Skip to content

Uit de Navolging van Christus: Godvruchtige aansporing tot de H. Communie – Hoofdstuk 2 en 3

De Navolging van Christus

Vierde traktaat – Godvruchtige aansporing tot de Heilige Communie

“Komt allen tot Mij die uitgeput onder lasten gebukt gaat; en Ik zal u rust en verkwikking geven,” zegt de Heer (Mt. 11 : 28). “Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld” (Joh.  6 :52). “Neemt en eet: dit is mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd, doet dit tot gedachtenis aan Mij” (Lc. 22 : 19; 1 Kor. 11 : 24). “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Joh. 6 : 56). “De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven” (Joh. 6 : 64).

Hoofdstuk 2: Grote goedheid en liefde van God wordt de mens in het Sacrament bewezen

De gelovige: Heer, vertrouwend op uw goedheid en grote barmhartigheid, kom ik bij U als een zieke bij de arts, als een hongerige en dorstige bij de bron van het leven, als een arme bij de Koning van de hemel; als de dienaar bij zijn Heer, als het schepsel bij de Schepper, als de troosteloze bij zijn goede Vertrooster. Maar hoe bestaat het dat Gij tot mij komt? Wie ben ik dat Gij uzelf aan mij geeft? Hoe durft een zondig mens voor U te verschijnen en hoe kunt Gij het over U verkrijgen naar een zondig mens toe te komen? Gij kent uw dienaar, Gij weet dat hij niets goeds in zich heeft op grond waarvan Gij dit voor hem zoudt doen. Ik beken dus mijn minderwaardigheid, ik erken uw goedheid, ik loof uw liefde en ik dank U om uw al te grote genegenheid. Gij doet dat omdat Gij zo zijt, niet om mijn verdiensten; om uw goedheid meer te doen kennen, zodat ik tot meer liefde zou komen en op volmaakter wijze de nederigheid mij zou worden aanbevolen. Omdat het U aldus behaaglijk is en Gij gewild hebt dat het zo zou geschieden, daarom is uw neerbuiging ook mij aangenaam; mocht mijn ongerechtigheid voor U geen beletsel zijn. O allerbeminnelijkste en liefdevolle Jezus, hoeveel eerbied, dankbetuiging en eeuwige lof ben ik U niet verschuldigd voor het ontvangen van uw heilig Lichaam: geen mens ter wereld kan de verhevenheid daarvan verklaren. Maar wat zal mijn gedachte zijn bij deze communie, bij het naderen tot mijn Heer die ik niet op de verschuldigde wijze eren kan en toch devoot tot mij wens te nemen?

Wat zal ik beter en heilzamer denken dan dat ik mij volstrekt voor U verneder en uw oneindige goedheid hoog boven mijzelf vereer? Ik loof U, mijn God, en ik prijs U in eeuwigheid. Ik minacht mijzelf en onderwerp mij aan U in de diepte van mijn nietswaardigheid. Zie, Gij zijt de Heilige der Heiligen en ik ben het uitvaagsel van de zondige mensheid. Gij buigt U naar mij die niet waardig ben tot U op te zien. Zie, Gij komt tot mij, Gij wilt met mij zijn, Gij nodigt mij uit om maaltijd met U te houden. Gij wilt mij de hemelse spijs en het brood der engelen (Ps. 78 : 25) te eten geven, geen ander dan Uzelf, “het levend brood, dat uit de hemel is neergedaald en leven geeft aan de wereld” (Joh. 6 : 33, 51, 52). Ziedaar waar de liefde uit voortkomt, hoe de liefde in het licht verschijnt. Wat zijn wij U grote dankbetuigingen en lofprijzingen voor dit alles verschuldigd. Hoe gezegend en nuttig was uw besluit toen Gij dit hebt ingesteld. Hoe beminnelijk en uitnodigend het gezamenlijk maal, toen Gij Uzelf als spijs hebt gegeven. Hoe wonderbaar is uw werking, Heer, hoe vermogend uw kracht, niet onder woorden te brengen uw waarheid. Gij hebt gesproken en alles is geworden en ook dit is geschied, omdat Gij zelf het hebt bevolen. Het is een wonderlijke zaak, alle geloof waardig, maar het gaat het menselijk verstand te boven, dat Gij, Heer, mijn God, waarlijk God en mens, binnen de geringe gedaante van brood en wijn wordt begrensd en zonder te worden verteerd door hem die eet wordt genuttigd. Gij, Heer van het heelal die niemand behoeft, hebt door dit Sacrament onder ons willen wonen. Bewaar mijn hart en mijn lichaam rein, opdat ik met een blij en zuiver geweten dikwijls uw mysteriën mag vieren en tot mijn eeuwig heil ontvangen. Gij hebt die vooral tot uw eer en tot een eeuwige gedachtenis gewild en ingesteld. Verheug u dan, mijn diepste wezen, en dank de Heer voor zulk een verheven geschenk en bijzondere troost, die Hij u in dit tranendal heeft gelaten. Want zo dikwijls gij dit geheim herdenkt en Christus’ Lichaam ontvangt, even zo dikwijls voltrekt gij het werk van uw verlossing, want gij wordt deelachtig aan de verdiensten van Christus. De liefde van Christus immers vermindert nooit en de omvang van zijn verzoeningswerk is onuitputtelijk. Daarom behoort gij u altijd weer met vernieuwing van geest hierop voor te bereiden en het grote mysterie van uw heil met aandachtige beschouwing te overwegen. Het moet u daarom groot, nieuw en verrukkelijk voorkomen als gij celebreert of de mis hoort; alsof diezelfde dag Christus voor het eerst neerdalend in de schoot der Maagd, mens werd of aan het kruis hangend, voor het heil der mensen leed en stierf

Hoofdstuk 3: Het is nuttig dikwijls te communiceren

De gelovige: Zie, ik kom tot U, Heer, opdat het mij wel mag gaan door uw geschenk en ik mij verheug in uw heilig gastmaal, dat Gij, God, in uw goedheid voor de mens hebt gereed gemaakt (Ps. 68: 11). Zie, in U is alles aanwezig wat ik kan en moet verlangen; Gij zijt mijn heil en mijn verlossing, mijn hoop en mijn sterkte, mijn eer en mijn glorie. “Verblijd” dan vandaag “het innerlijk van uw dienaar, want tot U, Heer Jezus, heb ik mijn geest verheven” (Ps. 86 : 4). Ik wens U nu godvruchtig en eerbiedig te ontvangen; ik verlang U in mijn woning binnen te leiden om met Zache”s te verdienen door U te worden gezegend en onder de zonen van Abraham te worden erkend. Mijn innerlijk verlangt naar uw Lichaam, mijn hart wenst met U te worden verenigd. Geef Uzelf aan mij en het is goed. Want buiten U is geen enkele vertroosting volwaardig. Ik kan niet zonder U zijn; en zonder uw bezoek kan ik niet leven. Daarom moet ik wel dikwijls tot U naderen en U als geneesmiddel tot het heil ontvangen; anders zou ik misschien onderweg bezwijken, als ik beroofd bleef van dit hemels voedsel. Want zo, allerbarmhartigste Jezus, hebt Gij bij uw prediking aan het volk en bij het genezen van allerlei kwalen het eens gezegd: “Ik wil hen niet zonder voedsel naar hun huis terug laten gaan, misschien zouden ze onderweg omkomen” (Mt. 15 : 32). Doe dan met mij hetzelfde, Gij die Uzelf tot troost van uw gelovigen in het Sacrament hebt nagelaten. Want Gij zijt een heerlijke verkwikking voor mijn innerlijk wezen en wie U waardig heeft genuttigd, zal deelgenoot en erfgenaam zijn van de eeuwige glorie.

Voor mij is het onmisbaar, omdat ik zo dikwijls wankel of val, zo snel weer lauw en onder de maat ben, dat ik door veelvuldig te bidden en te biechten en door het heilig ontvangen van uw Lichaam mijzelf vernieuw, mij reinig en weer vurig word, want door mij daar langer van te onthouden zou ik weggedreven worden van mijn heilig voornemen. De zinnen van een mens immers zijn geneigd tot het kwaad vanaf zijn jonge jaren en als het goddelijk geneesmiddel hem niet ter hulp komt daalt de mens weldra tot een minderwaardig leven af. De heilige communie houdt hem dus terug van het kwaad en bevestigt hem in het goede. Als ik namelijk nu al zo vaak nalatig en lauw ben terwijl ik communiceer of celebreer, wat zou het dan zijn als ik dit geneesmiddel niet tot mij nam en deze sterke steun niet zocht? En al ben ik niet iedere dag goed genoeg gesteld en bereid om te celebreren, toch zal ik er mij op toeleggen de goddelijke mysteriën te vieren op de geschikte tijden en zorgen dat ik deel krijg aan die grote gunst.

Want dit is een bijzonder belangrijke vertroosting voor wie U trouw wil zijn zolang hij ver van U in dit sterfelijk lichaam nog onderweg is: dat hij herhaaldelijk zijn God indachtig, zijn Geliefde met vrome gesteltenis mag ontvangen. O wonderbare begenadiging van uw liefde jegens ons; dat Gij, Heer onze God, Schepper en Levensbron van alle geesten, tot dit armzalig menselijk wezen wilt afdalen en met heel uw godheid en mensheid zijn honger overvloedig wilt verzadigen. Gelukkig de geest en zalig de ziel die U, haar Heer en God, godvruchtig verdient te ontvangen en bij die geestelijke gave van vreugde vervuld wordt. Zij ontvangt een groot machthebber, zij voert een zeer beminnelijke gastvriend binnen, zij krijgt een vriendelijk gezel bij zich, zij aanvaardt een trouwe vriend. Zij omhelst een bruidegom die edel en voornaam is, die boven alle geliefden en boven alles wat begerenswaardig is bemind moet worden. Laat dan, mijn dierbaarste beminde, laat hemel en aarde en alles wat hen siert zwijgen in uw tegenwoordigheid, want wat zij aan lof en schoonheid bezitten, is een geschenk van uw vrijgevigheid en nooit zullen zij de heerlijkheid van uw naam nabij komen wiens wijsheid zonder grenzen is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: