Hart, niet geaarzeld in zijn Encycliek „Annum Sacrum” te verklaren: „Toen de Kerk in de eerste tijden van haar bestaan gedrukt ging onder het juk der Caesars, verscheen hoog aan de hemel aan een jeugdig keizer het kruis als voorbeduiding en aankondiging van de komende schitterende overwinning. Ziet, een ander teken, goddelijk en veelbelovend, vertoont zich heden aan ons oog: het Allerheiligste Hart van Jezus, waarboven het kruis in felle schittering van vlammen. Daarop moet alle hoop gevestigd, daarvan moet de redding van de mensen worden afgebeden en verwacht.”

ARTIKEL 2 – De H. Hartdevotie, kort begrip van de gehele godsdienst en richtsnoer van het volmaakte leven

En dit terecht, Eerbiedwaardige Broeders; want is niet in dit teken vol belofte, en in de godsvrucht, die daaruit voortvloeit, het kort begrip van de gehele godsdienst, ja zelfs het richtsnoer van een volmaakter leven vervat? Deze godsvrucht immers voert de geesten sneller tot een innige kennis van Christus onzen Heer en beweegt ook de harten met groter kracht, Hem vuriger te beminnen en van meer nabij te volgen. Niemand verwondere zich dan ook, dat onze voorgangers deze uitstekende godsvrucht voortdurend zowel tegen de aantijgingen van lasteraars hebben beschermd, als haar ook met de hoogste lofprijzingen verhieven en met vuriger ijver bevorderden, volgens de eis van tijd en omstandigheden.

Volgens Gods plan en welbehagen nam de vrome gezindheid van de gelovigen jegens het H. Hart dagelijks toe. Vandaar dat overal godsdienstige genootschappen werden opgericht om de verering van het H. Hart te bevorderen en ook de gewoonte ontstond om volgens Jezus’ verlangen de H. Communie op elke eerste Vrijdag van de maand te ontvangen, een gebruik dat nu algemeen verspreid is.

ARTIKEL 3 – De Toewijding

Doch, onder al wat eigen is aan de verering van het H. Hart, treedt vooral naar voren en dient genoemd de Toewijding, waardoor wij onszelf en al het onze als geschenk van Gods eeuwige liefde erkennen en aan het goddelijk Hart opdragen. Deze Toewijding werd het eerst gedaan door de maagdelijke leerlinge van het H. Hart, Margareta Maria met haar geestelijk leidsman Claudius de la Colombière, nadat onze Verlosser haar had te kennen gegeven, hoezeer Hij naar deze daad van de kant van de mensen verlangde, niet zo zeer krachtens Zijn recht, dan wegens de oneindige liefde waarmede Hij ons bemint. Hen volgden in de loop der tijden afzonderlijke personen, huisgezinnen en verenigingen, ten slotte ook de overheden zelf, Staten en Rijken.

Zowel in het verleden als ook nu is het weer zo ver gekomen, dat men door het drijven der goddelozen de heerschappij van Christus verwerpt en openlijk tegen de Kerk ten strijde trekt door het ontwerpen van wetten en het aanvaarden van volksbesluiten in strijd met het goddelijk en natuurlijk recht en zelfs bijeenkomsten houdt onder de strijdkreet: „Wij willen Hem niet als koning over ons” (Lc. 19, 14). Doch nu stijgt in de kracht van die Toewijding, waarover wij spraken, als ’t ware één, stem van verweer op van alle H. Hartvereerders om de aan God verschuldigde eerbied op te eisen en Zijn rechten te handhaven: „Hij moet Koning zijn” (1 Kor. 15, 25). „Laat toekomen Uw Rijk” (Mt. 6, 10). Dit heeft ten slotte tot een gelukkige daad geleid van onze roemrijke voorganger Leo XIII. De gehele mensheid, die Christus, als het middelpunt (Ef. 1, 10) der wereld krachtens geboorterecht toebehoort, heeft hij bij het begin van deze eeuw onder luide bijval der christenheid aan het H. Hart toegewijd.

ARTIKEL 4 – Bekroning door het feest van Christus Koning

Zoals Wij in onze encycliek „Quas Primas” uiteenzetten, hebben Wij op herhaald verzoek en aandringen van zeer vele bisschoppen en gelovigen, deze gelukkige en liefdevolle daad met Gods hulp kunnen voleinden en voltooien, toen Wij aan het einde van het H. Jaar het feest van Christus Koning instelden, als plechtig door alle gelovigen te vieren. Met dit te doen, hebben Wij niet enkel het hoogste gezag in het licht gesteld, dat Christus over alle dingen en over alle mensen afzonderlijk bezit, doch zijn toen reeds op de vreugde vooruitgelopen van die heerlijke dag, waarop de hele wereld zich blij zal onderwerpen aan de zoete heerschappij van Koning Christus. Daarom hebben Wij toen tevens bepaald, dat bij gelegenheid van deze vastgestelde feestdag jaarlijks diezelfde Toewijding moet hernieuwd worden om haar vruchten zekerder en overvloediger te verkrijgen en om alle volken in het Hart van de Koning der koningen en de Heer der heersers in christelijke liefde en vredevolle verzoening te verenigen.

ARTIKEL 5 – Eerherstel in het algemeen

Doch al deze eerbewijzen, vooral die zo heilzame toewijding, door het plechtig feest van Christus Koning als het ware bekrachtigd, dienen nog aangevuld, waarover Wij u nu, Eerbiedwaardige Broeders, iets uitvoeriger wensen te spreken: de akte nl. van eervolle genoegdoening of zogenaamd eerherstel, aan het H. Hart van Jezus verschuldigd. Want als het er bij een toewijding op de eerste en voornaamste plaats op aankomt, aan de liefde van de Schepper die van het schepsel te doen beantwoorden, dan volgt hieruit consequent, dat aan diezelfde ongeschapen liefde, wanneer deze door onachtzaamheid verwaarloosd of haar door een belediging geweld werd aangedaan, hiervoor genoegdoening wordt aangeboden. Een plicht, gewoonlijk die van eerherstel genoemd.

ARTIKEL 6 – Beweegredenen: rechtvaardigheid en liefde

Al voelen wij ons om dezelfde redenen gelijkelijk tot beide gedrongen, toch zijn wij tot eerherstel en boete door een dwingende eis van rechtvaardigheid en liefde gehouden. Van rechtvaardigheid, opdat het God aangedane onrecht uitgeboet en de verstoorde orde door boetvaardigheid hersteld worde; van liefde, om mede te lijden met Christus en Hem, die „met verguizingen verzadigd is” naar onze zwakke krachten enigszins te vertroosten. Als zondaars met vele schulden beladen, dienen wij God niet enkel daardoor te eren, dat wij of Zijn opperste Majesteit met verschuldigde onderdanigheid aanbidden of ook Zijn oneindige vrijgevigheid door dankzegging prijzen, maar ook door Hem, de rechtvaardigen Rechter, voldoening te schenken „voor onze ontelbare zonden, beledigingen en nalatigheden.

Aan de Toewijding dus, — waardoor wij ons aan God opdragen en Godgewijden (sancti Deo) genoemd worden en wel in die heiligheid en standvastigheid, die, zoals de engelachtige leraar zegt 1, eigen is aan die toewijding —, moet eerherstel worden toegevoegd, om daardoor de zonde geheel uit te wissen, opdat niet wellicht de heiligheid der opperste rechtvaardigheid ons, wanneer wij in onze onwaardigheid zonder schaamte nader treden, terugstoot, en onze gaven eerder met afkeer verwerpt dan met welgevallen aanvaardt.

ARTIKEL 7 – Door geheel het menselijk geslacht verschuldigd

Deze plicht van eerherstel rust op heel het menselijk geslacht, daar dit immers volgens ons christelijk geloof, na Adams beklagenswaardige val, met erfzonde bevlekt, onderhevig aan hartstochten en jammerlijk verlaagd, verdiend had in het eeuwig verderf te worden gestort. Dit ontkennen weliswaar de waanwijzen van onze tijd, die de oude dwaling van Pelagius volgen en hoog opgeven van aangeboren deugd van het menselijk geslacht, dat door eigen kracht het hogere zou kunnen bereiken. Doch deze valse verzinsels van menselijke hoogmoed verwerpt de Apostel (Ef. 2, 3), als hij ons vermaant: “van nature waren wij kinderen van toorn”. De mensen hebben inderdaad reeds van den beginne die plicht van algemene uitboeting als het ware erkend en er zich, gedreven door een natuurlijk gevoel, op toegelegd, God óók door openbare offers te verzoenen.

[…]

Deel 2: Het eerherstel in de devotie tot het H. Hart

ARTIKEL 1 – Door Jezus gevraagd

De geest van boete of genoegdoening heeft inderdaad steeds een eerste plaats gehad in de H. Hartdevotie; niets komt blijkens haar oorsprong, natuur, uitwerking en beoefening meer met haar overeen. De geschiedenis en de praktijk, de liturgie en de aansporingen van de Pausen bewijzen dit. Toen Christus aan de H. Margareta Maria verscheen, openbaarde Hij haar de grootheid van Zijn liefde en klaagde droef over het kwetsend en schrijnend onrecht van zo vele ondankbare mensen. Mochten Zijn woorden de vromen zielen in het hart gegrift staan en nimmer vergeten worden. Hij zei: “Ziehier het Hart, dat de mensen zo zeer heeft liefgehad en hen met alle soort van weldaden heeft overladen. Als loon voor Zijn oneindige liefde ontving het slechts onverschilligheid en versmading en dit soms nog wel van zielen, die tot bijzondere liefde verplicht en gehouden waren”.

Om deze schuld goed te maken gaf Hij als Zijn Hartenwens het verlangen te kennen, dat men met de bedoeling van eerherstel tot ’s Heren Tafel zou naderen, dus een eerherstellende H. Communie zou doen, alsook een vol uur akten en gebeden van ereboete zou verrichten, zo terecht het H. Uur genoemd. Deze oefeningen van godsvrucht heeft de H. Kerk niet enkel goedgekeurd, doch ook overvloedig met geestelijke gunsten verrijkt.

ARTIKEL 2 – Waarom en hoe eerherstel brengen aan Christus?

Doch hoe zouden deze oefeningen van ereboete Christus kunnen troosten, die reeds verheerlijkt heerst in de hemelen? Wij antwoorden hierop met de toepasselijke woorden van St. Augustinus: “Geef mij iemand, die bemint, en hij begrijpt wat ik bedoel”.

Want ieder, die God oprecht liefheeft, ziet bij het overwegen van het verleden de Christus lijdend voor ons mensen, gekweld, bedroefd, het ontzettendste verdurend, “om ons mensen en voor ons heil” bijna bezwijkend onder droefheid, benauwdheden en versmadingen, ja, “vermorzeld om onze misdaden” (Jes. 53, 5) en ons genezend door Zijn wonden. En dit alles overwegen de vrome zielen des te meer naar waarheid, omdat de zonden en wandaden der mensen, op welke tijd ook bedreven, de oorzaak waren, waarom de Zoon Gods ter dood werd overgeleverd; ook thans zouden ‘deze uiteraard Christus de dood aandoen met dezelfde smart en droefenis. Elke zonde immers wordt geacht op haar wijze het lijden des Heren te hernieuwen, “daar zij, zover het hen betreft, de Zoon ‘van God kruisigen en bespotten” (Hebr. 6, 6).

Als dus de ziel van Christus ook om onze zonden, die nog in de ‘toekomst lagen en die Hij voorzag, bedroefd is geworden tot de dood, dan lijdt het geen twijfel, of Hij heeft ook toen reeds geen geringe troost ondervonden uit ons eerherstel, eveneens door Hem voorzien, toen “een engel uit de hemel, Hem verscheen” (Lc. 22, 43) om Zijn door verdriet en benauwdheden terneergeslagen Hart te versterken.

En zo doende kunnen en moeten wij het H. Hart, dat door de zonden der ondankbare mensen zonder ophouden wordt gewond, ook nu nog op een wel wondere maar toch waarachtige wijze vertroosten, vooral daar Christus zelf (zoals de liturgie ons doet lezen) bij monde van de Psalmist zich beklaagt van Zijn vrienden verlaten te zijn: “Gij weet hoe de smart Mij het Hart heeft gebroken. Ik hoopte op medegevoel; dit bleef achterwege; op troosters, doch ook hen vond Ik niet” (Ps. 68, 21).

[…]

ARTIKEL 4 – Dringende noodzakelijkheid van dit eerherstel vooral in onze tijd.

Hoe dringend nu de noodzakelijkheid van boete en eerherstel, vooral in onze tijd is, zal een ieder duidelijk zijn, die, zoals Wij boven zeiden, deze wereld, “die in kwaad verkeert” (1 Joh. 5, 19), met opmerkzame blik overschouwt. Van alle kanten immers klinkt het geroep der volkeren tot ons door, die tot ons verzuchten, wier vorsten of bestuurders zijn opgestaan en samenspannen tegen de Heer en tegen Zijn Kerk.

In die streken immers zien wij alle goddelijke en menselijke rechten met voeten getreden; kerkgebouwen verwoest en gesloopt; kloosterlingen en Godgewijde maagden uit hun huizen verdreven en aan allerlei laster, wreedheden, honger en gevangenisstraf blootgesteld; scharen jongens en meisjes van de schoot hunner Moeder de H. Kerk losgerukt en, om hen Christus te leren afzweren en lasteren, vertrouwd gemaakt met de verfoeilijke zonden van het vlees; heel het christenvolk hevig beangstigd en terneergedrukt, voortdurend voor de keuze geplaatst ófwel het geloof te verzaken, ófwel de wreedste marteldood te sterven. Dit alles is voorzeker zó bedroevend, dat men geneigd zou zijn te zeggen, dat door dergelijke gebeurtenissen nu reeds wordt aangekondigd en voorspeld: “het begin der weeën”, die “de zoon van het verderf, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of heilig heet” (2 Tess. 2, 4), brengen zal.

PARAGRAAF 2 – Het kwaad bij de gelovigen


Méér nog is het echter te betreuren, Eerbiedwaardige Broeders, dat ook bij de gelovigen, die toch in het H. Doopsel door het Bloed van het Lam zijn gereinigd en met genade verrijkt, er in alle standen zovelen worden aangetroffen, die omtrent godsdienstige zaken ontstellend onwetend zijn en, met valse leerstellingen besmet, een leven leiden, in zonde verstrikt en ver van het Vaderhuis, een leven, dat het licht van het ware Geloof niet beschijnt, de hoop op de toekomstige zaligheid niet verzacht, het vuur der liefde niet sterkt en verwarmt, zodat zij waarlijk in de schaduwen des doods gezeten zijn. Bovendien bekommeren zich zeer vele gelovigen niet meer om de kerkelijke tucht en de aloude instellingen, waarop juist geheel het christelijk leven moet steunen, waardoor het familieleven geregeld en de heiligheid van het huwelijk beveiligd wordt.

De opvoeding der jeugd wordt verder geheel verwaarloosd of bedorven door wekelijkheid en toegevendheid, ja, aan de Kerk het recht ontnomen de jeugd christelijk op te voeden.

Dan heerst er een betreurenswaardige laksheid inzake de christelijke eerbaarheid in het leven en in de kleding, vooral van die der vrouw, en een teugelloze zucht naar vergankelijke goederen.

De Staatsbelangen worden mateloos opgedreven, de volksgunst op buitensporige wijze gezocht, aan het wettig gezag, wordt tekort gedaan en het woord Gods ten slotte veracht, waardoor het Geloof zelf verzwakt of in direct gevaar wordt gebracht.
Tot overmaat van ramp komt hier nog bij zowel de lafheid en de achteloosheid van hen, die, als de slapende en vluchtende apostelen, in hun geloof wankelen en de door angst gekwelden of door de trawanten van Satan omringden Christus jammerlijk alleen laten, alsook de trouweloosheid van hen, die naar het voorbeeld van de verrader Judas, ofwel vermetel en heiligschennend in het Altaaroffer delen, ofwel naar het kamp van de vijand overlopen.

Zo komt onwillekeurig de gedachte op, dat de tijd reeds nadert, waarvan onze Heer heeft voorspeld: “En omdat de ongerechtigheid de overhand neemt, zal de liefde van velen verkoelen” (Mt. 24, 12).

PARAGRAAF 3 – Het daaruit te trekken besluit. De geest van eerherstel


Wanneer de gelovigen dit alles godvruchtig overwegen, kan het niet anders, of zij zullen, ontvlamd van liefde tot de lijdende Zaligmaker, met grote ijver hun eigen zonden, alsook die van anderen uitboeten, Christus’ eer herstellen en het eeuwig heil der zielen bevorderen. Wat de Apostel zegt (Rom. 5, 20): “Waar de zonde tot overvloed kwam, daar kwam de genade in rijker overvloed”, kan men tot op zekere hoogte ook aanwenden om onze tijd te kenschetsen; want terwijl de slechtheid van de mensen steeds meer toeneemt, groeit ook op wonderbare wijze door de bijstand van de H. Geest, het getal van de gelovigen van beiderlei sekse, die met grote ijver het goddelijk Hart genoegdoening trachten te schenken voor zovele beledigingen, ja zelfs niet aarzelen zich aan Christus als slachtoffer aan te bieden. Indien men immers alles, wat Wij in het voorafgaande gezegd hebben, liefdevol bij zichzelf overweegt en in zijn hart prent, kan het toch niet uitblijven, dat men er zich niet toe blijft bepalen enkel een afschuw van de zonde te hebben en zich er van te onthouden als van het grootste kwaad, doch men zal zich daarenboven geheel aan Gods Wil overgeven en zich beijveren de geschonden eer van de goddelijke Majesteit te herstellen, zowel door onafgebroken gebed als door vrijwillig op zich genomen versterving, alsook door het geduldig verdragen van de wederwaardigheden, die ons mochten treffen en ten slotte door geheel ons leven in het teken van uitboeting te stellen.

[…]

Deel 3: Besluit

ARTIKEL 1 – Het feest van het H. Hart, feest van eerherstel

Met dit alles voor ogen wensen Wij vurig, Eerbiedwaardige Broeders, dat, evenals de plechtige Toewijding verborgen en klein is ontstaan, daarop wijd verspreid, en ten slotte door Onze goedkeuring de gewenste luister verkregen heeft, ook deze oefening van uitboeting en godvruchtig eerherstel, reeds lang zegenrijk ingevoerd en verbreid, eveneens door Ons apostolisch gezag krachtig worde bevestigd en in geheel de katholieke wereld aan plechtigheid moge winnen.

Daarom bepalen en bevelen Wij, dat jaarlijks op het feest van het H. Hart, dat Wij bij deze gelegenheid hebben doen verheffen tot de rang van dubbel-eerste klas met octaaf, in alle kerken over de gehele wereld, hetzelfde en in dezelfde woorden vervatte gebed, de z.g. akte van ereboete tot onze liefdevolle Zaligmaker, volgens het hierbij gevoegde formulier, plechtig worde verricht, om aldus al onze zonden te bewenen en de geschonden rechten van Christus, onze opperste Koning en Heer te herstellen.

ARTIKEL 3 – Maria Reparatrix

Moge ten slotte de goedertieren Maagd en Moeder Gods goedgunstig neerzien op onze wensen en daden. Daar Zij ons immers Jezus, de Verlosser schonk, Hem opvoedde en onder het Kruis als Offer opdroeg, is Zij, om Haar mystieke verbintenis met Christus en door Diens bijzondere uitverkiezing, eveneens Reparatrix en wordt Zij als zodanig aangeroepen.

Vertrouwend op Haar voorspraak bij Christus, die als énige “Middelaar tussen God en de mensen” (1 Tim. 2, 5) Zijn Moeder heeft uitverkoren als Toevlucht der zondaren en Uitdeelster en Middelares van alle genade, — verlenen Wij U, Eerbiedwaardige Broeders, en de gehele U toevertrouwde kudde, als onderpand van de hemelse bijstand en als blijk van Onze vaderlijke genegenheid, van ganser harte Onze Apostolische Zegen.

Gegeven te Rome, bij Sint-Pieter, de 8 Mei 1928, het zevende jaar van Ons Pontificaat.

PAUS PIUS XI.

AKTE VAN EERHERSTEL TOT ONZE ZALIGMAKER
Bij gelegenheid van het Hoogfeest van het Heilig Hart van Jezus

Allerzoetste Jezus, uw onmetelijke liefde tot de mensen wordt met zo grote onverschilligheid, onachtzaamheid en minachting op de meest ondankbare wijze beantwoord. Zie ons neergeknield voor uw altaar; wij willen de zondige nalatigheid van de mensen en de smaad, die uw allerbeminnelijkst Hart overal wordt aangedaan, naar best vermogen herstellen door een bijzondere eerbetuiging.

Wij zijn echter indachtig, dat ook wij ons aan zulk een onwaardige bejegening wel eens zullen hebben schuldig gemaakt. Wij gevoelen daarover een diepste berouw en roepen uw barmhartigheid af op de eerste plaats over onszelf. Wij willen door vrijwillige boete onze eigen slecht daden goedmaken, maar ook de slecht daden van hen die ver zijn afgedwaald van de weg ter zaligheid, – die volharden in hun ontrouw en weigeren, U als herder en leidsman te volgen,- of die de doopbeloften met voeten treden en het zoete juk van uw geboden hebben afgeworpen.

Wij willen eerherstel geven voor deze betreurenswaardige misdrijven, zowel voor alle gezamenlijk als voor de misdaden van ieder van ons in het bijzonder: voor de tuchteloosheid en schandelijkheid van leven en levensopvatting; voor zoveel arglistigheid, waarmede men de zielen van onschuldigen belaagt; voor het schenden der feestdagen; voor de verfoeilijke verwensingen tegen U en uw heiligen; voor het belasteren van uw plaatsbekleder op aarde en van de priesterlijke stand; voor de onverschilligheid en de afschuwelijke heiligschennissen ten opzichte van het sacrament van de goddelijke liefde; en eindelijk voor de openbare misdrijven van de volken, die zich verzetten tegen de rechten en het leergezag van de Kerk, die Gij hebt gesticht.
Wij bieden U tot herstel van de geschonden goddelijke eer, de voldoening aan, die Gij eens op het Kruis aan de Vader hebt gebracht en die Gij op onze altaren dagelijks blijft hernieuwen. Wij verenigen ons daarbij met de voldoeningen van de Moedermaagd, van alle heiligen en van alle vrome christenen. Wij beloven U van harte, eerherstel te geven zowel voor onze eigen vroegere zonden als voor die van anderen, en voor de onverschilligheid ten opzichte van uw overgrote liefde.

Dat zullen wij doen, voorzover het ons met de hulp van uw genade mogelijk is, door een vast Geloof, door een reine levenswandel, door nauwgezette naleving van de voorschriften van het Evangelie, vooral van het gebod van liefde. Ook zullen wij de beledigingen, die men U nog zal willen aandoen, naar best vermogen verhinderen en zo vele mensen als ons mogelijk is tot uw dienst brengen. Allergenadigste Jezus, wij smeken U, aanvaard de hulde van onze vrijwillige voldoening door de voorspraak van de heilige Maagd Maria, die U het meest eerherstel bracht. Schenk ons de grote genade van de eindvolharding, zodat wij U tot onze dood volkomen getrouw blijven dienen. En geef, dat wij tenslotte mogen bereiken het vaderland, waar Gij als God met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen.

Amen.

(5 jaar aflaat; volle aflaat onder gewone voorwaarden (biecht, Communie); gebeden op het H.Hartfeest: 7 jaar aflaat, indien samen met litanie van het H. Hart gebeden).

Paus Pius XI

Bron: RKDocumenten.nl

1 reactie »

  1. Genadevol werk, Michael. Het is zeer goed om te refereren naar de encycliek van Paus Pius xi – en dit met de Akte tot eerherstel aan Onze Lieve Heer.
    Men krijgt zoveel genade ( en bescherming ) terug van Onze Lieve Heer, indien men deze Akte nederig en liefdevol tot Hem bidt ! Hij die God is.

    Doe zo voort – .en … Dank u wel!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: