Onbevlekte Ontvangenis van Maria – CATECHESE: Over de voorrechten van Maria

Benedicta es tu, Virgo Maria, a Domino Deo Proa omnibus mulieribus

Wij vieren heden, Beminde Parochianen, de feestdag van de Onbevlekte Ontvangenis der Allerheiligste Maagd Maria. Na de feestdag van haar Hemelvaart, die de bekroning is van haar deugdzaam leven, wordt deze dag terecht als de grootste van al haar feestdagen gehouden, daar hij de oorsprong viert van haar heiligheid. Daarom ook heeft Leo XIII hem tot een feestdag van eerste klas, met vigilie en octaaf, willen verheffen. Anders gezegd: hij heeft deze feestdag op dezelfde voet gesteld met al de grootste feestdagen die in de Kerk gevierd worden, en bijgevolg even gelijk aan die van O.L.Vrouw-Hemelvaart, behalve dat wij, hier in ons land, tot het horen der Mis en tot het onthouden van slafelijke werken op zonde niet verplicht zijn. Ik mag dan deze plechtigheid niet laten voorbijgaan, zonder u van deze verheerlijking onzer beminde Moeder te spreken. Ik zal u tonen:

I. Welk het voorwerp is van deze feestdag

II. Hoe wij denzelven moeten vieren.

I. Welk is het voorwerp van deze feestdag?

Het voorwerp van deze feestdag is de schepping van Maria met al de voorrechten die zij bij dezelve ontving. Maria, bij haar ontvangenis, bekwam een driedubbel voorrecht van God, namelijk: een genade van oorsprong, een genade van overvloed en een genade van volharding.

1° Het eerste voorrecht van Maria is dus geweest de genade van oorsprong, die als de bron van alle andere gaven mag genoemd worden. Maria is van het eerste ogenblik van haar bestaan bevrijd geworden van de erfzonde, en is, derhalve, in de liefde en in de gratie Gods de wereld ingetreden. Per unum hominem, zegt Paulus (V,12), peccatum in hun mundum intravit… in quo omnes peccaverunt – Door één mens is de zonde in deze wereld gekomen, dewijl allen gezondigd hebben. Door de schuld van Adam, en in hem, zegt de grote Apostel, hebben allen gezondigd! Ja, allen, antwoordt de H. Kerk, uitgenomen Maria. Wij komen allen op de wereld kinderen van gramschap!, zegt dezelfde Apostel. (Ef. II,5). Neen, roept de H. Kerk, Maria komt er als kind van liefde. Waar is de mens, vraagt de H. Geest (Job. XV,14), die als vlekkeloos en rechtvaardig mag optreden, hij die uit een vrouw geboren is, welke het leven gevende, ook de zonde heeft medegedeeld? En toch is er één vrouw, namelijk Maria, die alleen onder al de kinderen van Adam, zuiver en onbevlekt is geweest vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan; en zo past de H. Kerk terecht deze woorden op haar toe: Tota pulchra es, amica mea, et macula non est in te – gij zijt gans schoon, mijne lieve, en een vlek is er niet bij u (Hoogl. IV, 7). De zonde had in de ziel van de mens vier wonden teweeggebracht, namelijk: de verblindheid in het verstand, de boosheid in de wil, de krankheid tot het goed en de begeerlijkheid tot het kwaad. Welnu, van al deze erge gevolgen werd de toekomstige Moeder van de Zoon Gods gevrijwaard, zodat de duisternissen haar verstand niet benevelden, en de boosheid haar wil nooit bedierf; daarbij bleef zij gans haar leven tot het goede geneigd, en afkerig van het kwaad.

Verbeeldt u, beminde parochianen, de algemene zondvloed! Ziet de donkere wolken die de straf des Heren aankondigen, en hoort het gedruis der onderaardse kuilen die openbarsten, en der hemelse watervallen die op de aarde nederstorten. Welhaast schijnt gans de bewoonde aardbodem slechts één zee, en van alle kanten klimt het hartverscheurend gekerm der drenkelingen en stervenden ten hemel op! Overal ontwaart men vlottende lijken van mensen en dieren die bovendrijven. Alléén boven de wateren vaart rustig en statig de Ark, die door Gods hand geleid, aan de algemene verwoesting ontsnapt! Schoon afbeeldsel van Maria’s voorrecht! Door de val van de eerste mens wordt de aarde welhaast bedekt met een stroom van boosheden, en de gramschap Gods valt op alle mensen. Allen komen in het leven, bevlekt met de erfzonde en veroordeeld tot het eeuwig verderf! Maria alleen, als een levende Ark door Gods almogende hand bevrijd, wordt in de algemene ondergang behoed en van alle zonden gevrijwaard.

En zo moest het zijn, beminde parochianen, dewijl de goedheid, de wijsheid, en de glorie van de allerhoogste hier op het spel stonden. Welhoe, zij die bestemd was, bij voorkeur onder alle vrouwen, in hare maagdelijke schoot het leven te geven aan de enige Zoon van God, die met waarheid “De Moeder Gods” moest genoemd worden, kon zij, ware het maar één ogenblik, zijn vijandin zijn? Zij, die God, als het voorwerp van al zijn welbehagen, had uitverkoren, die door een Engel “vol van gratie” moest genoemd worden, kon zij ooit als een voorwerp van schroom en afkeer voor zijn ogen verschijnen? Zij, die het hoofd van het hels serpent moest verpletteren, kon zij eens onder zijn macht zijn en zijn slavin? Neen, dat is onmogelijk! Nooit hebben de gelovigen, de dienaars van Maria, dat kunnen aannemen, en de HH. Vaders hebben dit alle verworpen! Ook heeft de H. Kerk menigmaal verklaard, onder andere in het Concilie van Trente, dat Maria, als er spraak is van zondige mensen, nooit daaronder begrepen werd. Daarom heeft zij haar onfaalbare stem laten horen, en heeft zij, door de mond van de grote Pius verklaard dat de lering der Onbevlekte Ontvangenis de ware lering der H. Kerk is, en dat al wie anders denkt als een ketter moet gedoemd worden.

2° Het tweede voorrecht was een genade van overvloed, zoals wij het vernemen uit de mond van de Engel, die tot haar gezonden, zegde (Luc. I,28): Ave, gratia plena! – Wees gegroet, vol van genade! Het moet ons niet verwonderen dat Maria, reeds bij haar schepping, een genade van overvloedige volheid ontving, dewijl zij als een tempel was waarin de volheid der Godheid, gelijk de H. Schrift zegt (Kol. II,9) lichamelijk moest berusten. En bijgevolg, moest zij dan ook, om zo te zeggen, ingewijd zijn en door de overvloed van genade geheiligd! Indien de koning Salomo, tot het ordentelijk versieren van de Tempel die hij gebouwd had, oneindig veel schatten van goud, zilver en cederhout gebruikt heeft, om alzo de Heer een stoffelijke en vergankelijke woning te bereiden, welke schatten van genaden en deugden zal de Heer niet gestort hebben in het Hart van Maria, die de levende Tempel van God ging worden? Zij moest dan daartoe door de overvloed der genade gewijd of geheiligd zijn, evenals onze kerken moeten gewijd worden door het H. Olie, die het afbeeldsel is van de heiligmakende gratie.

3° Een derde voorrecht dat Maria ontving, aan haar alleen eigen, was een genade van volharding. Daarin heeft zij de hemelse geesten overtroffen. De Engelen immers, in Gods gratie geschapen, hebben deze kunnen verliezen, en sommige, helaas!, hebben die feitelijk verloren. Maria integendeel, werd in de vriendschap van God bevestigd, en, evenals Jezus onzondig was door zijn natuur, zo was het Maria door de genade, waaraan zij altijd beantwoordde. Ziedaar, beminde parochianen, drie uitstekende voorrechten die wij op deze feestdag wederom in het blijde geheugen van Maria brengen.

II. Waartoe moet ons deze plechtigheid opwekken?

1° Tot een grote dankbaarheid om de genade van ons H. Doopsel. Wij, ver van de genade van oorsprong te hebben, zijn, als Gods vijanden op de wereld gekomen. In de schepping zijn wij niet, zoals Maria, van de erfzonde bevrijd geweest; maar dank aan een onverdiende goedheid van God, zijn wij, bijna onmiddellijk na onze geboorte, in het H. Doopsel ervan gezuiverd geworden door de verdiensten van Jezus Christus.

2° Om altijd, naar het voorbeeld van Maria, in genade en verdiensten te vermeerderen. Maria, al vol van gratie te zijn, heeft die nochtans gedurig vermeerderd, zodat er geen ogenblik in haar leven bestond of zij vergaarde nieuwe verdiensten door haar goede werken. En wij! Wij ontvangen weliswaar een genoegzame genade, volgens onze staat, doch een beperkte; en nochtans, wat doen wij? Ver van die genade te vermeerderen, met steeds daaraan te beantwoorden, wij laten ze onvruchtbaar; wat zeg ik? Wij laten ze verminderen met aan dezelve te weerstaan en wij lasteren zelfs de Heer, zeggende dat zij ons ontbreekt als wij dezelve verstoten.

3° Tot grote voorzichtigheid om de gratie Gods niet te verliezen. Ziet eens hoe Maria, verzekerd van de genade nooit te verliezen, met veel zorg nochtans dezelve tracht te bewaren! Wij, integendeel, wij weten dat de volharding een loutere weldaad is, die niet kan verdiend worden; en niettemin, al broze schepsels te zijn, gaan wij stoutmoedig de gevaren tegemoet; duizenden vijanden staan tegen ons, en, ontwapend werpen wij ons roekeloos in hun handen en vallen in zonde. Gezuiverd van de zonde die ons vreemd was, hebben wij vrijwillig onze ziel wederom bevlekt door eigen en persoonlijke zonden. Gods kinderen geworden en uit de slavernij verlost, hebben wij ons vrijwillig, met de wetten van God of die van de H. Kerk te overtreden, wederom tot kinderen der gramschap en slaven van de duivel gemaakt. Ja, dan nog klopt God door zijn genade op het hart van de zondaar, en het hangt maar van dezen af wederom in Gods vriendschap te komen.

Het is hem genoeg zijn toevlucht te nemen tot Maria, onbevlekt ontvangen, om door haar de genade en de volharding daarin te bekomen. Gelijk de titel van “Onbevlekt Ontvangen” aangenaam is aan Maria en troostelijk voor ons, even, en meer, is hij hatelijk aan de hel. Maar wat de boze geest ook doe, Maria is sterker dan al de machten der hel; en, doet de duivel soms stormen in onze ziel, of onlusten en vervolgingen in de wereld ontstaan, gaan wij met het grootste betrouwen tot Maria Onbevlekt Ontvangen, en zij zal ons van de zonde vrijwaren en uit het gevaar verlossen.

“O! Maria zonder zonde ontvangen! Gij die ook nadien nooit de zonde gekend hebt, bekom ons van uwe Zoon de genade om de beloften van ons H. Doopsel getrouw te volbrengen, met altijd te leven als goede en volmaakte Christenen, opdat wij eens voor eeuwig bij u mogen wonen in de Hemel.” Amen.

 

Uit: Sermoenen van Kannunik d’Hoop, Pastoor-Deken van O.L.V. (St-Pieters) Gent; Verzameld en bewerkt door R. De Steur, onderpastoor van O.L.Vrouw (St. Pieters), Gent, A. Siffer, Drukker, 1900


Imprimatuur:

Wij geven volgaarn onze goedkeuring aan de grondige en stichtende sermoenen van wijlen de ieverigen en geleerden heer Deken Kannunik V. d’Hoop, en wij bevelen ze der geestelijkheid van ons bisdom ten zeerste aan.

Gent, 4 april 1900.

+ Antonius, Bisschop van Gent

 


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s