Spring naar inhoud

De geboorte van Christus volgens de visioenen van de eerbiedwaardige Maria van Agreda

De eerbiedwaardige Maria van Agréda (2 april 1602 – 24 mei 1665) was een Spaanse kloosterzuster van de orde van de Franciscanessen van de Onbevlekte Ontvangenis. Zij ontving vele mystieke visioenen over het leven van de Maagd Maria. Deze visioenen zijn opgetekend in het boek “De Mystieke Stad Gods”. Wij publiceren hier een hoofdstuk uit dit werk dat de geboorte beschrijft van Jezus in de stal van Bethlehem. Deze beschrijving is identiek aan deze van de Zalige A.K. Emmerick, die ca twee eeuwen later leefde, maar nog gedetailleerder. Laat u ontroeren door dit prachtige visioen!

De schamele, armoedige grot waarin Maria en Jozef zich hadden teruggetrokken, was het paleis dat de Koning der koningen, de Heer der legerscharen, had bereid om zijn eeuwige, mensgeworden Zoon in de wereld te herbergen. Deze plaats was zo minderwaardig dat, ondanks de drukte in Bethlehem, niemand op de gedachte zou zijn gekomen om daarheen te gaan. Voor de Meester van nederigheid en armoede: Christus, onze Heer, en zijn reinste Moeder voldeed het. Daarom heeft de wijsheid Van de eeuwige Vader hen deze grot voorbehouden en haar door het sieraad van eenzaamheid, armoede en naaktheid tot de eerste drempel van het licht gewijd, tot het huis van de ware Zon der gerechtigheid, die uit Maria, de stralende Dageraad zou opgaan te midden van de nachtelijke duisternis, het symbool van de zonde, waarin de hele wereld gehuld lag.

In het licht van de hen begeleidende engelen zagen Maria en Jozef tot hun opluchting en onder vreugdetranen, dat de grot verlaten was. Zij knielden neer, prezen God en dankten Hem. Zij wisten dat ze hen door de geheime raadsbesluiten van de eeuwige Wijsheid toebedeeld was. Maria had een bijzonder diep inzicht in dit geheim. Toen Zij de grot binnen ging en deze daardoor heiligde, overstroomde Haar een innerlijke vreugde, die haar hele wezen verhief en verlevendigde. Zij bad de Heer, dat Hij vrijgevig alle bewoners van Bethlehem zou zegenen, die hen hadden afgewezen en hen daardoor aan het grote geluk, dat hen in de grot wachtte, hadden geholpen. De grot bestond uit natuurlijke, onbewerkte rots, zodat ze slechts voor de dieren geschikt was. De eeuwige Vader echter had haar tot woning voor zijn eigen Zoon bestemd.

Een grot in Bethlehem

De heilige engelen stelden zich nu in geordende rijen op, zoals de lijfwacht in het paleis van een koning. Zij toonden zich ook aan de heilige Jozef in menselijke gestalte. Tot verlichting van zijn verdriet was het gepast, dat hij de schamele grot zo heerlijk versierd zag met de rijkdommen van de hemel. Zijn hart werd versterkt, bemoedigd en op de gebeurtenissen voorbereid, die deze nacht zou brengen. Maria maakte aanstalten om de grot, die een koningstroon en heilig genadeoord zou zijn, met eigen handen schoon te maken. Zijzelf wilde geen oefening van nederigheid nalaten en deze akten van verering en huldiging mochten haar Heilige Zoon niet ontgaan.

Vanwege haar verheven waardigheid vroeg Jozef haar dringend, dit werk aan hem over te laten. Hij begon de hoeken en de vloer van de grot schoon te maken. Maria liet het zich echter niet ontnemen, het werk met hem te delen. De engelen waren als beschaamd. Zij reinigden binnen de kortste tijd de grot en vervulden haar met welriekende geuren. Toen ontstak Jozef een vuur, waarvoor hij het nodige materiaal had meegebracht. Aangezien het zeer koud was, warmden Maria en Jozef zich een beetje. Daarna genoten zij in dankbare vreugde van hun sobere voedsel. Vanwege de aanstaande geboorte van het goddelijk Kind was Maria dermate in dit geheim verzonken, dat Zij alleen uit gehoorzaamheid tegenover haar bruidegom iets at.

Na het dankgebed besefte Maria dat haar uur nabij was. Zij vroeg Jozef zich terug te trekken en wat uit te rusten, want het was al laat in de avond. Hij gaf gehoor aan dit verzoek van zijn bruid en vroeg Haar hetzelfde te doen. Terwijl Maria zich op een door Jozef bereidde slaapplaats te rusten legde, trok Jozef zich terug in een hoek bij de ingang om te bidden. Daar werd hij door de Geest van God bezocht. Een lieflijke kracht bracht hem in extase. Daarin werd hem het hele gebeuren van deze nacht geopenbaard. Deze slaap was zaliger dan de slaap van Adam in het paradijs.

Tegelijkertijd riep een machtige stem van de Allerhoogste de Koningin van de schepping. Een zoete, innerlijk omvormende kracht tilde Haar uit boven al het geschapene. Zij ondervond ongewone uitwerkingen van Gods Almacht. Deze extase was een van de merkwaardigste en wonderbaarlijkste van haar heilig leven. God verleende Haar steeds hogere verlichtingen en genaden om Haar tot de heldere aanschouwing van God te leiden. Toen werd de sluier opgelicht: Maria zag God in heldere, onverhulde aanschouwing. Zij zag Hem in zulke heerlijkheid en met zo’n volledig inzicht, dat noch een engel noch een mens het zou kunnen verklaren of helemaal kunnen bevatten. Zij ontving een diepere visie in de geheimen van de Godheid en de Mensheid van haar Goddelijke Zoon evenals in de onuitputtelijke lichtbron van zijn Heilig Hart. Mij ontbreken de uitdrukkingen om te zeggen wat ik over deze geheimen in het Goddelijk Licht heb gezien. De rijkdom en de overvloed maken mij arm aan woorden.

Maria zag in dit visioen de redenen en de verheven doelen van deze geheimzinnige geboorte met betrekking tot God en de schepselen. Maria wierp zich ter aarde en offerde de Heer in Haar eigen naam en in naam van alle schepselen de verschuldigde eer, dankzegging en lofprijzing voor de onzegbare barmhartigheid en minzaamheid van zijn Goddelijke Liefde. Zij besefte zeer goed welke verheven, tot nu toe nooit geziene taak het was, de Godmens te voeden en als Moeder te verzorgen. Zij vond zichzelf onwaardig voor deze taak. Omdat Zij zich zo voor de Allerhoogste vernederde en helemaal vernietigde, verhief de Heer Haar en gaf Haar opnieuw de titel “Moeder van God” met de opdracht Haar Kind als de Zoon van de eeuwige Vader en tegelijk als de Zoon van Haar eigen moederschoot te behandelen.

Maria bleef langer dan een uur in deze extase en heldere aanschouwing van God. Zij was naar het lichaam zo vergeestelijkt, zo mooi, zo schitterend, dat Zij niet meer op een aards schepsel leek. Haar aangezicht zond stralen uit gelijk een zon. Haar gezichtsuitdrukking was ernstig, vol wonderbaarlijke majesteit, Haar hart helemaal ontvlamd in liefdesvuur. Zij knielde naast de kribbe, de ogen ten hemel geheven, de handen op de borst gevouwen. Haar geest was verrukt in God, Haar hele wezen omgevormd in God. Aan het einde van deze extase schonk Maria de wereld de Eniggeborene, onze Verlosser, Jezus, die waarlijk God en waarlijk mens is. Het was rond middernacht op een zondag in het jaar, dat de Rooms Katholieke Kerk en met haar het Oosten en het Westen het jaar 1 noemt.

Omdat er over de omstandigheden bij de geboorte van Christus meningsverschillen heersen, het object zelf echter zeer verheven en waardig is, heb ik mijn inzichten daarover voorgelegd aan mijn superieuren en zielenherders. Zij droegen mij in gehoorzaamheid op, deze geheimen nog een keer in het hemelse licht te doorgronden en Maria, mijn Moeder en Lerares, alsook de heilige engelen te raadplegen. Spoedig begreep ik nogmaals hetzelfde en er werd mij uitgelegd, dat de geboorte als volgt heeft plaatsgevonden.

Aan het einde van de vermelde extase baarde Maria de Zon der gerechtigheid, de Zoon van de eeuwige Vader en Haar Zoon volstrekt vlekkeloos, mooi, stralend en zonder pijn. Daarbij werd Haar maagdelijke onaangetastheid en reinheid nog meer geheiligd en vergoddelijkt. Hij kwam uit Haar tevoorschijn als de stralen van de zon, die een kelkglas doordringen zonder het te breken. Zij verhogen veeleer Zijn schoonheid en glans. Bij de ontvangenis en geboorte van het mensgeworden Woord verrichtte de natuur alles wat essentieel en noodzakelijk was, opdat men van Christus waarachtig zou kunnen zeggen dat Hij ontvangen en uit de substantie van zijn maagdelijke Moeder als Zoon verwekt en geboren was. Al het andere moet van de ontvangenis en geboorte van Christus worden uitgesloten.

Het Goddelijk Kind kwam in glorierijke verheerlijking ter wereld. Gods oneindige wijsheid had verordend, dat op het ogenblik van de geboorte van de ziel op het lichaam van het Kind overging en het de gaven van de verheerlijking meedeelde, zoals dit later op de Tabor gebeurde. Dit wonder was niet noodzakelijk om de onaangetaste maagdelijkheid van Maria te bewaren, God zou dat ook door andere wonderen hebben kunnen bewerken. Hij wilde echter, dat Maria Haar Goddelijk Kind bij de eerste aanblik in verheerlijkte staat zag, zodat Zij doordrongen werd van diepe eerbied en via de weg van ervaring nieuwe kennisgenaden ontving over de verhevenheid en grootsheid van Haar Zoon. Verder wilde God door de verheerlijking van het Kind de trouw en de heiligheid van Maria overvloedig belonen, waarmee Zij haar kuise ogen, omwille van Haar Heilige Zoon voor al het aardse gesloten had.

De Evangelist Lucas bericht dat Maria Haar Kind in doeken heeft gewikkeld en in een kribbe gelegd. Wie Het in haar armen legde, zei hij niet omdat dit niet tot zijn plan behoort. De hemelvorsten Michaël en Gabriël waren in menselijke gedaanten tegenwoordig. Met onuitsprekelijke eerbied namen zij het Kind op in hun handen. Zoals de priester de Heilige Hostie ter aanbidding aan het volk toont, zo hielden zij de Goddelijke Moeder Haar van glorie stralend Kind voor ogen. Moeder en Zoon keken elkaar aan. De Moeder verwondde zijn hart met liefde en raakte in extase. Nog op de handen van de engelen sprak het Kind: “Moeder, wordt gelijkvormig aan Mij! Voor het menselijk leven dat U Mij gegeven hebt, zal ik U een nieuw verheven leven van genade schenken; een leven, dat weliswaar dat van een gewoon schepsel blijft, maar aan Mijn leven, Ik, die God en mens ben, door volmaakte nabootsing gelijk zal zijn.” Maria antwoordde: “Trek Mij mee, neem Mij mee, o Koning, in Uw vertrekken.” (Hooglied, 1,4). Nu gingen vele geheimen van het Hooglied in vervulling. Tussen het Goddelijk Kind en Zijn maagdelijke Moeder vonden de aldaar vermelde samenspraken plaats: “Mijn lief is van Mij en Ik ben van Hem, naar Mij gaat zijn verlangen uit.” (Hooglied 2,16). “Wat ben Je mooi, Mijn Vriendin, wat ben Je mooi! Je ogen achter Je sluier zijn duiven.” (Hooglied, 4.1). Nog vele andere geheimzinnige dingen gebeurden destijds, die ik echter oversla.

Bij de woorden van het Goddelijk Kind zag Maria de innerlijke akten van Zijn met de Godheid verenigde ziel, opdat Zij deze zou nabootsen. Dit was een van de grootste genadevoorrechten die Jezus zijn Moeder schonk. Hij was voortdurend Haar levend voorbeeld, dat Zij zichzelf inprentte, en wel met alle gelijkenissen die tussen Haar, een gewoon schepsel, en Jezus Christus, de ware Godmens mogelijk was. Maria besefte en voelde ook de tegenwoordigheid van de Heilige Drievuldigheid en hoorde de Vader zeggen: “Dit is Mijn geliefde Zoon in wie Ik vreugde vind!” Te midden van zulke verheven geheimen antwoordde Maria: “Eeuwige Vader, geef Mij opnieuw toestemming en Uw zegen, om de Verwachte van de volkeren in Mijn armen te nemen, en leer Mij als Moeder en als trouwe Maagd Uw goddelijke Wil te vervullen.” Daarop hoorde Zij een stem zeggen: “Neem Je Eniggeborene in je armen, verzorg Hem en weet, dat Je Hem aan Mij moet opofferen wanneer Ik het van Je verlang. Voed Hem als Hoeder en eer Hem als ware God.” Zij antwoordde; “Zie hier het werk van Uw handen. Tooi mij met Uw genade opdat Uw Zoon, Mijn God, Mij als Zijn Dienstmaagd aanneemt en Ik Hem waardig dien.”

Nu beëindigde het Goddelijk Kind het wonder van de verheerlijking, of veeleer Het zette het wonder voort, dat de gaven van de glorie voorlopig nog aan Zijn Heilig Lichaam onttrok en ze in Zijn ziel terughield. Nu zag Maria het Goddelijk Kind in Zijn natuurlijke, lijdensbekwame toestand. Zij aanbad Hem met diepe eerbied en nederigheid en ontving Het uit de handen van de heilige engelen. Zij sprak tot Hem: “Mijn zoete Liefde, Licht van Mijn ogen, Leven van Mijn ziel! Wees welkom in deze wereld, Gij Zon der gerechtigheid, en verban de duisternis van de zonde en van de dood. Ware God van de ware God, verlos Uw dienaren. Moge alle vlees Uw heil aanschouwen! Neem Mij aan en vervang Mijn onbekwaamheid om U te dienen!” Nu offerde de Moeder van God Haar Zoon op aan de eeuwige Vader: “Schepper van het heelal, zie hier het altaar en het aan Uw ogen welgevallig offer! Zie barmhartig neer op het mensengeslacht! Ook al verdienen wij Uw toorn, dan moge nu de gerechtigheid rusten en de barmhartigheid haar grootheid openbaren! Daarom is het Goddelijk Woord immers de Broeder van de zondige mens geworden. Met het oog op deze Naam erken Ik hen als Mijn kinderen en bid voor hen uit het diepst van Mijn hart. Almachtige, U hebt Mij zonder mijn verdienste tot Moeder van Uw Eniggeborene gemaakt, want deze waardigheid overstijgt alle verdiensten van de schepselen. Maar Ik dank haar voor een deel ook aan de mensen, omdat zij de aanleiding voor Mijn onuitsprekelijke geluk zijn geworden. Omwille van hen ben Ik immers Moeder van het Woord, dat lijdensbekwame mens en Verlosser van allen geworden is. Eeuwige Vader, neem Mijn gebeden aan!”

De Moeder van barmhartigheid sprak nu tegen alle mensen: “Nu mogen de bedroefden getroost zijn, de verdrietigen zich verheugen, de neerslachtigen moed vatten, de verwarden gerust zijn, de doden opstaan, de rechtvaardigen zich verheugen, de heiligen jubelen, de hemelse geesten nieuwe vreugden ondervinden, de profeten en de aartsvaders in het voorgeborchte van de hel zich troosten! Mogen alle geslachten de Heer prijzen, die zijn wonderen vernieuwd heeft! Komt, komt, gij armen. Komt naderbij, gij kleinen! Vreest niet, want ik houd als een zacht Lam degene in Mijn handen, die Leeuw genoemd wordt, de Almachtige die zwak geworden is, de Onoverwinnelijke de overwonnen is!

Komt naar het Leven! Nadert uw heil! Spoedt u tot de eeuwige rust, want Ik heb dit alles voor allen in handen! Om niet zult gij het ontvangen, deelt uit zonder afgunst! Wees niet traag, laat uw hart niet bezwaard zijn, o mensenkinderen! Gij echter, liefste Goed van Mijn ziel, sta Mij toe van U de kus te ontvangen, waar alle schepselen naar verlangen!” Met deze woorden kuste de gelukkige Moeder met Haar heilige, kuise lippen haar Goddelijk Kind met de meest tedere liefde. Het Kind in Haar armen houdend, was Maria als het ware het altaar of tabernakel, waarvoor de tienduizend engelen in menselijke gestalte hun mensgeworden Schepper aanbaden. Omdat ook de Heilige Drievuldigheid op bijzondere wijze tegenwoordig was, was de Hemel om zo te zeggen ontvolkt, want het hele hemelse Hof was naar de grot gekomen, om de Schepper in Zijn nieuwe, vreemde gewaad te aanbidden. Toen stemden de engelen deze nieuwe lofzang aan: “Ere zij God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil!” Zij herhaalden Hem vol verbazing over de grote wonderen die zij zagen, alsook over de onuitsprekelijke wijsheid, genade, nederigheid en schoonheid van een jonge Maagd van vijftien jaar, die zij als de waardige Hoedster en Dienares van zo verheven geheimen erkenden.

Toen riep Maria Haar trouwe bruidegom Jozef. Hem waren in hoge geestvervoering alle geheimen van de hoogheilige geboorte geopenbaard. Nu zou hij met zijn zintuigen het mensgeworden Woord vóór alle andere sterfelijken zien, aanraken en aanbidden. Hij was immers tot trouwe beheerder voor dit verheven geheim uitverkoren. Hij kwam uit de extase en zag het Goddelijk Kind in de armen van zijn maagdelijke Moeder. Met diepe deemoed aanbad hij Het onder tranen. Hij kuste Zijn voetjes met zulke grote vreugde en bewondering, dat hij het leven daarbij verloren zou hebben, wanneer Gods Almacht het hem niet had behouden. Na de aanbidding van Jozef vroeg Maria aan het Goddelijk Kind om te mogen gaan zitten; tot dan toe had Zij geknield. Jozef reikte haar de meegebrachte doeken aan. Met onuitsprekelijke eerbied, aandacht en zorg wikkelde Zij het Kind daarin. Toen legde Zij Het op goddelijke ingeving in de kribbe. Van tevoren had Zij er wel wat hooi en stro in gedaan. Op goddelijke beschikking kwam met snelle pas een os uit de nabij gelegen velden. Hij ging in de grot naast de ezel staan, die de Hemelkoningin tot lastdier gediend had. Maria beval de dieren, hun Schepper te huldigen. Gehoorzaam gingen zij voor het Kind liggen, verwarmden Het met hun adem en dienden Hem in plaats van de harteloze mensen. Zo werd de profetie vervuld: “Een os kent zijn eigenaar, een ezel de krib van zijn meester; maar Israël weet van niets; Mijn volk heeft geen begrip.” (Jes. 1,3).

Zalig Kerstfeest!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: