Spring naar inhoud

De Heilige Maagd Maria als Medeverlosseres

De Heilige Maagd Maria, de Moeder van onze Verlosser, draagt vele titels. Vele daarvan kunnen we vinden in de Litanie van O.L.Vrouw, maar er zijn er nog andere zoals: de ‘nieuwe Eva’, Middelares, maar ook Medeverlosseres. Weinigen zijn met deze laatste titel bekend en sommigen vinden dit zelfs te ver gaan. Daarom willen we hier graag even dieper op ingaan, aan de hand van een tekst uit een Katholiek boek over Godsdienstleer en Apologie uit 1942, en zo tonen dat deze titel haar terecht toekomt.

Maria, Moeder en Medeverlosseres

Langs beide zijden strekt Maria’s leven op aarde zich verder uit dan dat van Jezus; men mag het niet besnoeien, als zou alleen wat met Jezus’ voorbijgaan gelijktijdig verliep, belang hebben en waarde. De titel “Medeverlosseres” heeft dan een bredere en een engere betekenis. Als medeverlosseres van de Heilige Drievuldigheid, in het bijzonder van de Heilige Geest, voerde Maria het goddelijk Verlossingsplan mee uit; als medeverlosseres van haar Zoon nam zij deel aan zijn leven, lijden en sterven. De eerste medeverlossing is bruidelijk, de tweede moederlijk: als bruid van God stemde Maria, dienstbaar, met alles in; als moeder van God bracht zij de Verlosser voort en door Hem, virtueel, de verlosten. De eerste opvatting breidt haar werk over geheel haar leven uit; de tweede verheerlijkt de moederlijke vruchtbaarheid en trouw. Men mag de twee niet scheiden; haar moederlijke deelname is de kern, haar bruidelijke het omhulsel; evenmin mag men ze verwarren: de eerste gaat op Christus terug, de tweede op de H. Geest en de H. Drievuldigheid.

In drie perioden verloopt Maria’s medeverlossing: één van voorbereiding, tot aan Christus’ menswording; één van gezamenlijke werkzaamheid, tot aan Zijn dood en één van meer zelfstandige arbeid, tot aan haar eigen afsterven (en Ten Hemelopneming). Respectievelijk kon men ze de periode van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest noemen; zij voltooiden elkander: telkens verwezenlijkt de volgende wat de voorgaande voorbereidde. Vóór Christus’ menswording was de Verlossing, strikt genomen, niet aangevat; van een medeverlossen met Christus kon dus geen sprake zijn. Toch bereidde Maria zich voor, al wist zij het niet; ongeveer gelijk een koningskind opgevoed wordt als erfgenaam van een troon. Haar Fiat maakte haar tot bruid van de Heilige Drievuldigheid en de Heilige Geest; onmiddellijk daarop tot Moeder van God de Zoon. Met haar eigen toestemming werd zij in een hogere orde opgenomen, in het werk van de verlossing; of beter: haar bestemming stichtte die orde mee. Nog hoorde dit Fiat bij de medeverlossing met Christus niet; het gaf er echter onmiddellijk aanleiding toe: nu werd het Woord Vlees. Men kan het met Eva’s verleiding vergelijken: hij (de Fiat) haalde als het ware het Lam Gods neer, dat de zonden van de wereld zou wegnemen.

Toen werd Maria medeverlosseres in de strikte betekenis. Zo geheel transformeerde haar het goddelijk bruidschap en moederschap, dat al haar verdiensten, anders dan die van Christus weliswaar, docht ook anders dan die van elk ander mens, op een heel bijzondere wijze het mensdom mede zuiveren konden, en verlossen.

Tegenover Jezus was Maria niets dan Moeder. Dankzij haar goddelijk bruidschap ontving zij Hem; zij droeg en baarde Hem, voedde Hem op en leefde met Hem samen. Zijn geluk en smarten werden door haar gedeeld; bitter lijdend stond zij onder het kruis. Niets dan moeder, bleef Maria geheel in haar rol. Geheel bestond zij voor haar zoon; haar bestemming was het, hem zijn bestemming te doen bereiken. Door haar moederlijke vruchtbaarheid en offer! Nu eens verscheurde het haar; dan weer was zij onuitsprekelijk gelukkig. Gelijk het Jezus’ voedsel was de wil van Zijn Vader te volbrengen en Zijn Moeder onderdanig te zijn: zo, van haar kant, vond zij sterkte in de dienstbare deemoed tegenover haar Bruidegom en in het verlangen om haar Zoon te geleiden, later te begeleiden waar Hij gaan moest. Aan God getrouw, tegenover elkander onderdanig en offervaardig, brachten Jezus en Maria hun gelijktijdig leven door – en toen Jezus aan het kruis hing, droeg de kruisboom ook, van Maria’s opvoeding en enig verlangen, de bitterzoete vrucht.

Zo begrijpen we dat offer dat Maria bracht op de Calvarieberg. Niet alleen legde zij zich neer bij Gods wil, aanvaardde zij de Verlossing gelijk ze geschiedde; de kruisdood zag ze in de lijn van haar eigen beginselen en opvoeding: zij trok niets terug. Haar handel en wandel, haar invloed op haar Zoon kwamen bij deze terechtstelling uit: zij hield vast aan alles van het verleden. Jezus stierf, getrouw aan wat Hij van Maria leerde; Maria offerde haar kind op, dat zij, voor haar deel, geplaatst had op de weg naar Calvarië. Jezus was gehoorzaam tot aan de kruisdood. Maria vervulde haar moederlijke plicht tot aan de kruisdood van haar Zoon (1). Geheel aan Hem gelijk, onderging zij lijden en sterven. Terwijl de Zoon aan de Vader zijn leven opdroeg, droeg zij aan haar Bruidegom haar moederschap op; als moeder van het Slachtoffer torste zij, geheel liefde gelijk haar kind, het lot van het stervende Lam.

Gelijk Jezus door geheel Zijn leven en voornamelijk door Zijn kruisdood ons verloste, zo verloste Maria ons mede door haar moederlijke voortbrengen, opvoeden en richten, later door haar moederlijke begrijpen, sterken, verblijden waar zij haar Zoon ontmoette. Vooral op Calvarië! Hoezeer moet haar aanwezigheid Christus verblijd en gesterkt hebben; hoezeer (en dit is misschien het wezen van Maria’s offer) moet zij, gelijk een moeder bij een stervend kind, zich totaal hebben vergeten om haar Zoon de laatste troost te verschaffen van een onvoorwaardelijke aanhankelijkheid! Zoiets kan een moeder alleen, bij het kruis vooral, was Maria onze moederlijke medeverlosseres.

Met de kruisdood was alles niet voorbij; Jezus verrees en leefde voort onder de zijnen: in Zijn Heilige kerk, in al de mensen van goede wil; zover reikte de genade. Ook Maria’s moederschap stierf en verrees; zij werd de moeder van de verheerlijkten, de moeder ook van de mystieke Christus. Nog was haar loopbaan hier beneden niet ten einde. Van de wel gestichte, maar nog ongeboren Kerk, moest zij eens te meer, de moeder zijn. Onder het hart zou ze haar dragen tot op Pinksteren; haar groei en ontwikkeling zou ze daarna verzekeren, waarnemen en bevorderen: geleidelijk verder van haar gescheiden, naar geest en hart inniger met haar verenigd. In de Kerk, haar eigen Christus, die tot aan het einde der eeuwen hier zou voortbestaan, zag ze uiteindelijk haar levenswerk.

De tijd der medeverlossing in de strikte betekenis was voorbij; de vruchten der verlossing dienden uitgedeeld en verbreid; als de altijd actuele werkelijkheid moest het verworven heil voortbestaan. Uitgaande van Christus, moest land na land, geslacht na geslacht, aangrijpen en transformeren; eens te meer viel aan Maria’s moederlijke vruchtbaarheid die levengevende taak ten deel. Eens te meer moest zij Christus voortbrengen, eens te meer waarnemen en geleiden Zijn aanvang en ontwikkeling, eens te meer van Hem scheiden als Hij groter werd en mede ondergaan de voorspoed en tegenspoed van Zijn openbaar leven. Dit is de derde fase van Maria’s medeverlossing in de ruimere betekenis; zij gaat verder dan de tweede. Moeder van de Verlosser is Maria slechts geweest om moeder van de verlosten te worden, en hoe zou zij, die Christus eens vormde, de Christenen niet vermogen te verenigen en te verheffen? Verder weg wijken de wanden van het huisje te Nazareth; maar de gehele christengemeenschap blijft, als één huisgezin, het ene goddelijke kind van Maria de Moeder.

Wonderbaar werkte in de jeugdige Kerk Maria’s aanwezigheid. Aan bestuurszaken nam Maria geen deel, nergens zal ze zijn opgetreden; maar de Moeder van de Heer leefde nog: men bezocht haar en praatte. Haar aanwezigheid straalde rust uit, vrede, hoge liefde en bezieling; een onuitsprekelijke tederheid, onweerstaanbaar krachtig, omgaf haarzelf en doordrong de jonge gemeenschap. Zij was het middelpunt, de diep liggende vuurhaard, waaromheen men het warm had en zich thuis wist. Zij was aller moeder, om al haar kinderen bezorgd, met aller geluk het innigst gelukkig. De Heilige Geest leidde en sterkte de krachtig levende Kerk; Maria was, mogen we zeggen, de gezellin van de Heilige Geest: beider taak viel precies samen. Eucharistisch werd Jezus nog niet bewaard; Maria verving haar Zoon, en altijd vergat zij zichzelf om allen te doen leven. In de snelle uitbreiding der Kerk vierde Maria’s vruchtbaarheid haar hoogste triomf. De voortzetting van het Verlossingswerk kam vooreerst de medeverlosseres toe – en toen de Kerk te groot werd op een te ruime wereld: toen pas kon Maria heengaan om, vanuit de Hemel, haar taak nog uit te breiden en te bestendigen. Toen werd ze, in de strikte betekenis van dat woord, de middelares van alle genaden.

Overschouwen we, in haar geheel nu, Maria’s medewerking aan de Verlossing. Haar leven is er door gevuld: zij bestaat voor niets anders. Plaats in het midden haar samenzijn met Christus op aarde, daarvóór de voorbereiding, daarachter de verdere aanpassing en uitbreiding der verlossende genaden. Scheid echter de drie fasen niet van die ene bestemming: medeverlosseres! Medeverlosseres met de H. Drievuldigheid als de getrouwe “Dienstmaagd des Heren”; met God de Zoon als Zijn Moeder!

Haar medewerking met God de Zoon was er één van moederlijke vruchtbaarheid. Op alles van Jezus’ menselijke natuur en levenswandel, tot en met de dood, oefende zij met alles van zichzelf de invloed uit van een moeder. Zonder Zijn Moeder, durven we haast zeggen, zou Jezus zo niet voorgekomen en gestorven zijn. Niet minder is haar verlossingswserk daarom afhankelijk van dat van haar Zoon; doch het bestond geheel in het moederlijk bevorderen van Zijn zending.

Haar medewerking met de H. Drievuldigheid omgaf dat strikt beschouwde mede-verlossen. Zij voerde de voorbereiding van het mensdom tot aan Gods menswording op; zij paste Christus’ verlossing aan voor de mensen van goede wil. Het Oude Verbond bracht zij tot aan Christus; van Christus uit deed zij het Nieuwe Verbond leven. Als een kring omheen Christus’ verlossen tekent haar mede-verlossen zich af, en evenzo tekent het genadeleven der mensheid een kring om haar leven. Zij vormt de overgang van de goede mensen tot Christus, van Christus tot de met-genade-bedeelden. Tegenover Christus verhoudt zij zich als de gezegende mensheid tegenover haar: zij werkt op Christus in zoals de biddenden en boetelingen op haar inwerken; omgekeerd is de mensheid haar alles verschuldigd, en zij alles aan Christus. Christus is het enige licht door de nacht; dankzij haar moederschap wenkt het allen en geeft toegang als een geheel verblijdend tehuis. Als mloederlijke medeverlosseres, als “nieuwe Eva”, vult zij de einders der geschiedenis; vanaf Gods belofte in het aards paradijs tot aan het Apocalyptisch visioen van Johannes. Van Christus afhankelijk en toch op Hem inwerkend, komt zij naast Hem voor, de Moeder naast de Zoon: beiden verstrengeld in een volstrekte gehoorzaamheid aan de barmhartige wil van de Vader; beiden de tijd der genade inzettend na de tijd der verwachting; middelaar en middelares, zullen beiden de genade bij velen doen leven, tot aan de voltooiing.


Voetnoot:

1. “Toen voor Jezus de laatste uren waren aangebroken, stond zijn Moeder naast het kruis, niet alleen geheel vervuld van dit vreselijk schouwspel, maar ook geheel vol vreugde, omdat haar Eniggeborene voor het heil van het menselijk geslacht geofferd werd. En zozeer leed zij met haar Zoon, dat zij, indien het mogelijk geweest ware, al de pijnen, welke Christus doorstond, veel liever zelf zou hebben doorstaan.” (Pius X, Encycliek Ad diem illum, 2 febr. 1904)


Uit: De Katholieke Kerk – Godsdienstleer en Apologie, Eerste Deel – Boek 1-13, onder de redactie van Prof. D. Bndt en Dr. C Pauwels O.P., Uitgeverij Het Spectrum Utrecht-Brussel, 1946; Imprimatuur: H.J.H.M. Fortmann, cens. a. h. d. Laag Keppel, 16 nov. 1942.


Eigen overweging

De Heilige Maagd was zonder zonde ontvangen en geboren, om aldus de Moeder de kunnen worden van God – het Vleesgeworden Woord Jezus Christus, onze Verlosser. Zij was en is ongerept, buitenmate heilig, zuiver, rein, volmaakt,… en haar hele leven was één Fiat aan de Vader: Uw wil geschiede, van de aankondiging door de Engel tot haar eigen zalige dood. Zij leefde 15 jaar vóór de komst van Christus in haar schoot, dan leefde zij 33 jaar met Hem, en na Zijn Hemelvaart nog 15 jaar, waarbij ze iedere dag onder tranen Zijn bitter lijden overwoog (zo lezen wij in de geschriften van de Zalige A.K. Ememrick). Zij heeft nooit één klacht geuit, zelfs niet toen het lijdenszwaard haar hart doorboorde, zoals de oude Simeon haar had voorzegd in de Tempel. Wie kan de smarten doorgronden die zij heeft geleden om onzentwil? Wie zou de smarten die zij heeft geleden, kunnen dragen? Want het is om ons te verlossen dat Christus voor ons zo gruwelijk heeft geleden, en zij heeft in haar hart en ziel meegeleden met Hem, en haar moederlijke tranen als een heilige offerande met Zijn Bloed vermengd om ons te verlossen. Zij beminde Hem met een volmaakte liefde – omdat zij zonder zonde was, en Zijn Moeder was – en daardoor leed zij meer dan een gewone mens zou kunnen dragen. Zij nam op buitengewone wijze deel aan het Verlossingswerk van God. En zo mag en kan zij terecht Medeverlosseres genoemd worden, want zonder haar was Christus er niet geweest, en waren wij niet verlost. We hebben dus alle reden om dankbaar te zijn om haar Fiat, en het is dan ook gepast haar in het bijzonder te vereren als de Moeder van Smarten, om het leed dat zij heeft doorstaan bij het zien van haar Lijdende Zoon, opdat wij gered konden worden.

Amen.

1 reactie »

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: