Spring naar inhoud

CATECHESE: 1ste gebod: “Bovenal bemin één God”- Over de ongelovigheid

De ongelovigheid kent verschillende vormen – heidendom en afgoderij is daar één van. Ziet dus toe dat u daar niet aan meedoet, zelfs niet door in uw huis beelden of afbeeldingen van afgoden te hebben.

21ste Les, Mech Catech. 1ste gebod: Ik ben de Heer uw God, enz.

Wij hebben gezien wat er ons belast wordt in het eerste gebod. Nu zal ik u voorstellen hetgeen dit gebod verbiedt. Aangezien het ons de drie goddelijke deugden voorschrijft, verbiedt het noodzakelijk al wat tegenstrijdig is met de deugden van Geloof, Hoop en Liefde; bijgevolg, de voornaamste zonden tegen dat gebod zijn ongelovigheid, wanhoop en haat tegen God.

De ongelovigheid is drievoudig: het heidendom, het jodendom en de ketterij. Het heidendom is de ongelovigheid van diegenen die niet in Christus geloven. Het jodendom is de ongelovigheid van diegenen die niet geloven dat Hij reeds gekomen is, maar die Hem verwachten. De ketterij is de ongelovigheid van diegenen die Christus erkennen, maar zijn Leer vervalsen.

Welnu, onder het heidendom mogen wij vier verschillende zonden rangschikken:

I. De afgoderij.
II. De toverij.
III. De superstitie
IV. De vrijdenkerij.

I. Afgoderij.

Alhoewel onze Zaligmaker, door op de wereld te komen, de duisternissen van het heidendom bijna onder alle volkeren heeft doen verdwijnen, bij zoverre dat men alleen nog onder de barbaarse en wilde volkeren afgodendienaren vindt [dat was de overtuiging van Kannunik D’Hoop eind 1800; thans is de situatie anders, nvdr], niettemin is de eerste soort van ongelovigheid, te weten, de afgoderij, zelfs onder Christenen nog enigszins te vinden. De zonde van afgoderij is immers niets anders dan de aanbidding van de duivel in de plaats van God: Haec omnia tibi dabo, si cadens adoraveris me; – dit alles, sprak hij aan Jezus, zal ik u geven, indien gij mij wilt aanbidden. En aan de vrouw: gij zult niet sterven… gij zult zijn als goden. Welnu, de duivel laat er zich weinig aan gelegen op welke wijze hij zich, in Gods plaats, aanbidden doet: in de eerste tijden en bij de volkeren die nog onwetend en vleselijk waren, deed hij zich aanbidden onder verschillende gedaanten, volgens de aard en de zeden van het volk. Bij de Grieken waren het mannen en vrouwen die als goden en godinnen aanzien werden; bij de Egyptenaren was het een os of een kalf; nu nog bij de volkeren van vreemde landen, gedrochtige spoken: maar dat alles is de eredienst van de duivel: Omnes dii gentium daemonia – al de afgoden der volkeren, zegt de H. Schrift, zijn duivelen. Het is nochtans niet enkel door deze grove beeltenissen dat de kwade geest de mensen heeft weten te verslaven; hij maakt er zich ook nog meester van door de toverij.

II. Toverij

Ten allen tijde heeft de duivel mensen ter zijner dienst gehad die, God verloochenend, tot de boze geest hun toevlucht genomen hebben. Deze geeft hun, op een zonderlinge wijze, hulp om andere mensen te bedriegen en in zijn macht te doen vallen. De ellendigen die zich zo ten dienste van de duivel stellen, noemen wij tovenaars en waarzeggers. Alhoewel de duivel niets kan dan hetgeen God hem toelaat; alhoewel hij noch het toekomende weet, noch de gedachten des harten kent; nochtans, geest zijnde, oud en door veel ondervindingen verrijkt, kan hij dingen voorzeggen en verrichten die de menselijke wetenschap te boven gaan. Of er in de wereld wondere dingen gebeuren door de tussenkomst van de duivel, daar valt niet aan te twijfelen.

Nochtans moet men hierin een gepaste middenweg nemen. Wanneer iemand door onbekende ziekten of ongelukken gekweld wordt, zou men de zaken overdrijven door direct te zeggen dat hij van een kwade hand geraakt is. Maar, vasthouden dat er in de wereld nooit toverij bestaan heeft, noch zal bestaan, dat ware de H. Schrift van valsheid beschuldigen. Reeds ten tijde van Mozes vindt men tovenaars in Egypte, die volgens de uitlegging van de HH. Vaders, met behulp van duivelen enige wonderen van Mozes nadeden. In het Nieuw Testament lezen wij dikwijls hoe de Zaligmaker mensen verloste die door de duivel bezeten waren. Later vinden wij Simon, die met zijn toverij in Samaria tevoorschijn is gekomen. Omtrent het einde van de wereld zal de grootste tovenaar van allen, namelijk de Antichrist, verschijnen: Zijn komst zal geschieden, zegt de H. Paulus, onder de werking van de duivels, met allerlei kracht, met tekenen en valse wonderen.

Bij de Christenen is de macht van de duivels zeer klein; maar hoe meer men het geloof ergens ziet verminderen, des te meer ook ziet men er de macht van de duivels aangroeien. Hier, in onze landen hebben wij zogezegde waarzeggers of kaartleggers; alhoewel zij gewoonlijk slechts kluchtspelers zijn die er een broodwinning van maken, is het niettemin tegen het eerste gebod om bij zulke mensen te rade te gaan, om van hen verborgen of toekomstige dingen te vernemen.

Om ons van dit misbruik te weerhouden, heeft de Heer gezegd: Indien een mens zich van mij afwendt om de tovenaars te zoeken, zal ik mijn Aanschijn tegen hem keren, en Ik zal hem uitroeien uit het midden van mijn volk.

III. Superstitie

Superstitie of bijgelovigheid is het “ongoddelijk gebruik van zekere woorden of tekenen tot een zeker werk tot hetwelk deze geen kracht hebben, noch uit de natuur, noch van God, noch door de instelling van de H. Kerk.”

1° Uit hun natuur hebben alle geschapen dingen, zelfs woorden en tekenen, een eigenaardige kracht, welke de Schepper als bijblijvende eigenschap gegeven heeft. Om een idee te geven, nemen wij het gebruik van water als voorbeeld. De afwassing met water heeft de natuurlijke kracht het lichaam te zuiveren; het is dus geen superstitie water daartoe te gebruiken.

2° Er zijn nog geschapen dingen die uit hun natuur, onbekwaam zijn bepaalde uitwerkingen teweeg te brengen, maar die door een uitdrukkelijke wil van God daartoe kracht ontvangen hebben. Zo, bijvoorbeeld in de tijd van de Joden, had men in Jeruzalem een liefdadigheidsgesticht, Bethsaïda genaamd. Dáár, zegt Johannes, lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, lammen, wachtend op de beweging van het water. Een Engel van de Heer daalde van tijd tot tijd in het bad neer, en het water werd bewogen. En die, na de beweging van het water, het eerst in het bad neerkwam, werd gezond, van welke ziekte hij ook bevangen was.

Het was geen superstitie bij de Joden gebruik te maken van dat water om de genezing te bekomen, omdat God zelf die kracht daaraan had gegeven. Zo ook is het gelegen met het water van het Doopsel: water op zich heeft de kracht niet om vergiffenis te geven van de erfzonde; maar het water met de woorden, heeft van Christus, God-mens, die bovennatuurlijke kracht ontvangen in het bedienen van het H. Doopsel.

3° Er zijn tot slot geschapen dingen die zekere uitwerkingen kunnen verrichten, noch uit hun natuur, noch van God, maar door de instelling van de H. Kerk. En om bij ons voorbeeld te blijven, water heeft op zichzelf of door God de macht niet om het onweer of de bekoringen af te keren. Nochtans is het geen superstitie daartoe gewijd water te gebruiken, omdat de H. Kerk door haar instelling en haar gebeden die bovennatuurlijke kracht daaraan heeft vastgehecht. Als men zulke dingen gebruikt volgens hun natuurlijke kracht, of volgens de kracht die zij bekomen hebben van God, of door de zegening van de Heilige Kerk, is er geen zonde of superstitie in gelegen; en bijgevolg, bij donder en bliksem de stallen besprenkele met gewijd water, gewijd zout aan de dieren geven, water van O.L.Vrouw van Lourdes drinken, een stukje gewijd brood bewaren, een gewijd palmtakje op de akker leggen, een gewijde kaars ontsteken bij gevaar, een paasnagel leggen onder de dorpel van het huis [wij voegen hieraan toe: een Wonderdadige Medaille hangen boven de deur, of in de auto leggen, enz…], is volstrekt geen superstitie.

Maar men maakt zich aan superstitie schuldig als men tot genezing van mensen en dieren, tot bescherming tegen rampen en gevaren van lichaam en ziel, middelen aanwendt welke hiertoe noch natuurlijke noch bovennatuurlijke kracht bezitten. Dergelijke middelen zijn bepaalde onbeduidende spreuken, vreemde namen of tekenen waaraan men een onfeilbare kracht toekent; alsook zekere gebeden waarvan men beweert dat wie ze dagelijks leest, ongetwijfeld zal bevrijd blijven van het vuur, van het water of van ander doodsgevaar, ja, zelfs van de eeuwige verdoemenis [dat is: indien dit géén bijzonder door God gegeven en/of bekrachtigd gebed is – zoals de Rozenkrans, maar een willekeurig gebed waar op superstitieuze wijze door mensen (en niet door de H. Kerk) ‘krachten’ aan werden toegekend ]. Wil men van het eeuwig vuur bevrijd zijn, dat men de doodzonde vluchte; en als men het ongeluk zou hebben doodzonde te bedrijven, dat men er uit opsta door een goede Biecht of door een volmaakt berouw.

Wat tijdelijke rampen, plagen en ziekten aangaat, men dient te gedenken dat het soms straffen zijn van God. Daarom, als men alle natuurlijke middelen gebruikt heeft, zal men wijs te werk gaan om de bovennatuurlijke aan te wenden, om die tijdelijke rampen tegen te gaan: bvb. met zijn geweten te zuiveren; tot de HH. Sacramenten te naderen, of de toevlucht nemen tot gebed.

IV. Vrijdenkerij

Hoeveel ellendigen zijn er niet die, ofwel geen God meer erkennen, ofwel een God die zich niet bemoeit met de natuurlijke zaken van deze wereld, een God die aan iedereen een eredienst laat naar willekeur. “God is gerust om de wereld” zeggen ze, “en Hij laat er zich weinig aan gelegen of wij Hem dienen of niet.” Volgens deze vrijdenkers, die gewoonlijk vrijlevers zijn, is het genoeg dat men uiterlijk een eerlijk man is, en dat men aan het gerecht ontkomt. Dat is een soort van afgoderij waardoor de mens, niet een ander schepsel, maar zichzelf in de plaats van God stelt. Ook, daar zij niemand kennen boven zichzelf, hebben zij geen uitwendige godsdienst meer nodig, noch kerken, noch priesters, noch sacramenten. Zij maken zich een geweten en een godsdienst naar hun goeddunken, of liever, zij leven zonder geweten en zonder godsdienst.

Ziedaar, zoveel zonden die strijden tegen het eerste Gebod, zonden over de welke de Rechter ons rekening zal vragen.

God verbood al deze praktijken reeds in het Oud Testament, toen het volk van Israël op het punt stond het Beloofde Land binnen te trekken:

“Wanneer gij het land zijt binnengegaan dat Jahwe uw God u schenkt, moet ge niet gaan meedoen aan de gruweldaden van die volken. Het mag bij u niet voorkomen, dat iemand zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, zich afgeeft met waarzeggerij, met geestenbezwering, mantiek of toverij, zich met bezweringen inlaat, geesten en orakels ondervraagt of de doden oproept. Want van iedereen die dergelijke dingen doet heeft Jahwe uw God een afschuw; en om dergelijke gruweldaden drijft Hij die volken voor u weg.”( Deut. 18,9-12)

En ook in het boek Openbaring wordt gewag gemaakt van het lot van de tovenaars en de afgodendienaars:

En Hij die op de troon is gezeten, sprak: “Zie, Ik maak alles nieuw.” En ik hoorde zeggen: “Schrijf deze woorden op, ze zijn onfeilbaar waar.”Nog zei Hij tot mij: “Het is gebeurd! Ik ben de Alfa en de Omega, de oorsprong en het einde. Wie dorst heeft zal Ik te drinken geven uit de bron van het water des levens, om niet.Wie overwint zal dit alles krijgen, en Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon.Maar de lafhartigen, de trouwelozen, de verdorvenen, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars, hun deel is in de poel die brandt van vuur en zwavel. Dit is de tweede dood.” (Apoc. 21,5-8)

Wachten wij ons dus onze God te verlaten, om zijn Vijand te volgen; wachten wij ons onze God te vergeten door te verzuimen aan onze godsdienstige plichten, door ons teveel aan aardse bezigheden en wereldse vermaken over te geven; en wezen wij altijd de woorden van Christus indachtig: Zoekt eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid, en het overige zal u toegeworpen worden. Amen.

Uit: Sermoenen van Kannunik d’Hoop, Pastoor-Deken van O.L.V. (St.-Pieters) Gent; Verzameld en bewerkt door R. De Steur, onderpastoor van O.L.Vrouw (St. Pieters), Gent, A. Siffer, Drukker, 1900


Imprimatuur:

Wij geven volgaarn onze goedkeuring aan de grondige en stichtende sermoenen van wijlen de ieverigen en geleerden heer Deken Kannunik V. d’Hoop, en wij bevelen ze der geestelijkheid van ons bisdom ten zeerste aan.

Gent, 4 april 1900.

+ Antonius, Bisschop van Gent

 

1 reactie »

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: