De Heilige Agatha, maagd en martelares

De Heilige Agatha, + 254 n. Chr.

Ten einde te Catania zijn edicten tegen de christenen zo wreed en harteloos te doen uitvoeren als mogelijk was, plaatste keizer Decius aldaar als consul op de rechterstoel een zekere Quintianus die op dit vlak reeds roem verworven had. Nog slechts weinige dagen te Catania residerend, werden hem naam en gegevens overhandigd van een meisje uit één der edelste geslachten van Sicilië, die Agatha heette en wier deugdzaamheid voor grootste zondaars onder de heidenen onverdraaglijk was. Zij werd gegrepen en men bracht haar voor de rechterstoel. Maar toen hij haar zag, zo jong, zo schoon, zo edel en voornaam van manieren, wilde hij haar geenszins vonnissen, maar hij deed zich beminnelijk voor, om eerst haar dankbaarheid en dan haar genegenheid te winnen om haar tenslotte geheel te kunnen bezitten. Hij veroordeelde haar dus niet, maar gaf haar over aan een zekere Aphrodisia, die Agatha’s rein gemoed moest omvormen, zodat haar kuisheid geen hinderpaal meer zou zijn, om hem genegen te zijn op de manier die hij verlangde. Want hoe allergeringst zijn kennis van de christenleer ook was, hij wist dat zij ontucht, overspel en alle onkuisheid streng verbood en uitermate verachtte. Hij meende echter dat de gehechtheid aan het leven en de dankbaarheid omdat hij haar het leven liet behouden een zeer geschikte bodem was voor het zaad des verderfs.

Een maand lang trachtte de satansdochter haar met allerlei middelen te overhalen tot de prostitutie, maar zij bleef standvastig en getrouw aan haar gekozen Bruidegom, Jezus Christus. Toen Quintianus dit vernam liet hij haar weer voor het gerecht brengen. Hij liet haar in een kerker werpen en haalde haar de volgende dag daar weer uit. Nu vleide hij haar en beloofde zoetheden, genietingen, vreugden duizenderlei. Maar de fiere maagd wilde niet buigen. Quintianus werd ontsteld, hij beefde in zijn zetel en zijn gelaat werd wit en zijn stem trilde. In een dwaze dooreenmengeling vleide en dreigde hij, hij beloofde en voorzegde gruwzame folteringen. Agatha zei dat ze verlangde naar de tormenten zodat ze volkomener met haar Bruidegom zou verenigd zijn. “Zoudt gij het zwaard tegen mij willen gebruiken, hoe gewillig zal ik mijn hals buigen; als gij mij wilt doen geselen, zeer bereid zijn mijn schouders de slagen te ontvangen; wilt gij mij in het vuur werpen, hier is mijn pover lichaam.” Ze deinsde er niet voor terug om voor de wilde dieren geworpen te worden of gemarteld te worden.

In zijn krankzinnige woede kwam een pervers verlangen in hem op om deze vergeefs begeerde schoonheid vuig en wreed te krenken. Hij riep zijn beulsknechten en beval hen de zuivere maagd een van de borsten te verminken en af te rukken. Zij antwoordde hem: “Hoe schaamt gij u niet een vrouw te beledigen en te pijnigen in haar borst, terwijl gij uw eerste voedsel kreeg uit de borst van een vrouw?” Maar de beulen naderden en pleegden de hemeltergende schennis… Nadien werd ze in de kerker geworpen en de bewakers hadden het bevel gekregen dat geen enkele vertroosting haar mocht bereiken.

Toen ze daar neerlag in de kerker kwam er een man binnen, voorafgegaan door een knaap. De man was gekleed gelijk de heelmeesters in die dagen. Hij zei dat hij geneesheer was en bood aan haar pijn te stillen en haar te genezen. Ze zei dat ze geen aards geneesmiddel nodig had. Toen veranderden de trekken van de geneesheer en zijn gelaat werd stralend. Hij zei dat hij Petrus was, apostel van Jezus Christus. Hij zei dat het de wil van de Heer was dat deze wrede schennis van haar lichaam ongedaan zou gemaakt worden, en hij genas haar. Op het ogenblik dat zij haar borst terugkreeg werd de kerker gevuld van een bovennatuurlijk licht.

Na vier dagen wenste Quintianus haar weer te zien, maar toen hij haar zag, onverwelkt en luid getuigend dat Jezus Christus haar teruggeschonken had wat zijn haat en macht haar had ontnomen, schrok hij zodanig dat zijn mond verdroogde. Maar hij was zo bezeten van Satan dat hij, ofschoon hij de macht van de Gekruisigde moest erkennen, het werk van de vernietiging voortzette. Hij beval dat men haar zou uitstrekken op een vloer van gloeiende kolen en scherven. Toen Agatha’s reine lichaam zo geschroeid en ijselijk verminkt werd, begon de aarde te beven en de stad Catania schudde op haar grondvesten. Het volk kwam bijeen voor het paleis van de consul en schreeuwde dat dit een straf van God was voor de wrede behandeling van de edele Agatha. Quintianus echter liet haar snel naar de kerker terug brengen. Daar bad zij tot de Heer: “Gij eeuwige God, die in uw onuitsprekelijke goedheid, mij, zwak en hulpbehoevend meisje met zo’n grote kracht gewapend hebt dat ik de tiran bestrijden kon, en omwille van Uw heilig geloof de tormenten en de schennis van beulen en soldaten kon doorstaan, open in barmhartigheid Uw armen en neem mijn geest tot U die naar Uw aanschijn verlangt met al de kracht van haar liefde.” En na deze smeking stierf zij. Het was de 5de februari Anno Domini 254.

Bron: Met de heiligen het jaar rond, Hasselt, 1948

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s