Verschijning van O.L.V. te Pontmain, Frankrijk, 1871

pontmain4
Basiliek van O.L.V van Pontmain.

Frankrijk was in oorlog met Duitsland. Napoleon III had in zelfoverschatting op 19 juli 1870 aan Pruisen een ultimatum gesteld, en zijn land werd onder de voet gelopen, in een minimum van tijd. Op 2 september reeds werd zelfs de keizer met 100.000 man gevangen genomen. De schuld van alle ellende werd gezocht, waar ze niet te vinden was. Onschuldigen moesten het gelag betalen. Ze werden naar het forum gesleept en berecht, tot slachtoffers gemaakt, die door hun offer ten minste voorkwamen, dat het land geheel ten onder zou gaan. In de Hemel zouden ze schadeloos gesteld worden voor hun miskenning in een wereld van ongerechtigheid.

Midden in die verschrikking, in de dagen van 10 tot 12 januari 1871, verscheen er een teken aan de hemel, te Pontmain waargenomen, een plaatsje gelegen in het departement van de Mayenne, een gebied dat zowel aan Normandië als Bretagne grenst, niet het slechtste deel van Frankrijk. Dat teken geleek op noorderlicht, oprijzend in de richting van Bretagne en zich uitstrekkend hoog tot in het zenit, een geweldige gloed, met uitschietende stralen onder een aangrijpende stilte. Een grote wolk dreef langzaam over dit licht, glanzend wit als de sterren, doorschijnend en met goud omrand. Het dorp liep uit, om dit vreemde verschijnsel te zien, verbaasd, zich afvragend wat dit te beduiden had, niet begrijpend dat het de prelude betekende van de komst der Koningin des Hemels, de Toevlucht van die bedrukt zijn en beproefd worden. De verschrikkingen duurden intussen voort, en het is opvallend dat deze merendeels vielen op zondagen, de dagen des Heren, zozeer miskend door het Franse volk, hoewel dit reeds in 1846 door O.L.V. onder tranen was gelaakt (La Salette). Op zondag 29 januari 1871 vallen alle forten van Parijs in Duitse handen.

Intussen sturen Normandië en Bretagne hun smekingen ten Hemel. In de Vendée wordt een kruistocht georganiseerd, opdat Onze Lieve Vrouw de straffende hand van haar Zoon tot bedaren zou brengen. Op 17 januari vragen enkele bewoners van Saint-Brieuc aan de bisschop een gelofte te doen aan het Hart van God, maar Mgr. David stelt voor deze uit te spreken voor O.L.Vrouw-der-Hoop, zozeer in de stad vereerd.

pontmain3
Postkaart met voorstelling van de verschijning van de H. Maagd in Pontmain.

Op de avond van 17 januari had het gesneeuwd; de lucht was nu openen helder, en de sterren stonden te tintelen aan het firmament. Bitter koud was het, vriesweer. Eugène Barbedette, een jongen van 12 jaar, en zijn broertje Joseph, van 10, waren na schooltijd in de schuur met hun vader bezig met het voer voor de beesten, die op stal stonden. Het werk wordt even onderbroken door de komst van Jeanette Detais, de buurvrouw, die het nieuws rondbrengt van de gemobiliseerden aan de Loire, dus ook de peter van Eugène. Vreemd, maar deze voelt zich gedwongen om naar buiten te gaan. Hij ziet het witte landschap, de fonkelende sterrenhemel, en dan, op enkele meters boven het dak van de schuur naast de woning van de overbuurman Guidecoq,… een Verschijning… Eugène blijft als aan de grond genageld, onbeweeglijk staan, volkomen geboeid door de aanblik van dit ongewone beeld, verrukt… Een kwartier staat hij daar in de open deur, zonder iets te voelen pontmain2van de ijzige kou. Dan wil de buurvrouw, die nog altijd met vader Barbedette staat te praten, vertrekken. “Zie Jeanette,” zegt Eugène, “daar boven het huis.” – “Maar jongen, ik zie niets.” – “Ze glimlacht naar me.” Nu komen de vader en het broertje, op die woorden naar buiten. De vader ziet niets. “Zie jij ook niets, Joseph?” – “Ja, ja!, ik zie een schone grote dame in een blauwe jurk, donker blauw, en het blinkt, net als de indigo-ballen van de was.” Het gewaad is een eenvoudige recht afhangende en ruime tuniek bezaaid met gouden sterretjes, de hals omsluitend en reikend tot aan de voeten, zonder plooien, alleen met de natuurlijke golving van de stof. De mouwen zijn ruim en vallen tot aan de handen. In de duistere avond licht de Figuur, als een geheimzinnig licht, onbeweeglijk, fonkelend tegen de fluweel-donkere achtergrond.

Op het hoofd draagt ze een rouwsluier, vastgehouden door een gouden diadeem met een rode band in het midden, afhangend over haar schouders naar achter toe, tot aan haar ceintuur. Aan de voeten draagt ze schoentjes van dezelfde blauwe kleur als het gewaad en versierd met een gouden band. Ze is niet groot, eerder klein; het gelaat van een onvergelijkelijke blanke tint, houdt ze gekeerd naar het oosten, naar de Elzas misschien… Steeds zwijgend houdt ze de armen naar beneden uitgestrekt, een weinig van elkaar, met de palmen open en naar onderen gekeerd, zoals op de wonderdadige medaille. De kinderen, steeds geestdriftig, zeggen nooit zo iets gezien te hebben, zelfs niet op een prentje. “Maar kinderen toch,” zei de vader, “als jullie wat zagen, zouden wij het ook zien. Ga gauw aan het werk, want het avondeten is al klaar.” De kinderen stribbelen niet tegen en gaan naar binnen. Maar de voorzichtige boer zegt nog op de drempel tegen Jeanette: “Zeg er niets van. Niemand zal het geloven en het zou maar opspraak verwekken.” Hiermee schijnt dan de zaak te zijn besloten. Maar na een ogenblik zegt vader Barbedette toch aan Eugène: “Ga eens kijken of het er nog is.” De jongen doet de deur open, kijkt naar buiten en zegt: “Ja, ja, het is er nog precies zoals daarnet.” – “Ga je moeder halen, misschien ziet zij wat.” De moeder komt, maar ziet evenmin wat. Maar Joseph, die meegekomen is, klapt van blijdschap in de handen en roept: “O, wat is dat mooi, mooi!” De moeder geeft de jongen een tik op de arm en zegt wat ruw: “Wil je wel je mond houden. Moet je zien hoe de mensen nu al naar ons kijken!” Maar beide kinderen houden vol: “Ziet u geen mooie grote dame met een blauwe japon?” – “Neen, neen, ik zie helemaal niets.” Toch enigszins ontroerd door de ernst van de kinderen, voegt ze er onmiddellijk aan toe: “Het is misschien de H. Maagd die verschenen is!… Omdat jullie zeggen dat je haar ziet, laten we dan ter harer ere vijf Onze Vaders en vijf Weesgegroeten bidden.”

In en buiten de boerderij werden al direct allerhande vragen gesteld: “Wat is er toch?” – “Wel, niets,” aldus de boer. “Ach, de kinderen… maar wij zagen niets,” zegt de boerin. De kinderen komen binnen en heel de familie bidt nu vijf Onze Vaders en vijf Weesgegroeten. Dan zegt de moeder: “Ga eens kijken of je het nog ziet.” – “Ja, ja,” zeggen de kinderen. “’t Is nog altijd hetzelfde.” Moeder neemt haar bril, veegt die eens goed af en kijkt. Niets te zien. Dan is het voor haar afgelopen en ze zegt ruw: “Hoor je, ’t is voorgoed afgelopen. Jullie zien niets, jullie zijn leugenaars, jullie zien spoken.” – “Kom eten,” zegt vader Barbedette. De kinderen moeten weer naar binnen komen, wat ze ook doen, maar ze lopen achterwaarts om maar niets te missen: “O wat mooi, o wat mooi!” Het is kwart over zes. “Vlug eten,” zegt Eugène, “dan gaan we weer kijken.” – “Moeder, vraag Joseph, “mogen we weer naar de schuur als we gegeten hebben?” – “Welja. Maar je moet toch eerst weer vijf Onze Vaders en vijf Weesgegroeten bidden, als je de Dame ziet, maar niet knielen want ’t is koud, en kom gauw terug.”

Binnen vijf minuten zijn ze terug. “Is de Dame groot,” vraagt de moeder. “Zo groot als zuster Vitaline.” – Ah zuster Vitaline; een idee. “Die zusters zijn heiliger dan wij, zij zullen dus wel wat zien,” zegt de moeder. Zuster Vitaline wordt gehaald… ze ziet niets. Eugène wordt ongeduldig: “Kijk dan toch. Ziet u niets? Daar die drie sterren, net een driehoek?” – “Ja, die zie ik.” – “Nu het hoofd van de Dame is juist in het midden.” Vitaline zegt niets meer en gaat naar huis. Ze ziet daar drie kinderen die zich bij het vuur zitten te warmen, Françoise Richer, 11 jaar, Jeanne Marie Lebossé, 9 en nog één en beveelt hen naar de Victoire – zo wordt vrouw Barbedette genoemd – te gaan, want die zou iets laten zien. Ze lopen naar de schuur en onmiddellijk zeggen die twee: “O, wat een mooie Dame! Ze heeft een blauwe japon aan met gouden sterretjes.” Het derde kind ziet niets. Intussen is zuster Marie-Edouard aangekomen. Ze komt op het idee, nog meer kinderen te gaan halen, en gaat naar moeder Friteau, die een kleinkind verzorgt, en dat inderdaad naar de schuur wordt gebracht. Dan gaat ze ook bij de pastorie aanbellen: “Pastoor, kom toch, er is een wonder… een verschijning… de kinderen zien de H. Maagd.” – “Wat zeg je? Een wonder, een verschijning van de H. Maagd? Maar zusterlief, je doet me schrikken!”

Onbeweeglijk en zonder een besluit te kunnen nemen blijft de pastoor staan, maar de oude huishoudster is kwieker, steekt vlug een lantaarn aan en zegt: “We moeten gaan kijken.” Intussen heeft zuster Vitaline een gebedsactie opgezet voor de menigte die steeds aangroeit. Ze laat de rozenkrans ter ere van de 26 Japanse kinderen bidden – martelaren in 1582 gekruisigd en 8 juni door Pius IX heilig verklaard- een devotie die in heel West-Frankrijk verspreid is. Moeder Friteau komt aan met haar kleinzoon, van 6,5 jaar, goed in een mantel gewikkeld, want het wordt steeds kouder, en ook dat kind ziet de H. Maagd. Dan komt ook de vrouw van de klompenmaker Boitin met haar dochtertje dat nog maar 2,5 jaar is en dat onmiddellijk de handjes naar de hemel uitstrekt en in haar brabbeltaaltje uitroept: “Jezus, Jezus…”, waarmee al van te voren de opwerping, als zou er van een suggestie sprake zijn, is verworpen. De pastoor komt aan en ziet niets. Maar de kinderen geven aan dat er verandering plaatsvindt in de Verschijning.

pontmain

Op het hart verschijnt een rood kruis en rond de Verschijning vormt zich een ovale band van een handbreedte, van hetzelfde blauw als het kleed, op een afstand van zowat een halve meter. Vier kandelaarshoofdjes hechten zich vast aan die band, waarin vier kaarsen steken, die niet zijn aangestoken. Ondertussen bidden de aanwezigen op hun knieën in de sneeuw, de martelaren-rozenkrans. De kinderen zien de gestalte groter worden; het is of de Verschijning nadert, maar de voeten blijven op dezelfde plaats. Als de rozenkrans is afgebeden, is ze tweemaal zo groot geworden. De ster op de top van de driehoek is geleidelijk meer naar boven gegaan. Het ovaal is ook gegroeid en de sterren op het gewaad zijn talrijker geworden. De sterren van de hemel die door de groeiende gestalte worden bedekt, dalen af langs haar lichaam en groeperen zich aan haar voeten, buiten de blauwe cirkel: er zijn er zowat 40. Mgr. Even dacht dat die sterren symbool betekenden voor de Weesgegroeten die door de menigte werden gebeden. Dan heffen allen het Magnificat aan. Nauwelijks is de eerste vers gezongen of de kinderen roepen allen tegelijk: “Kijk eens, kijk eens!” In de lucht ontrolt zich een band zo lang als het dak van het huis, boven het hoofd van de Dame, in de vorm van een rechthoek. Eén voor één verschijnen daarop vergulde letters, om aan de kinderen tijd te gunnen de woorden te spellen: MAIS PRIEZ MES ENFENTS – bidt toch mijn kinderen. De pastoor vraagt om de litanie van Maria te bidden: “We moeten bidden tot Maria, dat zij haar wil aan ons openbaart.” Bijna onmiddellijk daarop kwamen weer letter voor letter: “DIEU VOUS EXAUCERA EN PEU DE TEMPS – God zal u in korte tijd verhoren. Dan verscheen een punt, zoals een zon. De mensen riepen: “Het is voorbij, het is voorbij! De oorlog zal ophouden, we zullen vrede hebben!” – “Ja, zeker,” antwoordde Eugène ernstig, “ja zeker, maar bidden!” De pastoor laat het schone “Inviolata” zingen, en zie, bij de woorden “o zeer geliefde en zeer roemruchte Moeder van Christus” verschijnen er op de band de woorden: MON FILS. Dan zet de menigte het “Salve Regina” in, en verschijnen de woorden: MON FILS SE LAISSE TOUCHER – Mijn Zoon laat zich vermurwen. Een grote gouden streep onderlijnt deze woorden. Dan verdwijnt het opschrift en verandert het gelaat van Maria; een smartelijke trek komt rond haar lippen en een kruis in levendige rode kleuren vertoont zich, een weinig vóór de Verschijning. In donkerder rood verschijnt het Lichaam van haar Zoon, met daarboven: Jezus Christus. Maria heeft het kruis vastgenomen en terwijl ze het kruis lichtjes naar de aarde buigt, laat een ster los van de voetbank en steekt die vier kaarsen binnen het ovaal aan. Een geweldige ontroering grijpt de kinderen en heel de omgeving aan. Dan laat de pastoor de hymne aanheffen: “Ave Maria Stella Maris”, waarop onmiddellijk het kruis verdwijnt en de handen van de Maagd weer de positie innemen zoals op de Wonderdadige Medaille. Ze glimlachte weer, en toen scheen het alsof twee witte kruisjes op de schouders van Maria werden geplaatst. De pastoor nodigt de menigte uit voor het avondgebed waarop een wit doek verschijnt, als afbeelding van het zuivere geweten. Het wordt langzaam omhoog getrokken, maar blijft driemaal stilstaan. Met de sluiting van het avondgebed verdwijnt de Verschijning. “Het is afgelopen,” zeggen de kinderen. De klok slaat negen uur, en allen gaan naar huis.

Pontmain is toen bewaard gebleven voor het krijsgeweld, en op 28 januari werd de wapenstilstand getekend. Ook in de tweede Wereldoorlog werd het stadje op bijzondere wijze gespaard van bombardementen.

In 1872 verklaarde de bisschop van Lavert, Mgr. Wicart, dat “Maria Onbevlekt Ontvangen, op 17 januari werkelijk was verschenen aan Eugène en Joseph Barbedette, Françoise Richer en Jeanne-Marie Lebossé, en gaf toestemming tot de verering van Onze Lieve Vrouw der Hoop, waarmee de grondslag was gelegd voor bedevaarten naar Pontmain, die nog altijd voortduren.

Uit: Verschijningen van Maria in West-Europa 1491-1953 Door Dom. A. Beekman O.S.B.; Stichting Recht zonder onderscheid – Pater Koopman – Nijmegen


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s