Spring naar inhoud

CATECHESE: 1ste gebod: “Bovenal bemin één God”

Glasraam die de H. Drievuldigheid uitlegt. Deus (God) is Vader, Zoon en Heilige Geest (drie personen), maar de Vader is niet de Zoon, en de Zoon is niet de H. Geest, etc.

Geloof, Hoop en Liefde

21ste Les, Mech. Catech.

Wij zullen beginnen met wat uitleg te geven over het eerste gebod. Eerst en vooral moet men in aandacht nemen dat sommige geboden enkel iets schijnen te gebieden, zoals “Bovenal bemin één God,” – “Eer uw vader en uw moeder,” en andere iets schijnen te verbieden, zoals: “Gij zult de naam van de Heer uw God niet ijdel gebruiken,” en “Gij zult niet stelen.” Ieder gebod bevat echter een dubbele verplichting, namelijk om iets te doen en tevens iets te laten. Wij vinden die onderscheiding duidelijk in het eerste van de tien geboden: “Ik ben de Heer uw God,” ziedaar het gebod. “Gij zult geen vreemde goden hebben vóór mijn ogen,” ziedaar het verbod. Welnu, wat gebiedt God ons door zijn eerste gebod? “Dat wij één God alleen zullen erkennen, aanroepen en dienen.” Om dat gebod dus te onderhouden, moeten wij een driedubbele plicht vervullen:

I. God kennen door het Geloof;

II. God aanroepen door de Hoop;

III. God dienen door de Liefde.

Het Geloof, de Hoop en de Liefde zijn de drie goddelijke deugden.

I. God kennen door het Geloof

Het gebod van geloof bevat drie verplichtingen:

1° Wij moeten weten wat wij moeten geloven. Daarom zijn alle Christenen verplicht om de geloofsbelijdenis, de tien geboden en de sacramenten te kennen, maar in het bijzonder het Doopsel, de Biecht, het H. Sacrament van het Altaar, het ‘Onze Vader’, het ‘Wees gegroet’ en de bijzonderste plichten van hun staat. En men is verplicht die kennis bij te schaven zodra men gekomen is tot de jaren van verstand. Daaruit volgt de verplichting van de zielenherders om hun onderdanen te onderrichten; daaruit volgt ook de verplichting van de ouders om hun kinderen die gebeden aan te leren (en hun kinderen in de basis van het geloof te onderrichten).

Veel Christenen zondigen tegen het eerste gebod, omdat zij deze gebeden en die geloofspunten niet kennen. Zij verkeren in een volslagen onwetendheid aangaande de geloofsbelijdenis, dat het kort begrip is van ons geloof, en zij verwaarlozen de middelen, zoals het bijwonen van onderrichtingen en sermoenen (preken) om zich daarin te laten onderwijzen. Die ouders ook, komen hun plicht niet na, die het nalaten hun kinderen van hun prilste jeugd af de eerste grondbeginselen van onze godsdienst aan te leren, en ze daarenboven nog naar scholen te zenden waar het Christelijk geloof weinig of niet in ere wordt gehouden.

2° Wij moeten die punten van het geloof niet enkel kennen, wij dienen die ook nog als waarheden te erkennen en onze vaste toestemming daaraan geven, omdat zij gesteund zijn op het Woord van God. Daarom moet, volgens de Leer van de Kerk, de Christen een akte van geloof verwekken als hij tot de jaren van verstand komt, als hij in stervensnood is, en soms ook gedurende zijn leven.

Akte van Geloof

Mijn Heer en mijn God, ik geloof vast al wat Gij geopenbaard hebt en door de H. Kerk mij voorhoudt te geloven, omdat Gij de opperste en onfeilbare Waarheid zijt. In dit geloof wil ik leven en sterven.

Wij moeten dit in het bijzonder doen als wij een grote bekoring hebben tegen het Geloof, of als wij naderen tot de heilige Sacramenten van de Biecht of Communie. De H. Kerk wekt ons trouwens op om zeer dikwijls de akten van Geloof, Hoop en Liefde te bidden, met elke keer een aflaat van zeven jaar en zeven quadragenen (7x 40 dagen) daaraan verbonden.

3° Wij moeten ook het Geloof uitwendig belijden: Corde creditur ad justitiam, ore fit confessio ad salutem, zegt de H. Paulus: met het hart gelooft men ter gerechtigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid. In het bijzonder in onze tijden is het noodzakelijk zijn Geloof te belijden, daar er zoveel vreesachtige en kleinhartige Christenen zijn, die meer de mensen dan God vrezen. In het hart en in het verborgene willen zij nog goede Christenen zijn, maar als zij met anderen omgaan, met de vijanden van Christus, dan spreken zij tegen God en tegen de H. Kerk, of ten minste door een schuldige stilzwijgendheid, schijnen zij goed te keuren wat de bozen tegen de godsdienst uitkramen.

Daaruit volgt niet dat men altijd verplicht is te redetwisten of tegen te spreken, als het Geloof wordt aangerand; dit immers zou soms de zaak kunnen verergeren. Maar, in het algemeen, is men verplicht zijn Geloof openbaar te belijden, zo dikwijls dat, zonder die belijdenis, enige schade zou volgen voor de eer van God, of enig gevaar voor zijn eigen zaligheid of die van anderen.

II. God aanroepen door de Hoop.

De Hoop immers, doet ons alle goed van God verwachten, omdat wij erkennen dat Hij oneindig goed is voor ons, oneindig almachtig en getrouw aan zijn beloften. En het is omdat wij al ons vertrouwen in Hem stellen, en weten dat Hij ons wil en kan helpen in alle omstandigheden, dat wij genegen zijn Hem te aanroepen, wat wij tonen door het gebed. Wij overtreden dus het eerste gebod indien wij nalaten tot God te bidden; want het is de Heer te kort doen, als wij niet op Hem, maar op de mensen ons vertrouwen stellen.

Wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden, doch de ziel niet kunnen doden; maar vreest veeleer Hem die én ziel én lichaam kan verderven in de Hel.

Maar, zegt de ongelovige, waartoe dient het gebed? Kent God niet wat wij nodig hebben? Of zal Hij de wetten der natuur veranderen om ons te verhoren? Ja, God weet beter dan wij wat wij nodig hebben; maar omdat een vader weet wat zijn kind nodig heeft, ontslaat hij daarom zijn kind van te vragen wat het begeert of wat het nodig heeft? Neen, niet waar? Wij bidden niet om aan God te kennen te geven wat Hij weet; maar om te tonen dat wij van Hem, onze Opperheer, afhangen. Ten andere, wanneer wij iets vragen aan God dat het tijdelijke aangaat, waarom zou de Heer ons deze gunst niet kunnen toestaan? De tijdelijke zaken zijn tweeërlei: ofwel hangen zij af van de wil der mensen, zoals de vrede tussen landen, het einde van vervolgingen, de genezing der zieken; ofwel komen zij rechtstreeks van God, zoals de ongeregeldheden der jaargetijden, de regens, de droogte, de ziekten onder het vee, enz. Welnu, wat het eerste betreft, wie weet er niet dat de harten van de mensen in Gods handen zijn, volgens de woorden van de H. Schrift: Het hart van de vorst is in ’s Heren hand, en Hij leidt het waarnaar Hij wil.

En wat het tweede betreft, zal het dan aan de Heer niet toegelaten zijn de wetten, die Hij zelf aan de natuur gegeven heeft, te regelen naar zijn willekeur? Welhoe! Dwaze en hoogmoedige mens, gij weigert uw hoofd te buigen voor de Heer, uw God; gij loochent zijn Voorzienigheid, door niets anders te willen erkennen dan de natuur; en gij staat stil en onmachtig tegen een onzienlijk diertje dat de plant van onze wijngaard bederft! Waar zijt gij dan met al uw verstand? Als gij, volgens uw wil, ons de regen zult geven en de zon, telkens wij u het één of het ander zullen vragen, dan zullen wij ons tot God niet meer wenden, maar tot u komen.

III. God dienen door de Liefde

De dienst van God moet drievoudig zijn, inwendig, uitwendig en openbaar. Wij geven aan God de inwendig eredienst, als wij in het hart God aanbidden en hem onze liefde schenken. Die dienst is uitwendig, als wij door zichtbare tekenen onze Godsdienst beoefenen, bvb. door het kruisteken, door het knielen vóór het H. Sacrament, door het bidden, enz. De dienst is openbaar, als hij plechtig uitschijnt in de kerken of elders, volgens de voorschriften van de H. Kerk, door een zeker aantal gelovigen die samengekomen zijn.

1° De inwendige dienst is gesteund op de betrekkingen van de mens met God. Spiritus est Deus, zegt de H. Schrift, et eos qui adorant Eum in spiritu et veritate oportet adorare – God is geest, en die Hem aanbidden moeten Hem in geest en waarheid aanbidden. Anders ware de dienst van God slechts een smadelijke schijnheiligheid, die God zou tergen. Dat volk eert mij met de lippen, klaagt Jezus. Ook is het met recht dat de vijanden Gods aan enige Christenen soms verwijten dat zij al hun godsdienst uit enige uitwendige gebeden of oefeningen doen bestaan, terwijl zij misschien het hart vol kwade genegenheden hebben.

2° Hieruit volgt nochtans niet dat deze inwendige godsdienst voldoende is. De uitwendige is gesteund op de betrekkingen tussen ziel en lichaam.

a) De mens is immers niet puur geest; hij is een samenstelling van ziel en lichaam, en daarom kan hij, in zijn tegenwoordig leven, op de wereld niets verrichten zonder de ledematen van zijn lichaam.

b) Daarbij, gij moogt niet vergeten dat de mens alles van God ontvangen heeft; hij moet dus zowel zijn lichaam als zijn ziel ten dienste stellen van Diegene die ze hem heeft gegeven.

c) Bovendien is de mens niet geschapen om alleen te zijn; hij moet dus meewerken om de godsdienst door zijn voorbeeld te verspreiden.

3° Om deze reden is ook de openbare eredienst noodzakelijk, die gesteund is op de betrekkingen van de burger met de samenleving. De weldaden die wij van God ontvangen, zijn niet slechts persoonlijk, maar veel zijn dezelfde voor alle leden van één en dezelfde samenleving. Welnu, de samenleving, zoals de personen, hangt van God af; het is Gods Voorzienigheid die de naties verheft of vernedert, volgens dat zij getrouw zijn aan hun opperste Heer. Het is dus rechtvaardig dat, niet alleen de personen afzonderlijk, maar de gemeenten tezamen een openbare eredienst aan God bewijzen.

Processie ter ere van het Bloedmirakel in Alkmaar.

Dit is zo waar dat van het begin der wereld en op alle plaatsen waar een godsdienst te vinden is, daar ook een openbare tempel, priesters en openbare ceremonies gevonden worden. Het grootste ongeluk dat een volk kan overkomen is dan ook dat de priesters worden weggejaagd en de kerken worden gesloten. Uw voorvaderen hebben er de ondervinding van gehad (Reformatie, Franse Revolutie, Boerenrkijg, etc.), en God geve dat wij deze droevige ondervinding niet meer moeten meemaken.

Laat ons dus deze woorden diep in onze harten prenten: Ik ben de Heer uw God die u, niet meer uit de slavernij van Egypte, maar uit de slavernij van de duivel verlost hebt, en u met mijn dierbaar Bloed heb vrijgekocht. Daar wij nu vrij zijn, laten wij onze goede Meester niet meer verlaten; en gelijk wij voorheen onze ledematen gebruikt hebben om de ongerechtigheid te dienen, zo zullen wij deze nu gebruiken om de gerechtigheid te beoefenen, tot heiligmaking van onze ziel en tot onze eeuwige zaligheid. Amen.

Uit: Sermoenen van Kannunik d’Hoop, Pastoor-Deken van O.L.V. (St-Pieters) Gent; Verzameld en bewerkt door R. De Steur, onderpastoor van O.L.Vrouw (St. Pieters), Gent, A. Siffer, Drukker, 1900


Imprimatuur:

Wij geven volgaarn onze goedkeuring aan de grondige en stichtende sermoenen van wijlen de ieverigen en geleerden heer Deken Kannunik V. d’Hoop, en wij bevelen ze der geestelijkheid van ons bisdom ten zeerste aan.

Gent, 4 april 1900.

+ Antonius, Bisschop van Gent

4 Comments »

  1. Van harte dank ! Ik heb je boek met veel belangstelling gelezen. Grote dank ervoor. Ken je het boek dat ongeveer hetzelfde zegt als jij ? Moderne wetenschap in de Bijbel. De Bijbel is de wetenschap 3500 jaar vooruit. Drs. Ben Hobrink.

    Groetjes,

    Tine

    Op do 22 aug. 2019 om 11:49 schreef O Crux Ave Spes Unica – Gegroet o

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: