Visioenen over de H. Mis uit de openbaringen van Pater Johannes Reus S.J. (deel 4)

mass4

Uitwerking van deze vereniging met God

In talrijke, veelzijdige visioenen werd de uitwerking van de heilige Communie aan de dienaar Gods aanschouwelijk getoond: zoals het steeds dieper één worden met Christus, maar ook het mede gekruisigd zijn met Hem, de innige levensgemeenschap met de allerheiligste Drievuldigheid. Luisteren we naar enkele belangrijke getuigenissen van de pater: “Op 20 april 1941 zag ik na het ontvangen van de heilige Communie de goede Heiland in mijn hart, zoals ik Hem gisteren gezien heb, als de verrezen Heer, omgeven door heilige Engelen. Het is immers zijn vreugde bij de mensenkinderen te zijn en in hun harten te wonen, bijzonder in het hart van de priester.”

Op 4 september 1940 verklaart hij: “Als God een brandend vuur is, dan moet ook de heilige Communie een brandend vuur zijn, dat de gehele mens in zijn gloed vat en verandert tot een vuur, zoals God zelf is. God heeft ons in het doopsel een zegel opgedrukt: je behoort voor eeuwig aan God. Deze liefde vernieuwt Hij in iedere heilige Communie. Als je niet hongert naar het levende brood, leeft je ziel een donker leven.”

Het absolute “licht-zijn” van de Eucharistie helpt ons ook “licht te worden” in éénwording met de Heer onder de gedaante van brood.

Ook als Pater Reus zijn medebroeders, die geen priester waren, de heilige Communie uitreikte, zag hij menigmaal na hun nuttiging in hun borst “een naar alle zijden uitstralend licht.” Het was niet bij allen even stralend en sterk, wat op een minder of meer goede voorbereiding duidde. (27 januari 1938)

Op 29 maart 1940 zag hij zich na de heilige Communie in extase met uitgestrekte armen aan het kruis hangen. Daarbij verklaart hij: “Ik ben met Christus aan het Kruis geslagen. Zoals de goede Heiland is ook de priester, met Hem, in de heilige Mis op een geheimenisvolle manier gekruisigd.”

Diep bewogen leest men herhaaldelijk van deze mystieke kruisiging, zoals die door Pater Reus na de heilige Communie wordt beleefd. Hij zag zich onder vreselijke kwellingen aan het kruis geslagen, onuitsprekelijke pijn lijdend. Hij moest immers met zijn goddelijke Verlosser één worden, mee lijden voor de zonden van de wereld. Slachtoffer van de liefde!

Pinksteren 1945 beleefde hij het volgende: “De drie goddelijke Personen kwamen in mijn onmiddellijke nabijheid, zodat ik helemaal door hen was ingesloten. Dit wil zeker betekenen dat wij door de heilige Communie geheel in God opgenomen worden, aan de goddelijke natuur deelachtig worden gemaakt! Wie kan dit mysterie in zijn grootheid ook maar een weinig vermoeden, laat staan begrijpen! Hoe moeten we ons in diepe eerbied voor de in ons wonende Drie-ene God steeds opnieuw aanbiddend neerbuigen en Hem met geheel ons hart trachten te beminnen! Nodigen we daartoe de lieve Moeder Gods, de heilige Jozef en de heilige Engelen uit. Zij helpen aanbidden, zij helpen danken, zij helpen beminnen!”

Pater Reus mocht bij de heilige Communie ook de lieve Moeder Gods en de heilige Jozef aanschouwen. Zo vermeldt hij op 19 mei 1941: “Bij de heilige Communie zag ik eerst de goede Heiland met zijn allerheiligste Hart, dan rechts en links van Hem de lieve Moeder Gods en de heilige Jozef, die ik door innerlijke openbaring herkende. Ik was hoogst verbaasd over dit hemelse bezoek. Maar iedere priester treedt door de kracht van de consecratie in een zekere verhouding tot de heilige Familie. Hij gelijkt op de Moeder Gods, in de manier waarop de Heiland door hem het sacramenteel leven bekomt. Hij gelijkt op de heilige Jozef omdat hij de Heiland ook moet beschutten en bewaren.”

De betekenis van de laatste zegen

Pater Reus mocht zien hoe de heilige Drievuldigheid of de Verlosser tegelijk met hem de zegen gaven. Eens zag hij hoe het Kindje Jezus zijn handje omhoog hief en tegelijk met hem zijn goddelijke zegen gaf. Daardoor wou de Heiland zeker op bijzondere wijze zijn hartelijkheid voor de schepselen uitdrukken. “Allerliefst” schreef de pater tot slot van deze vermelding. Een andere maal beschrijft hij (op 21 september 1941): “Toen ik tot slot van de heilige Mis de zegen gaf, zag ik boven mij de Heiland aan het kruis, die tegelijk met mij de zegen gaf en wel met een hand die van het heilig kruis was losgemaakt. Hij is niet enkel het zachtmoedig Offerlam dat zich opnieuw laat opofferen, maar eveneens de offerende, biddende en zegenende Hogepriester. Wat de priester aan het altaar doet, doet de Heer in hem en met hem.”

Het was een ontroerend ogenblik voor Pater Reus toen hij bij de slotzegen van de heilige Mis beleefde hoe de heilige Drievuldigheid samen met hem de zegen gaf en wel over een ontelbare menigte. Pater Reus beklemtoont uitdrukkelijk: “De zegen van de heilige Mis geldt duidelijk voor de ganse kerk want de priester moet de zegen geven, ook als hij heel alleen de heilige Mis opdraagt.” Zo heeft iedere priester de macht en de kracht om de hele wereld te zegenen. In de mate van zijn geloof en vertrouwen zal die zegen ook werkzaam zijn, vooral als een zegen tot het bannen van de demonen van de tijd.

De dankzegging van de pater na de heilige Mis was eigenlijk een voortzetting van de liefdegloed die hij aan het altaar had beleefd. In dit kwartiertje wilde de Heiland van Hem geen gebeden, maar enkel zijn voortgezette woordeloze liefdesbetuiging aannemen. Daarbij was de pater zich bewust van zijn onvermogen: “Wat ik Hem geef, dat is niets!”

Pater Reus bad dan ook vaak om helpers en voorbidders voor dit kostbaar kwartiertje. Hij wendde zich vooral tot de lieve hemelse Moeder, opdat zij hem zou helpen aanbidden en beminnen. Hij wendde zich tot de vrienden van het goddelijk Hart van Jezus. Hij verenigde zich bijzonder met de hulde en de liefdevolle aanbidding van de heilige engelen. Zo schreef hij eens: “Ik zag twee engelen aan mijn zijde, die met mij de Heiland in mijn hart aanbaden. Het waren Serafijnen geloof ik. Dit wil zeker betekenen dat de heilige engelen, als wij ze uitnodigen, zoals ik steeds doe, met ons de goddelijke Verlosser aanbidden en hun liefdevlam met de onze verenigen.”

Vol zaligheid getuigde hij eens (op 1 januari 1942): “In de dankzeggingen na de heilige Mis ondervind ik een aan het ongelofelijke grenzende vertrouwelijkheid en innigheid. Reeds vaak kwam in mij de gedachte op: “Het kan in de Hemel niet schoner zijn dan aan het altaar, in trouw verkeer met God!”

Wij bidden: “O Liefde van God, wees de zee die onze eigenliefde verzwelgt! Wees het vuur dat onze eigen wil voor eeuwig in uw heilige wil verbrandt!”

Pater Johannes Reus S.J. (1868-1947) verbleef het grootste deel van zijn priesterleven als missionaris in Brazilië. 35 jaar lang droeg hij zwijgend en voor de wereld verborgen, de stigmata van de Heer. Na zijn dood voltrok een geheimenisvolle macht de mensen naar zijn graf. In 1971 waren er reeds meer dan 100.000 gebedsverhoringen geregistreerd. Het kerkelijk proces voor zijn zaligverklaring was in 1987 bezig.

johreus2

Uit: De Heilige Mis, een zee van genaden – De priester, een tweede Christus – Bijlage aan het contactblad “Vlaanderen naar Maria”, zomernummer 1987. Uitgegeven door L. Van den Borre, Oostende


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s